Profiel

Kinderoogarts Tjeerd de Faber strijdt onvermoeibaar tegen vuurwerk

Anti-vuurwerkactivist Oogarts Tjeerd de Faber pleit onvermoeibaar voor een vuurwerkverbod. „Soms is hij te fanatiek.” Maar uitgescholden wordt hij nooit.

Tjeerd de Faber begon in 2002 het aantal vuurwerkslachtoffers in zijn eigen oogziekenhuis bij te houden.
Tjeerd de Faber begon in 2002 het aantal vuurwerkslachtoffers in zijn eigen oogziekenhuis bij te houden. Foto Freek van den Bergh/ANP

Tjeerd de Faber heeft haast. Hij is net meer dan een uur op het Rotterdamse Vakcollege Hef geweest. Voor leerlingen heeft hij een quiz over veilig vuurwerk afsteken gepresenteerd. Daarna heeft hij met wethouder Judith Bokhove (jeugd, GroenLinks) vuurwerkbrillen uitgedeeld. Geduldig heeft hij – witte jas, serieuze blik – journalisten te woord gestaan. Maar nu is hij ongeduldig. „Ik moet naar mijn fiets”, zegt hij tegen niemand in het bijzonder. „Anders kom ik te laat voor mijn spreekuur.”

Je zou dit het hoogseizoen kunnen noemen voor Tjeerd de Faber (63), kinderoogarts in het Rotterdamse Oogziekenhuis. De afgelopen jaren ontwikkelde hij zich tot het gezicht van de anti-vuurwerkbeweging in Nederland. Hij stond aan de basis van het Landelijk Vuurwerkmanifest, waarin steeds meer organisaties en particulieren zich sinds 2014 uitspreken voor een verbod op consumentenvuurwerk.

In 2002 begon hij het aantal slachtoffers in zijn eigen ziekenhuis bij te houden. Als voorzitter van het Nederlands Oogheelkundig Genootschap regelde hij dat dit vanaf 2008 landelijk gebeurde. En dat er elke Nieuwjaarsdag persberichten kwamen, met het aantal ogen dat tijdelijk of blijvend letsel opliep.

Het is, benadrukken collega’s en medestanders, cruciaal geweest in de discussie. „Dat je met feiten en cijfers komt, is zo belangrijk”, zegt Jan Keunen, oogarts en medevoortrekker in het Vuurwerkmanifest.

Volg je De Faber een tijdje, dan hoor je hem voortdurend dezelfde zinnen zeggen. Hij heeft het over de „levensgevaarlijke cocktail van testosteron, adrenaline, alcohol en buskruit”. En: „Vuurwerk is prachtig om te zien, maar laat het niet het laatste zijn dat je ziet.” Op de Rotterdamse school zegt hij het vijf keer.

Oud-directeur van het oogziekenhuis Kees Sol herkent in De Faber de middenstander die zijn ouders ook waren. „Professionals hebben de neiging te denken dat hun product zichzelf verkoopt. Tjeerd beseft dat je de boer op moet.” Internationaal is hij een gerenommeerd oogarts, op congressen vragen vakgenoten hem naar de Nederlandse aanpak. Maar hij voelt zich, zegt Sol, niet te goed voor „het vuile werk”. Naar basisscholen. Discussiëren. Langs bij politieke partijen.

Gestrekt been

Samenwerken met de vuurwerkbranche doet hij niet meer. „Die pleitte alleen voor vuurwerkbrillen, uit eigenbelang. Ik heb te veel slachtoffers gezien die wél een bril op hadden.” Bovendien, zegt hij, is circa de helft van de slachtoffers omstander. „Moeten 17 miljoen mensen dan maar dagenlang een bril op, vanwege dat ene lolletje?”

Zijn aanpak kan confronterend zijn. Bij een hoorzitting in de Tweede Kamer in 2012 stoorde het hem dat de Kamerleden het A4’tje met foto’s van bloederige ogen direct omgedraaid op hun tafel legden. „Dat is wat u als politici dus juist niet moet doen: wegkijken”, zei hij. Bij een hoorzitting in 2015 bedrukte hij de blaadjes aan beide kanten.

