Opinie

2018: een optimistisch land en een zwakke politiek

Deze week: pandemonium in de VVD, oppositie binnen de coalitie, Pechtolds zéér vroege vertrekbesluit, de woede van Kaag, een ontluikend verlangen naar regeren zonder Rutte.

Ofwel: de politiek van 2018.

Drie kwartalen achter elkaar – in maart, juni en september – rapporteerde het Sociaal en Cultureel Planbureau dit jaar dat het optimisme in Nederland sinds 2008 niet zo groot is geweest.

In Den Haag hing niemand slingers op.

Den Haag wilde een andere werkelijkheid. Het verrassende was niet dat de oppositie ontevreden was. Bij de oppositie staat probleemverlangen in de cao.

Het verrassende was dat ook de coalitie, als verbond, amper behoefte had dit goede nieuws in gezamenlijkheid te pluggen. In de formatie hadden ze SCP-directeur Kim Putters een keer of drie langs laten komen, maar voor zijn nieuwste feiten hadden ze niet zo’n belangstelling.

De coalitiefracties waren zozeer begaan met hun eigen profiel, hun eigen problemen, dat ze even wat anders aan hun hoofd hadden.

Dus kregen we het hele jaar een veelheid van plannetjes van individuele coalitiefracties die ‘proefballonnen’ heetten te zijn.

Alleen: het wáren niet eens proefballonnen.

In zijn oorspronkelijke betekenis is de proefballon een manier om te testen hoe een plan in politiek en maatschappij valt. Maar dat oogmerk hadden die ideetjes van individuele coalitiefracties zelden.

Zij, en dan vooral de VVD, zochten spektakel en, meer nog, weerzin van de andere partijen. Een truc uit de reclame: het eigen merk versterken op basis van de diepe afkeer die je plannetjes oproepen. Spektakelleegte.

Zo werd het een eigenaardig politiek jaar. Een jaar van een sterke samenleving en een zwakke politiek. Een jaar van normale oppositie en een richtingloze coalitie.

Een jaar van probleemverlangen, spektakelleegte en optimismeangst: een goedgemutst land dat de eigen gemoedstoestand zelden of nooit terugvond in Den Haag.

Het was niet alles. Omdat we voor het eerst sinds de jaren zeventig een kabinet van meer dan drie partijen hebben, zag je in het eerste jaar van Rutte III ook oppositie binnen de coalitie.

Luister ook naar de eindejaarsaflevering van onze podcast: Haagse Zaken: De grote terugblikshow 2018

Vooral rond de afschaffing van de dividendbelasting – en het illustreerde in wat voor ongemakkelijke omgeving premier Rutte nu werkt.

Vanaf vorig najaar, toen Asscher (PvdA) en Klaver (GroenLinks) hun verzet tegen de dividendmaatregel agendeerden in het debat over de regeringsverklaring, kreeg je uit de coalitie te horen dat het om een exclusief Rutte-plan ging.

Alleen omdat hij het per se wilde, en in de formatie zei dat hij anders geen premier werd, was het voorstel er gekomen.

In de debatten bleek vooral Asscher frappant goed op de hoogte van de gevoeligheden. Ook was het kort na de formatie al een publiek geheim dat CU, D66 en het CDA (minus partijleider Buma) niets in deze tegemoetkoming aan buitenlandse aandeelhouders zagen.

Zodoende schreef ik vorig jaar december al in deze rubriek dat ze in de naaste omgeving van Rutte wisten: dit gaat sneuvelen.

En het fascinerende was: terwijl de premier daarna tot in oktober van dit jaar publiekelijk volhield dat de maatregel intact bleef, genoten sommige coalitiepartners stilletjes van de manier waarop de premier, hun electorale concurrent, zijn hoofd in de strop stak.

In het CDA kwam voor de zomer een groepje bijeen – onder anderen een lid van het kabinet, een Tweede Kamerlid, een senator – dat zich toen al boog over de vraag: wat doen we met het geld als de dividendmaatregel is geschrapt? De beste documentatie tegen de maatregel was beschikbaar bij de CU. En in de nazomer, kort voor zijn vertrek, stelde Pechtold binnenskamers nog driemaal vergeefs voor de maatregel te schrappen.

Vooral inzichtelijk waren de reacties binnenskamers toen Rutte in oktober, na dat sms’je van de Unilever-baas, zijn verlies dan toch moest nemen. Sommigen in de coalitie verkneukelden zich bij het vooruitzicht van een premier die zijn afgang niet meer kon ontlopen.

Maar er gebeurde iets anders. De premier deed een van de grootste nederlagen in zijn carrière losjes af als „een krasje”. Toevallig in de hondenpoep getrapt. En verbijsterd – of was het jaloers? – zagen CDA’ers en D66’ers vervolgens dat hij doorging alsof er niets gebeurd was.

