‘Ik vind het moeilijk om tot tien te tellen’

Criminaliteit ‘Liam’ (18), licht verstandelijk beperkt, vertelt over zijn ervaring met criminaliteit en hulpverleners. „Als vrienden iets verkeerds van me willen, zeg ik twee keer ‘nee’, maar de derde keer doe ik het.”

Zijn kamer is kaal en wit. Er staan alleen een hoogslaper, een kast, en een bureau met computer en stoel. Dat is wel zo praktisch als je in je korte leven al zo’n tien keer bent verhuisd, „van mama naar het schippersinternaat, van papa naar allemaal jeugdzorggroepen”. Open, soms gesloten, en nu, net voor zijn achttiende verjaardag, naar een begeleidwonenproject met drie twintigers. Alleen de ring aan zijn vinger mag niet kwijtraken, die is van zijn vader geweest. „Het is mijn waardevolste bezit.”

In een vrijstaand nieuwbouwhuis in Vlissingen brengt hij ons naar de huiskamer. Blonde kuif, „zelf geverfd met een setje van de Action”, een brandende sigaret tussen de vingers. Zijn naam wil hij niet in de krant, hij is licht verstandelijk beperkt en heeft strafbare feiten gepleegd. Maar hij vertelt graag zijn verhaal, zoals hij dat ook deed aan onderzoekers van de Hogeschool Leiden in een in december verschenen boek Kom me horen. Omdat het leven als verstandelijk beperkte „best een gevecht is”.

Welk gevecht bedoel je?

„Ik raak sneller dan anderen overprikkeld en vind veranderingen heel moeilijk. Ik heb schakeltijd nodig. Als jij een uurtje later komt, is dat geen probleem. Maar als je vijf minuten voor de afspraak afbelt, loopt de spanning op.”

Je hebt een kort lontje?

„Ik ben een driftkikker. Vroeger moest bij mij alles kapot en ging ik brullen en met spullen gooien. Mijn emmertje zat vol. Gister zocht ik ook een uitlaatklep, toen heb ik keihard tegen de deur aangetrapt. Ik moest ’s ochtends werken in het winkeltje bij het verzorgingshuis, zat ’s middags op het computerbedrijf van de huiseigenaar en zou net gaan koken toen mijn moeder belde en begon te zeuren over school. En toen, heel impulsief die schop: bam!

„Ik ben buiten een sigaretje gaan roken en de groepsleider heeft thee met me gedronken. Ze begeleiden me hier om mijn agressie te reguleren, om mijn nieuwe leven op te zetten en om overzicht te scheppen in mijn dag. In mijn eentje lukt dat niet. Op testen scoor ik met woorden goed, maar verwerken en logisch redeneren vind ik moeilijk. En ik ben best beïnvloedbaar. Als vrienden iets verkeerds, zeg maar iets crimineels, van me willen, zeg ik eerst twee keer ‘nee’, maar de derde keer doe ik het.”

Liam – zo noemen de onderzoekers van de Leidse hogeschool hem – vertelt hoe hij op zijn veertiende na de zoveelste uithuisplaatsing een fles sterke drank stal voor zijn groepsgenoten „omdat ze anders geen vriendjes meer waren”. Hij kwam er vanaf met een winkelverbod. Afgelopen jaar – hij zat in een jeugdzorginstelling in Noord-Brabant – gebeurde iets vergelijkbaars: hij haalde voor jongens uit de buurt sigaretten, L&M. „Het waren vrienden om mee rond te hangen en te roken.”

De sigaretten zette hij op rekening van de jeugdzorginstelling. Stiekem: „Ik wist dat dit niet mocht maar ik wilde voor de buurtjongens iets aardigs doen, dan laten ze je niet vallen.” Totdat de fraude werd ontdekt en hij op de hangplek niet meer elke dag gratis sigaretten kon aanbieden. Toen Liam bij de bibliotheek langsfietste, namen de ‘vrienden’ wraak.

Zonder een spier te vertrekken: „Het waren geen echte vriendenvrienden. Ze trokken me van de racefiets en probeerden mijn band lek te steken. Kerfden een kruis in het zadel en drukten het mes tegen mijn buik. ‘Ik zal je eens even leeg laten lopen’, zei d’r een. Anderen pakten het wiel van mijn fiets, iemand vond dat niet kunnen. Uiteindelijk lieten ze me gaan en heb ik aangifte gedaan. Maar vandaag belde de politie dat de aangifte is geseponeerd. Gebrek aan bewijs en getuigen.”

