Recensie

Recensie Muziek

‘Carmen’ in Essen: vol scherpe vondsten, maar geen voltreffer

Opera De Nederlandse regisseur Lotte de Beer ensceneerde voor de opera in Essen een geëmancipeerde ‘Carmen’. De voorstelling is intelligent en zit bomvol vondsten, net als de nieuwe productie aldaar van Webers ‘Der Freischütz’ – óók van een jonge regisseur.

Bettina Ranch (Carmen) en Luc Robert (Don José) in ‘Carmen’, geregisseerd door Lotte de Beer.
Bettina Ranch (Carmen) en Luc Robert (Don José) in ‘Carmen’, geregisseerd door Lotte de Beer. Foto Matthias Jung

Op 65 kilometer van de grens met Nederland ligt de Duitse staalstad Essen, door 36.000 bommen platgebombardeerd en nu een schoolvoorbeeld van sfeerloze wederopbouw. Het moderne Aalto Theater werd pas in 1988 geopend, kort na De Nationale Opera in Amsterdam. Maar waar DNO elke maand één opera brengt, is het Aalto, geleid door de Nederlandse intendant Hein Mulders, een repertoirehuis met alleen al in de eerste maand van 2019 zeven verschillende opera’s op het programma.

Voor Bizets Carmen tekent regisseur Lotte de Beer, die pas een niet helemaal gelukteIl Barbiere di Siviglia realiseerde voor DNO. Ook haar Carmen is, hoewel intelligent en vol scherpe vondsten, geen voltreffer. De muziek met zijn vele bekende aria’s, aanstekelijke massakoren en zwoele dansen is fantastisch en dirigent Sébastien Rouland doseert bij het uitstekende Essense orkest en koor de spanningsopbouw en zigeunerbravoure zo dat op de sleutelmomenten het kippenvel je over de rug kruipt. Maar theatraal? Wat moet je als regisseur met dat verhaaltje over de zigeunerin Carmencita die mannenharten breekt als beschuitjes en erbij zingt dat liefde nu eenmaal rebels is als een vogel?

De Beer zette zich aan close reading van het libretto, sneed alle kitsch van de plot en ontmaskerde de archetypes (m/v). Haar Carmen is, kort door de bocht, een emancipatoir pleidooi. Al tijdens het openingskoor blijkt een tableau van Spaanse dames bij nader inzien óók uit heren te bestaan: je hoeft rokken en halsdoeken maar af te pellen en er staat een groep arbeiders (m/v). Nog een meta-laag: twee snoezige kindertorero’s stelen de show tijdens de ouverture, waarna de hele voorstelling wordt gebracht alsof kinderen het spel (in wezen kinderlijk ‘plat’ immers) opvoeren – met dialogen die door de zangers worden geplaybackt terwijl op band Franse kinderstemmetjes de teksten declameren. Je snapt wat De Beer wil bereiken, maar haar idee blijft op het podium geen 2,5 uur fris, zoals ook van de vele freudiaanse pantomimes (Don José bezingt zijn aarzeling tussen lust en plicht terwijl elders een moeder met zoontje zwijgend zijn geweten verbeeldt) de spanning op een gegeven moment afslijt.

Sterk zijn De Beer en haar eveneens Nederlandse ontwerpersduo Clement en Sanou wel in beelden. Prachtig is de opkomst van de sigarettenmeisjes: zwoele silhouetten tegen de avondhemel. En alle massascènes zijn opvallend fraai, met roterende mensencirkels om de kale houten arena waar hier stieren én mensenharten sneuvelen. Maar goede ideeën volstaan uiteindelijk niet voor een Carmen van vlees en bloed, en voor echt meeleven is de regie te conceptueel en de cast te zwak, met uitzondering van Jessica Muirhead als karaktervolle Micaëla.

Typerend voor een repertoirehuis: diezelfde Jessica Muirhead was de avond tevoren ook een stralende Agathe (heerlijk helder in ‘Leise, leise fromme Weise’) in Webers romantische opera Der Freischütz, zo’n titel die je in Nederland zelden ziet omdat het stuk wel erg duister Duits is. De dialogen zijn het hoofdprobleem niet, de thematiek – een naïeve verheerlijking van woud en jacht verpakt in een faustisch sprookje over goed en kwaad – zijn dat na 1940-1945 wel.

Jagersknaap Max krijgt zijn Agathe alleen als hij een proefkogel raak schiet in ‘Der Freischütz’.

Foto Martin Kaufhold

Zoals Katharina Wagner in 2007 haar grootvaders Die Meistersinger von Nürnberg regisseerde als afrekening met ‘das Deutschtum’ en afgelopen seizoen ook Olivier Py bij de Brusselse Munt Wagners Lohengrin tackelde door alle groten van de Duitse cultuur weg te zetten op een gipszolder, zo ook schilt de Berlijnse regisseur Tatjana Gürbaca in deze Freischütz tot bloedens toe een appeltje met Webers onheilszwangere sprookjesmystiek.

Het verhaal is naar hedendaagse normen te erg voor woorden: brave jagersknaap Max krijgt zijn Agathe naar lokale traditie alleen als hij een proefkogel raak schiet. Max ruilt voor de zekerheid zijn ziel om voor toverkogels. De toverkogel raakt Agathe, maar die overleeft – gevolgd door een vrome en taaie lofzang op de Heer, deugdzaamheid en plichtsbetrachting.

Gürbaca haalt een ferme streep door de rustieke schuttersnaïviteit: in een duister decor schetst ze een parallel tussen jacht- en oorlogszucht, relativeert de noblesse van prins Ottokar (bariton Martijn Cornet) door hem een wildgebraad op schoot te zetten en laat de goegemeente pompend copuleren op Webers smakelijke boerendansen. Het is slim, het is invoelbaar compensatoir en het is soms vermoeiend (in de zaal werden beschaamde blikken gesignaleerd). Maar onder leiding van de uitstekende Essense dirigent Tomás Netopil verwarmt Webers muziek met zijn verrukkelijke melodieën en oorspronkelijke orkestratie onherroepelijk je hart, en neem je zelfs de masturberende spookbejaarde in lijkwade in de mystiek-griezelige ‘Wolfsschluchtszene’ graag voor lief.