Opinie

Heel eventjes als Bette Davis of Humphrey Bogart zijn

Coen van Zwol „May the force be with you”, „I’m gonna make him an offer he can’t refuse”. Geinig, die lijstjes met populaire filmcitaten. Maar waarom zijn de oneliners zo aantrekkelijk?

Op internet verschijnen periodiek top-50’s of top-100’s van populaire filmcitaten. The Hollywood Reporter pakte het twee jaar geleden nog het meest gedegen aan. Het filmvakblad benaderde zijn abonneebestand met een enquête: Wat zijn uw favoriete filmquotes? Uitslag: 1: „Frankly, my dear, I don’t give a damn” (Gone with the Wind) 2: „Here’s looking at you, kid.” (Casablanca) 3: „You’re gonna need a bigger boat” (Jaws).

Geinig, zulke lijstjes. En ook om te weten dat de Amerikaanse regisseurs „I’m gonna make him an offer he can’t refuse” (The Godfather) op plaats één kiezen, studiobonzen „May the force be with you” (Star Wars) en producers „Shut up, just shut up. You had me at hello” (Jerry Maguire).

Uiteraard komen memorabele citaten vrijwel altijd uit Hollywood. Zoek je Franse of Duitse lijstjes, dan betreft dat meestal vertaalde Hollywoodquotes. In Nederland is er na „Houdt het dan nooit op?” en „Maar buurman, wat doet u nu?” weinig. Hoewel eigenlijk het belangrijkste Nederlandse filmcitaat „kut met peren” is, uit de komedie Schatjes! (1984). Want een filmquote wordt pas memorabel als hij eindeloos is herhaald.

Filmcitatenlijsten putten soms uit klassiekers van de jaren veertig en vijftig: dan betreft het nog vaak elegante bon mots van taalvirtuozen als Billy Wilder. „Fasten your seatbelts, it’s going to be a bumpy night” (All About Eve). Zulke welbespraaktheid werd in de jaren zestig verdacht, toen ‘echte’ spreektaal het nieuwe ideaal werd. De toekomst was aan de snedige oneliner of kreet die een film helpt verkopen.

De top-100 van The Hollywood Reporter wemelt van zulke bondige citaten, vooral uit de jaren zeventig tot negentig: een filmquote moeten even tijd krijgen om te rijpen. Ze komen nu vooral uit actiefilms, denk aan „Go ahead, make my day” of „I’ll be back”. Buiten hun filmcontext stellen ze vaak niks voor. „Bond, James Bond”, „I am your father”, „You talking to me?” of „My Precious”: ze beteken pas iets als je James Bond, Darth Vader, Travis Bickle of Gollem op het netvlies hebt.

Bij filmcitatenlijstjes stoor ik mij direct aan wat ontbreekt. Waarom wel „I think this is the beginning of a beautiful friendship” uit Casablanca, en niet „round up the usual suspects”? Waarom staat „I see dead people” er niet op, of „I am Spartacus”, of „Nobody fucks with the Jesus”? De vraag is eerder: waarom mis ik die quotes? Waarschijnlijk omdat ik ze zo vaak zelf heb gebruikt, al dan niet ironisch.

„Films geven ons zinnen om na te bouwen en rollen om na te spelen”, schreef auteur Connie Willis. Je identificeert je in het donker met een ster, met als doel hem of haar na te apen. Naast het origineel schiet je uiteraard altijd te kort, maar met een filmcitaat wanen we ons toch een fractie van een seconde Bette Davis of Humphrey Bogart. Ze bieden een universele taal voor een universele aspiratie: „I’ll have what she’s having.”

Coen van Zwol is filmrecensent.