Baksteen door schoolruit

Meermalen heeft Liam zelf als verdachte te maken gehad met de politie. De eerste keer was hij twaalf, toen hij op de school van het internaat ruzie kreeg met een jongen. „Gestrest was ik, mijn hoofd stond op ontploffen.” Liam had de jongen volgens de groepsleiding met de dood bedreigd en „vast en zeker een baksteen door de schoolruit gegooid” als de begeleiding hem niet had tegengehouden en de politie had gebeld. Agenten namen hem apart voor een ‘bromsnorgesprek’, zoals hulpverleners dat noemen.

„We hebben toen gepraat en gekeken hoe het kwam, en toen mocht ik weer weg. Ik denk doordat de politie was gekomen, dat er iets klikte dat ik rustig moest doen. Dat was laatst ook, toen moest ik een nacht in de cel doorbrengen om af te koelen na een aanvaring met een agent. We waren met een groep naar de sporthal, toen ik ruzie kreeg met een meisje dat me pestte en de politie erbij moest komen. Ik vind het heel moeilijk om tot tien te tellen.”

Heb je mensen mishandeld?

„Een keer moest iemand iets laten hechten, dat is het ergste wat ik iemand heb aangedaan. Als ik ontploft ben, is het eruit, dan is het weg. Dan ben ik rustig, tot de volgende keer. Twee jaar geleden is er aangifte tegen mij gedaan door meerdere mensen: de groepsleiding, iemand van school. Ik moest naar de kinderrechter en kreeg een werkstraf en een leerstraf voor meerdere enkelvoudige mishandelingen.”

Hielp dat?

„Ik moest veertien uur in een tuin werken, dat was leuk, met koffiedrinken en een koekje erbij. De leerstraf vond ik zwaar maar nuttig: je krijgt veel papieren om op te studeren en daarna ‘trainingen agressiecontrole’, bijeenkomsten van anderhalf uur. Dan bespreek je met een begeleider hoe je ‘sorry’ kunt zeggen en wat je er een volgende keer tegen kunt doen. Eerst kijk je naar jezelf, dan naar wat je hebt gedaan, dan check je je zelfbeeld en bedenk je hoe je je grenzen kunt aangeven. Ik heb allemaal coolingdown-trucs gekregen. Ademhalingsoefeningen, muziek luisteren, een time-out nemen. Weglopen uit de groep, ‘stop’ roepen.” Trots: „Ik heb er nu een certificaat van.”

Foto Katrijn van Giel

Maakten hulpverleners het verschil?

„Niet vaak. Zij vertrekken weer, of ik moest verkassen. Het beste moment uit mijn leven was op mijn twaalfde. Toen kwam ik erachter dat ik homoseksueel was. Heel veel mensen steunden mij, het maakte hun niet uit. De docenten van toen, papa en mama, de mensen op het internaat. Maar toen moest ik weer gaan wonen op een groep en kwam ik op school tussen pesters terecht. Ik ben van klas gewisseld en kreeg een hele goeie meester, daar kon ik alles tegen zeggen, echt heel fijn. Als hij zag dat het niet goed met me ging, nam hij me apart, gingen we praten met een kopje chocolademelk. Alleen: hij ging weer weg en toen kwam er een andere docent en die zei altijd: ‘Ach dat komt wel weer goed.’ Alsof er niets aan de hand was.”

Wat is voor jou belangrijk om gelukkig te worden?

„Om spullen geef ik niks, om mensen wel. Ik wil vriendschappen opbouwen, nu valt bij iedere verhuizing mijn netwerk uit elkaar en begin ik van voren af aan.

Lees ook: Jongere met lichte beperking belandt vaker in gevangenis

Voor de ouderen in het verzorgingshuis kan ik er zijn: een meneer in een rolstoel fleurde helemaal op toen ik een pak vla voor hem uit het hoogste schap kon pakken. Dat voelt zo goed. Volgend schooljaar wil ik ouderenzorg gaan doen, op mbo niveau 1. En later word ik taxichauffeur. Lijkt me heerlijk: contact met mensen en weg van huis. Ik rijd af en toe in papa’s auto en dat lukt best goed. En weet je? Ik heb laatst theorie-examen gedaan en had maar één fout te veel. De volgende keer haal ik ’m!”

Hendrien Kaal en Jan Dirk de Jong Kom me horen, elf levensverhalen van delinquente jongeren met een licht verstandelijke beperking. Uitgeverij Brave New Books, ISBN: 9789402184914