Laura van der Heijden: ‘Zonder muziek word ik somber’

Klassiek Cellist Laura van der Heijden won in 2018 een Edison voor haar overweldigend goede debuut-cd ‘1948’. In maart soleert ze bij het Orkest van het Oosten.

Foto Merlijn Doomernik, illustratie Olf de Bruin

Haar naam is zo Nederlands als kan, en haar overgrootvader Martin Spanjaard (1892-1942) was dirigent van het Orkest van het Oosten. Maar voor celliste Laura van der Heijden (East Sussex, 1997) is Nederland vooralsnog alleen een geliefd vakantievaderland. Als kind leerde ze fietsen aan de Zeeuwse kust. Als ze in Amsterdam is, logeert ze bij haar oom aan de gracht. Maar verder groeide ze met haar Nederlandse vader en Zwitserse moeder op in Groot-Brittannië, omdat haar ouders niet wilden kiezen voor een van beide herkomstlanden.

En zo kon het gebeuren dat Laura van der Heijden („Heerlijk dat iedereen mijn naam hier meteen goed spelt en uitspreekt!”) al in 2012 werd verkozen tot BBC Young Musician of the Year, terwijl Nederland haar eigenlijk pas leerde kennen door haar vorig jaar verschenen, zowel in originaliteit als kwaliteit excellerende en met een Edison bekroonde debuutalbum ‘1948’, gewijd aan relatief onbekende werken van Russische componisten als Ljadov en Sjaporin.

Optredens in Nederland geeft ze nog niet vaak, maar net voor Kerst was ze even in Amsterdam, voor haar debuut in het Concertgebouw. „Ik studeer musicologie aan St. John’s College in Cambridge en zij vroegen me een stuk te spelen als onderdeel van het kerstconcert van hun koor”, vertelt ze. En ja: de legendarische Grote Zaal bleek inderdaad zijn reputatie waard. „De akoestiek is heel warm en de sfeer sluit daarbij aan”, zegt ze – in bijna vloeiend Nederlands. „Nu ik heb ontdekt dat Nederlanders ook heel veel Engelse woorden door hun zinnen mengen, voel ik me veel vrijer het gewoon te proberen.”

Dat Laura van der Heijden als kind na de blokfluit voor de cello koos, was deels toevallig. „In ons dorp woonde een heel goede docente, Marina Logie, die bovendien met mijn ouders bevriend was”, vertelt ze. „Ik vond de lessen leuk en had ook aanleg, hoewel het studeren me niet altijd even soepel afging. Ik was soms lui.” Wat dan weer leidde tot lange „doe wat je wilt maar doe dat goed”-gesprekken met haar moeder, psychiater, die er steevast op uitliepen dat Laura toch maar weer ging oefenen. „Want ik had ergens wel het voorgevoel dat de cello ooit écht belangrijk voor me zou worden.”

Toen ze rond haar elfde technisch zo ver was dat het tijd werd voor een nieuwe leraar, raadde iemand haar de Russische virtuoos en docent Leonid Gorokhov aan. Vanaf de proefles was er een klik. „Leonid weet precies wanneer hij wat hoe moet zeggen. Aanvankelijk was hij vooral heel concreet: strijkstok zo, hand zus. Maar door zijn technische raadgevingen leerde ik hoe ik alle denkbare kleuren en sferen kan oproepen.”

Met Gorokhov kwam Rusland in haar leven: een tweede beslissende klik. Het weemoedige prachtrepertoire dat hij haar aanreikte, de „rijke, diep donkere klank” van musici als violist Jascha Heifetz en cellist Igor Piatogorsky die ze altijd al had bewonderd, de literatuur – ze intrigeerden haar zo dat ze het Russisch inmiddels goed genoeg beheerst voor een alledaags gesprek. „En als ik aan het einde van dit academisch jaar klaar ben in Cambridge, ga ik mijn Nederlands en Russisch zo opvijzelen dat ik ook echt kan zeggen wat ik denk.”

Gorokhov was geen typische Russische leermeester, denkt Van der Heijden. „Leraren in Rusland zijn of waren doorgaans veel hardvochtiger, die koersen compromisloos op kwaliteit. Gorokhov is ook veeleisend, maar blijft aardig. Hij zegt wel vaak tegen me dat ik ‘niet genoeg heb geleden’. Maar muziek gaat voor mij over emotie en liefde. Ik wil niet geloven dat die geweldige Russische musici alleen maar bestonden bij de gratie van hun zware levens. Ik hoop en denk dat je ook in een prettige leefomgeving hetzelfde kunt bereiken door heel hard te werken en intens van muziek en kunst te houden. Wat overigens nog steeds niet makkelijk is. Een stuk is nooit af, het is nooit weekend, de kritische stem in mijn hoofd staat nooit uit. Soms droom ik zelfs dat ik word ontvoerd en mijn vingers worden afgehakt.”

Maar die diepe fysieke en mentale verbondenheid is ondeelbaar van de aantrekkingskracht van muziek, vindt ze. „Dat je je levenlang beter kunt worden. Dat er altijd nieuwe ideeën zullen zijn over interpretatie. En dat je altijd je visie kunt verdiepen op alle emoties die in de muziek besloten liggen.”

2019 wordt een spannend jaar. In maart soleert ze bij het Orkest van het Oosten – wat maar één serie is van een aanzwellende reeks optredens buiten het Verenigd Koninkrijk. En in de zomer studeert ze af aan Cambridge. „Daarna begint het volwassen leven. Maar wat dat inhoudt, is voor mijzelf ook een vraagteken. Amsterdam trekt, misschien dat ik hier kom wonen. En ik ga een nieuwe muzikale mentor zoeken, niet per se een cellist. Technisch kan ik mezelf goed vooruit helpen met geluidsopnames. Hoe je studeert, is oneindig veel belangrijker dan hoeveel. Mijn eerste lerares zei altijd al: ‘Practice doesn’t make perfect, it makes permanent.’ Als ik iets fout speelde, moest ik het daarna tien keer foutloos spelen, opdat mijn vingers de goede, niet de foute speelwijze zouden onthouden.”

Eén ding is zeker: een leven zonder muziek is geen optie. „Tijdens mijn eerste jaar in Cambridge had ik geen tijd om cello te studeren. Ik werd somber. Het verband realiseerde ik me pas toen na een uur op de cello opeens alle bedruktheid van me afviel. Met mijn cello voel ik me levend.”

Het album ‘1948’ van Laura van der Heijden (cello) en Petr Limonov is verschenen bij Champs Hill Records). Laura van der Heijden soleert bij het Orkest van het Oosten in Dvoraks Celloconcert 28, 29, 31 maart en 4, 5, 7 april.