Toch had 2018 voor Rutte veel van een rampjaar. Hij verloor al vroeg Halbe Zijlstra – dossiervreter, vertrouweling en probleemoplosser in partij en coalitie. Daarna verloor hij ’s zomers bijna Stef Blok, omdat zijn opvatting over een samenleving met verschillende culturen in de jaren vijftig bleek te zijn blijven steken – tot woede van collega Sigrid Kaag.

Maar het spannendste moment volgde toen Han ten Broeke, de meest ervaren VVD-parlementariër, in de nazomer moest vertrekken wegens een eerdere relatie met een fractiemedewerkster.

Die dag brak in de binnenkamers van de VVD een kort maar hevig pandemonium uit.

Vooral de interne woede over de rol van Klaas Dijkhoff viel op: voor het eerst werd zéér duidelijk dat lang niet iedereen in hem een opvolger ziet. Later in het jaar kreeg je trouwens de indruk dat hij daar ook zelf aan twijfelt.

Zo werd Rutte, na acht jaar premierschap, op dubbelzinnige wijze herinnerd aan zijn onmisbaarheid. Individuele coalitiepolitici hadden weinig bezwaren als hun electorale concurrent schade opliep. Maar de coalitie, en de VVD, zouden zonder hem meteen onderuitgaan.

En waar ervaren leiders vaak worden verteerd door wantrouwen, wekt Rutte zelden de indruk dat de verdorvenheid van de politiek hem onder de huid gaat zitten. Zoals iemand uit zijn omgeving zei: hij sms’t gewoon door.

In het najaar kreeg hij last van Brusselse en binnenlandse speculaties over een eventueel vertrek naar een Europese topfunctie, volgend jaar. Insiders zagen de herhaling van een stramien.

Want opnieuw hadden CDA’ers en D66’ers er oren naar die speculaties te voeden. Redenering: als een premier maar lang genoeg in verband wordt gebracht met een transfer naar Brussel, went de kiezer aan het idee van zijn vertrek uit Den Haag.

Rutte zag het gevaar, en om het verhaal uit de wereld te helpen reageerde hij met ongebruikelijk harde ontkenningen. Signaal: geen illusies, mensen – ik ben nog lang niet weg.

Maar niet alleen de coalitie wist het nationale optimisme te verzuren – ook de banken, en dan vooral ING, waren op dit gebied tamelijk effectief. Eerst de controverse rond de beloning van de bestuursvoorzitter, daarna de terloopse wijze waarop de bank een megaschikking inzake witwassen uit de wereld wilde helpen.

Het legde een omslag bloot waar we nog veel van zullen horen: de relatie van de politiek met het grootbedrijf is opmerkelijk slecht geworden.

Een verschuiving die past bij het sluimerende antiliberale sentiment in de wereld. De weerzin tegen globalisering, vrijhandel en EU zijn bedreigingen voor de hele politieke orde, zeker ook voor de partij die nationaal al acht jaar de grootste is – de VVD.

En het zegt iets dat in de meeste Kamerfracties van enige omvang een verlangen naar een regering zonder de VVD ontluikt. Achter de rug van de VVD-top zijn de persoonlijke relaties tussen linkse en rechtse leiders in jaren niet zo goed geweest.

De andere liberale partij, D66, beleefde een lang gehoopte leiderschapswissel. De Democraten lieten Pechtold waardig vertrekken, maar de werkelijkheid is: zijn tijd zat er al even op. De inspiratie was weg.

Al de dag na de gemeenteraadsverkiezingen, 22 maart, hoorden intimi dat hij definitief ging stoppen. Ze zagen het aankomen. Sommigen aarzelden al tijdens de moeizame formatie een jaar eerder: hier nam een man beslissingen over de toekomst van een partij die hij mentaal al vaarwel leek te hebben gezegd.

Binnen D66 is nu behoefte aan andere accenten. Minder effectbejag, meer inhoud. Een bekende maar kwetsbare D66-wens, nu een oude partijwijsheid ook weer de kop opsteekt: regeren is halveren.

Evengoed drukt de partij haar stempel op Den Haag met het klimaatthema. Pechtolds succes in die formatie was dat hij Rutte en Buma bond aan progressieve klimaatpolitiek. Steun aan een linkse Klimaatwet waarin normen tot 2050 vastliggen. Steun aan een Klimaatakkoord met beleid tot 2030.

Maar in VVD en CDA bleef de aarzeling over die keuzes tot in de laatste vergadernacht van het jaar terugkeren.

De VVD zette in op optimisme, met Rutte, Eric Wiebes (Economische Zaken en Klimaat) en oud-partijleider en opperonderhandelaar Ed Nijpels als gezichten. Buma viel terug naar de behoudende flank, en katalyseerde zo ook aarzeling in de VVD-fractie en bij partijprominenten als Hans Wiegel.

Onheilspellende voortekenen, want kenners weten: één maal eerder viel een kabinet over klimaatbeleid, Lubbers II in 1989, met Nijpels als klimaatminister. De breuk tussen optimisme en behoudzucht binnen de VVD leidde toen tot een electoraal fiasco.

Er komt bij dat dit jaar twijfel ontstond over de voornaamste kwaliteit van Rutte: zijn vermogen onmogelijke coalities te smeden.