„Soms is hij te fanatiek”, zegt collega Jan Keunen. „Het is een gepolariseerde discussie en dan helpt een gestrekt been niet. Laatst hoorde ik hem op de radio weer zeggen: gedogen kost ogen. Dan denk ik: rustig aan Tjeerd, minder mag ook.”

Toen Keunen en De Faber afgelopen april een opiniestuk in Trouw wilden publiceren, werden ze teruggefloten door de andere leden van de kerngroep vuurwerkmanifest, Maaike van Zuilen en Marjolijn Snouck Hurgronje. Keunen: „Ons eerste concept was behoorlijk fel, met opgeblazen ogen en verminkte handen erin. Dat draagt niet bij aan de toon van het debat, vond de rest. En daar hadden ze natuurlijk gelijk in.”

De Faber wordt nooit uitgescholden, ook niet via sociale media – daar zit hij niet op. Alleen het ziekenhuis waar hij werkt ontvangt wel eens haatmail. De ergste: een verzoek of men „die Faber” niet kon ontslaan. De Faber moet onbedaarlijk lachen. „Ik heb die man gegoogeld. Hij bleek tuinmeubilair te verkopen, maar ook vuurwerk. Ik snap best dat hij in de winter ook iets te doen wil hebben.”

Hij wil heus begrip hebben voor gevoelens van traditie en nostalgie, „maar ik nodig iedereen uit hier een nachtje mee te lopen”. Mensen moeten, vindt hij, ook tegen zichzelf in bescherming worden genomen. Hij vertelt over de man die zichzelf aan één oog blind had geschoten maar snel terug naar huis wilde om de rest van zijn vuurwerk af te steken.

Nee, het gaat hem niet snel genoeg, dat geeft hij meteen toe. Het gaat hem nóóit snel genoeg. „Ik heb genoeg ellende gezien.” Zijn oudste zoon, geboren met een ernstige handicap aan zijn handen, werd in zijn eerste levensjaar drie keer geopereerd. Een dochter stierf na vijf maanden aan wiegendood. „En dan zie je jaarlijks zoveel ellende die wél te voorkomen is.” Misschien, denkt hij nu, dreef dat hem wel in de richting van de kindergeneeskunde. „Je snapt ouders, hopeloos bezorgd, zó goed. En je kan helpen.”

(Oud-)patiënten zijn vaak fans. Praat hij met zijn patiënten, dan zakt hij meteen door zijn knieën. Hij loopt fluitend door het ziekenhuis. Een bezoek aan de poli moet voor kinderen „ook een uitje zijn”.

Aron van der Linden (32) zei direct ‘ja’ toen De Faber hem vroeg te helpen in de anti-vuurwerkcampagne. Als twaalfjarige kreeg hij, terwijl hij op straat liep, een babypijltje in zijn oog. Hij is zeven keer geopereerd en komt sinds 2005 bij De Faber. „Heel kalm, blijft hij, altijd. Goh, dat is een aardige klap geweest hè, zegt hij dan.” De Faber kwam hem onlangs voorafgaand aan een operatie begroeten. „Toen gaf ik hem van onder het zeil nog even een zijwaartse handdruk en kneep hij er even in.”

Niet moedeloos

Verbeten wordt De Faber niet. Voor een man met een missie – „een mission possible”, zegt hij zelf – haalt hij zelfs opvallend vaak zijn schouders op. Goed, toen het kabinet besliste het advies van de Onderzoeksraad voor Veiligheid om knalvuurwerk en vuurpijlen te verbieden niet over te nemen, kwam er misschien wel een „goddomme” uit. Maar moedeloos? Hij kijkt er haast vrolijk bij. „Nee hoor. Kijk nou hoezeer de discussie al veranderd is. Voor mijn pensioen is dat verbod er, hoor.”