‘Niet weten wat ‘goed doen’ betekent’

Jelle van Baardewijk filosoof

Studenten bedrijfskunde zijn te veel gericht op efficiency, stelt Van Baardewijk. „Abstract denken neutraliseert morele twijfels.”

Filosoof Jelle van Baardewijk: „Het is niet duidelijk waar management om draait.”
Filosoof Jelle van Baardewijk: „Het is niet duidelijk waar management om draait.” Foto Roger Cremers

Studenten bedrijfskunde hebben morele vorming nodig, vindt Jelle van Baardewijk die vorige maand op dit onderwerp promoveerde aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Ethiek ontbreekt in het huidige vak bedrijfskunde dat te veel is gericht op modellen voor efficiency. De samenleving waar het bedrijf in opereert, speelt er een te geringe rol in. „Ethiek is nu een bijvak. En dat voor een tijd waarin zo veel normatieve vragen zijn”, zegt Van Baardewijk. „Wat is bijvoorbeeld het verschil tussen belastingontduiking en -ontwijking? Wat is maatschappelijk verantwoord ondernemen? Wanneer is iets echt en wanneer is het reclame? Hoe ontsla je iemand?”

De studie bedrijfskunde vormt een goed verdienmodel voor het hoger onderwijs. Van Baardewijk spreekt van een overschot aan hogeschoolbedrijfskundigen en vindt dat het aantal studenten moet worden ingeperkt.

Wat schort er aan de opleiding?

„Het is niet duidelijk waar management om draait. Bij andere professionele studies is dat wel het geval. Geneeskunde gaat over gezondheid. Een chirurg houdt ’s avonds de vaktijdschriften bij. Die kennis past hij toe. Wetenschap is onderdeel van het identiteitsbegrip. Rechten draait uiteindelijk om rechtvaardigheid. Er is een canon, bestaande uit een wetboek en jurisprudentie. Bij bedrijfskunde doen ze wel aan wetenschap, maar de relatie met de praktijk is vaak ver te zoeken.

„De studenten die ik heb ondervraagd, wilden een bedrijf efficiënter of effectiever maken, rijker worden of anderen helpen om rijker te worden. Ze wilden met mensen praten, meedoen, de boel vooruit helpen. Of ze zeiden gewoon: ‘Ik ben ambitieus’. Ze wilden ook ‘het goede doen’ maar hadden geen idee wat dat betekent. Ze kunnen moeilijk antwoorden op de vraag wat een bedrijf meer inhoudt dan alleen geld verdienen.

„Bedrijfskundestudenten hebben weinig gevoel voor wat het bedrijfsleven te danken heeft aan de maatschappij. Dat wil zeggen het onderwijssysteem, de opvoeding, de belastingmoraal, de infrastructuur en de traditie van technische innovaties. Dat wisten ze vroeger wel. De studie is die kennis kwijtgeraakt.”

Wat is het gevolg daarvan?

„Dat bedrijven een minimalistische opvatting hebben van hun eigen taak. In de financiële crisis kwamen mensen in de problemen omdat hun huizen onder water kwamen te staan. Hun waren riskante financiële producten aangesmeerd. De theorie is dat consumenten rationeel zijn en zelf kunnen beslissen hoe hun behoeftes worden bevredigd. Als een klant geen kritische tegenvragen stelt, dan is het zijn eigen schuld.

„Waarom zou de bedrijfskundige zich niet zien als advocaat of als arts? Zodat hij ook vanuit zorg naar iemand kijkt. Dan zou de klant nooit zo’n transactie zijn aangegaan. De rol van de handelaar die altijd wil verkopen is groot in de bedrijfskunde: ‘als ik dat pakketje verkoop, krijg ik meer loon’. Maar aan zijn ouders zou hij het nooit verkopen. In de studie leer je je morele twijfels te neutraliseren door abstract te denken.”

De bedrijfskunde raadt toch niet aan rommelhypotheken te verkopen?

„Nee. Maar in de hoofden van de studenten bedrijfskunde en economie is er sprake van een institutionele scheiding der machten. Ze zeggen: ‘Wij maken dingen efficiënt en bouwen de gewenste economische infrastructuur. Voor maatschappelijke vragen hebben we politici. Die moeten de problemen verwoorden en de oplossingen bedenken en dan kunnen we die met ons allen aanpakken. Wij zijn er voor de economie en voor de consumenten.’ Alsof ze de maatschappelijke vragen niet hoeven op te pakken.”

Hoe zit het dan met de opkomst van het maatschappelijk verantwoord ondernemen?

„Inderdaad komt de belanghebbende terug in de bedrijven. Zoals bij de gasexploitatie in Groningen. Daar zaten alle belanghebbenden rond de tafel. Maar uiteindelijk moet de manager beslissen.

„De ING is een systeembank en daarmee een groot risico voor Nederland. Ze heeft een infrastructuur die zo groot en veilig is dat heel grote partijen, zoals gemeenten, ervoor kiezen. Ze heeft een geprivilegieerde positie en daarmee krijgt ze maatschappelijke taken waar ze zich niet aan kan onttrekken. Ze zegt dat ze geen politie is, maar de politie bankiert wel bij ze. Ze moet dus geen witwaspraktijken faciliteren. De drugslaboratoria zijn niet haar schuld maar ze moet er bij het bankieren toch verantwoordelijkheid voor nemen.”

Hoe moet bedrijfskunde er volgens u wel uitzien?

„In de bedrijfskunde zouden vakken als sociologie, politicologie en geschiedenis serieuzer moeten worden genomen, te beginnen met de geschiedenis van het bedrijfsleven zelf. Een statistische analyse helpt niet altijd. Er zijn meerdere vormen van denken.

„Een bedrijfskundige moet de tien belangrijkste theorieën van het bedrijf en wanneer je ze toepast vanbuiten kennen. De studies die van oudsher professioneel worden genoemd, rechten en vooral geneeskunde, zouden veel meer de spiegel voor de bedrijfskunde moeten zijn. De ethiek moet steviger. Studenten moeten leren dat efficiency en effectiviteit niet altijd werken.”

Zou u zelf bij voorkeur bedrijfskundigen aannemen als u een bedrijf had?

„Nee, je ziet nu juist de inhoudelijke experts weer terugkomen in de bedrijven. Echte ondernemers voelen zich ook niet aangetrokken tot bedrijfskunde. Studenten bedrijfskunde zien zich meer opereren als organisator, coach of ‘mensenmens’. Als je zo iemand zoekt, zit je bij bedrijfskunde goed.”