In het oog sprong het mislukte pensioenoverleg. Het kabinet haalde alles uit de kast, maar de vakbonden, vooral de FNV, waren beducht dat hun achterban een deal niet kon dragen.

Vakbondsvoorman Busker stelde daarom als voorwaarde dat de linkse partijen een eventueel pensioenakkoord steunden. Dit leidde tot dubbelonderhandelingen, waarbij Klaver en Asscher konden spelen met Ruttes reputatie als de grote nationale fikser.

Hun keuze kon amper verrassen: Rutte legde eenmalig 8 miljard euro op tafel voor een beter houdbaar stelsel, Klaver en Asscher schudden nee, en Busker zei nee.

Binnen zijn eigen coalitie, bij de oppositie, in de polder: overal zag Rutte zich nu omsingeld door (mogelijke) partners die het niet erg vonden wanneer zijn reputatie als dealmaker een paar deuken opliep. Bij voorkeur beslissende deuken.

De oppositie had zeker geen slecht jaar. Op links benutte Klaver zijn debatvaardigheden en mediagenieke kwaliteiten optimaal. Net als de VVD-fractie is GroenLinks niet bang voor de korte publicitaire klap, al is de vraag of al die snelle stuntjes veel bijdragen aan Klavers grote doel: bij de volgende Kamerverkiezingen de onvermijdelijke kandidaat-premier van links zijn.

Zijn concurrent, Asscher, blijft publicitair ver bij Klaver achter, maar is GroenLinks in enkele peilingen dicht genaderd. De vraag is of hij, met een tactiek van een langere adem, Klaver niet alsnog als het gezicht van links voorbij kan streven. De geloofwaardigheid van een premierskandidaat heeft doorgaans meer baat bij sereniteit dan bij springerigheid.

Rechts van de VVD heb je een vergelijkbaar tweegevecht tussen Wilders en Baudet. Rond de lokale verkiezingen bleek opnieuw dat de PVV als partij een farce is, toen anonieme PVV-Kamerleden in De Telegraaf klaagden over „debielen” die PVV-kandidaat voor de gemeenteraad waren.

En Baudet dreigt met zijn partij dezelfde fout te maken. Ook hij wil méér directe democratie – voor de kiezer, maar niet voor zijn leden.

Wel is Baudet publicitair handiger. Hij is beter benaderbaar en durft op televisie te debatteren met tegenstanders. Toch is Wilders hem in grote Kamerdebatten, ook bij het overreden van partijen, met gemak de baas.

Zo was het Wilders die, nog voor het pensioendebacle, een schok in de coalitie veroorzaakte toen hij steun van Asscher kreeg voor een motie van wantrouwen tegen Rutte inzake de dividendmaatregel.

Meteen was duidelijk wat Asscher hier beoogde: hij zal Rutte III volgend jaar na de Statenverkiezingen niet aan een meerderheid in de Eerste Kamer helpen.

Dus Baudet mocht tevreden zijn over de duizenden likes van zijn ego-videootjes over Kamerdebatten op sociale media, maar het was Wilders die het voor Rutte gevaarlijkste politieke feit van het jaar initieerde: de premier hoeft in 2019 niet op de PvdA te rekenen.

Het gevolg is dat volgend jaar vermoedelijk alleen Klaver de coalitie aan een meerderheid in de senaat kan helpen. Klaver suggereert voortdurend dat hij dit wil. Maar de werkelijkheid is: na de ervaringen met hem in de formatie van 2017 gelooft bijna niemand in de coalitie dat de GroenLinks-leider dit meent.

Zo eindigt 2018, voor Nederlanders het meest optimistische jaar sinds de kredietcrisis, met het vooruitzicht dat het politieke gezicht van dit optimisme, Rutte, het volgend jaar met nog minder manoeuvreerruimte moet zien te stellen.

Anders gezegd: de spektakelleegte, het probleemverlangen en de optimismeangst zullen, zoals het er nu naar uitziet, ook de politiek van 2019 beheersen.

Vanuit het eigenbelang van betrokken partijen kun je dit verdedigen. Er is vermoeidheid over de VVD, er zijn genoeg legitieme meningsverschillen, en in dit politieke klimaat zijn meningsverschillen geen problemen maar oplossingen: de beste manier om de afstand tot andere partijen bij de kiezer in beeld te brengen.

En ik zal niet zeggen dat er een rechtstreeks verband is, maar toch: in het vierde kwartaalbericht van het SCP, dat vrijdag verscheen, was het optimisme in het land weer wat afgevlakt.

Maar als je terugkeek was het wel bevreemdend hoe weinig politici in 2018 gebruikmaakten van het goede gevoel dat bijna het hele jaar de overhand had.

Het land was er blijkbaar voor de politiek – niet andersom.

Luister ook naar deze aflevering van onze podcastserie Haagse Zaken: De grote terugblikshow 2018
U kunt zich ook abonneren via iTunes, Stitcher, Spotify of RSS.