Sardienwonder

is visser en doet verslag vanaf de waterkant. Deel 11. De glans van pailletten.

Mijn vuurpijl dit jaar was een bevroren baars uit de Maas. Die lag nog in de vriezer. Een zonde uit m’n vorige leven. Klokslag middernacht slingerde ik hem vanaf negen hoog met een grote boog de struiken in. De vuurrode vinnen vlamden kort in ’t maanlicht. Plof! Mijn enige nieuwjaarsknal. Aalmoes voor de katten. Het had iets louterends.

Diezelfde nacht, in bed, vroeg ik me af wat er van me was geworden als vader 40 jaar geleden niet de Middellandse Zee was overgestoken. Dan schreef ik vast geen boeken en stukjes voor de krant. Waarschijnlijk verdiende ik als schaapherder of schoenpoetser de kost. Misschien kuierde ik met een kruiwagen rond op de markt en sliep ik mijn roes uit onder een boom. Maar misschien, zo droomde ik verder, was ik visser geworden. Sardienvisser.

Ons dorp ligt niet ver van Bouyarfar, het roemrijke vissersdorpje aan de Alboránzee. Waar ik als kind zo vaak op ’t strandje met vader de blauwe vissersbootjes opwachtte. Van ver hoorde je de hongerige meeuwen al krijsen. Dappere bootjes die generaties lang de vraatzucht van de zee trotseerden. Tanige mannen met rauwgekerfde handen, die elke nacht de dood in de ogen keken. Met als enig aas het vertrouwen op God. Ze sleepten hun bootjes aan, stapelden de schatkisten, omhelsden elkaar, bonden de netten en drijvers af, sigaretjes tussen zoutverweerde lippen. Het voortreffelijke samenspel van gestaalde geesten en blijmoedige gezichten. Later begrijp je waarom Jezus zijn apostelen koos onder vissersmannen.

Daar lagen ze dan in het zand, de kratten vol spartelende schatten. Zilveren juwelen met metaalblauwe gloed en mintgroene tinten; geen zeemeermin die schoner de glans van pailletten kan dragen dan stervende sardines.

Diezelfde middag nog stegen vanaf iedere heuvel de rookpluimen omhoog, de geur van geroosterde vis verspreidde zich.

Eerder schreef ik dat álle vis gebakken moet in een mix van olie en boter. Op één soort na: sardines. Die horen met kop en al geroosterd. Let wel: houtskool geroosterd. Dus niet elektrisch. Waarom niet? Omdat houtskool het sardienwonder ’t allermooist openbaart: zilver transformeert in puur goud. Serveer met brood, citroen en rauwe rode ui.

Enfin, de geschiedenis kent zijn eigen wetten. Ik ben geen tanige sardienvisser geworden die elke nacht de dood trotseert. Ik woon in Zwijndrecht en verdien de kost met woorden.

Maar toch, goddank, huist er een stukje Bouyarfar in Zwijndrecht. Het hangt in mijn badkamer: een aarderode, handgeweven sardine-netje, ‘chabka’. Daar scrub ik sinds jaar en dag m’n rug en benen mee. De vrouw die ze verkocht zei: ‘Schrob elke ochtend je lijf met dit netje. Je krijgt een huid zo mooi en glad als van sardine.’

    • Mohammed Benzakour