Opinie

Handdruk

In 010

Vrijdagmiddag in Museum Rotterdam. Twee oud-rivalen op leeftijd zitten in stoelen een meter van elkaar. Ze kijken recht voor zich uit. Hoe is het nu tussen Hans Visser en Bram Peper? „Ach”, zegt Visser, „het is wel weer redelijk goed gekomen.” Ik ga een stoeltje verder en vraag hetzelfde aan Peper. Die antwoordt: „Ik denk dat ik dominee Visser sinds 1994 niet meer heb gesproken. Destijds communiceerden we via een woordvoerder, omdat de indruk bestond dat we elkaar klootzakken vonden.”

1994 was het jaar waarin een langdurig conflict tussen de Pauluskerk en het stadhuis tot een explosie kwam. Burgemeester Peper besloot Perron Nul , de openlucht-drugsopvang van Visser naast CS, op te doeken. „Het was een eenzaam besluit”, blikt Peper terug in het museum, waar op dat ogenblik een niet al te boeiende expositie over Perron Nul wordt geopend.

Ik herinner Peper aan een uitspraak van hem uit die tijd: Visser heeft in de PvdA meer te vertellen dan ik. „Oh ja”, reageert hij meteen, „Visser was heel populair in de raad, vooral bij links. Na mijn beslissing wilden velen, ook uit mijn eigen partij, mij het liefst afzetten.”

Visser houdt een toespraak. „Er zaten heel aardige, gezellige mensen op Perron Nul, maar ook uitgesproken klieren”, zegt hij. En: „We hebben geprobeerd het tot een mooi project te maken. Er waren leerzame gesprekken. Met wethouder Henderson deden we goede zaken, het ging buiten Peper om. We zullen elkaar nooit geheel begrijpen.”

„Ha!”, roept Peper. En na de speech: „Kijk, dat Perron Nul werd een steeds groter probleem voor de openbare veiligheid. Er was aanzuigende werking, er kwamen steeds meer klachten, en mariniers dreigden de boel schoon te vegen. Als er een moord was gepleegd, zouden alle vingers naar mij wijzen. Ik had met mijn besluit grote steun onder de bevolking.”

Je zou het een Leefbaar-actie avant la lettre kunnen noemen, bedenk ik mij. Anno 2018 zou zo’n Perron Nul in elk geval niet meer kunnen, dat lijkt het enige waarover Peper en Visser het deze middag eens zijn. Is er wrok, vraag ik de oud-burgemeester. „Nee, hoor”, zegt hij. Even daarvoor hadden Visser en hij handen geschud. Voor het eerst in een kwart eeuw.