Gesmolten

Mensen zitten op een bankje en kijken voor zich uit. gaat naast ze zitten en vraagt wat ze bezighoudt.

Roland Blokhuizen

Na de lunchpauze wisselen de bankjes in het centrum van Den Haag van bezetter. Ambtenaren staan hun plaats af aan jongeren, ouderen, werklozen. Behalve op dat ene bankje uitkijkend over de vijver nabij het Malieveld. Daar zit, geflankeerd door zijn dossiertas, een man van middelbare leeftijd in donkerblauw overhemd, twee pennen in de borstzak. Een fladderend eendje scheert voor zijn ogen over het wateroppervlak.

Willem, heet de man. Zijn gedachten gaan uit naar de e-mail die hij wil schrijven aan zijn schoonzus. Een gevoelig epistel. Hij wil bemiddelen tussen zijn vrouw en haar zus, de schoonzus. Het botert al een tijdje niet tussen hen. Wat moet erin, hoe zal hij beginnen?

Wat hij al wel weet: de e-mail zal hij versturen vanaf zijn werkadres, „ik denk niet dat mijn vrouw het waardeert”. En hij zal ’m kort houden. Hoe korter hoe beter. Als ambtenaar raakt hij regelmatig overspoeld door ellenlange berichten. Hij geeft zijn visitekaartje maar wil niet met hele naam in de krant.

Over de aanhef geen twijfels. Voornaam. En dat hij al een tijdje niets van zijn schoonzus heeft gehoord. Maar Willem werkt op een van de ministeries en weet, als onderzoeker, dat er altijd twee kanten zitten aan een verhaal. Hijzelf kent alleen de kant van zijn vrouw. „Ook dat zet ik erin.” En dan kort uitweiden over de verslechterde thuissituatie van hun ouders, de schoonouders, bron van alle conflict.

Vorig jaar juli ging alles nog goed. Was Willem met de schoonouders en hun geestelijk gehandicapte zoon zelfs nog op vakantie geweest in Duitsland. De 34-jarige zoon heeft het verstand van een kleuter. Hij raakte, zegt Willem, op jonge leeftijd geestelijk gehandicapt toen hij met hoge koorts werd gevaccineerd voor de mazelenprik – toen deden ze dat nog, boven de 38,5 graad. Eerlijk gezegd werd Willem op vakantie soms wel gek van de jongen. Hij hoorde hem cóntinu hetzelfde zeggen. „Echt woar? Echt woar?” Ze wonen in Noord-Brabant. Maar de schoonouders, zeventigers, hebben altijd geduldig antwoord gegeven. „Óngelooflijk.”

De schoonouders hielpen de zoon thuis met douchen, wc-bezoek. Agressief was hij nooit. Maar opeens veranderde zijn gedrag. Hij werd onaangepast, trok dingen van de muur. De schoonzus weet de gedragsverandering aan de plots geopenbaarde dementie van haar moeder, Willems schoonmoeder. Ineens had schoonvader twéé mensen om voor te zorgen. De zoon was er vast gestresst door geraakt, dacht de schoonzus. „Waarom brengen jullie hem niet naar een tehuis”, had ze gezegd. Maar daar was haar zus, Willems vrouw, het niet mee eens. Naar welk tehuis dan? Er ís in de buurt geen tehuis. Het leidde tot ruzie en sindsdien heeft de schoonzus haar familie niet meer gezien.

Maar nu hoorde Willem de dokters zeggen dat de gedragsverandering van de zoon alleen maar komt door de nieuwe medicijnen, niet door de spanningen thuis vanwege zijn demente moeder. Dus dat is opgelost. En intussen kan schoonvader thuis alle hulp goed gebruiken, van alle zussen. Hij redt het niet meer alleen. Dit weekend had de schoonmoeder de waterkoker op de kookplaat gezet. Gesmolten.

Ook dat zal Willem in de e-mail schrijven. Dat de schoonzus snel moet zijn. Straks wordt ze niet meer herkend.