Opinie

Wee de politicus die de goelag willens en wetens misbruikt

Het totalitaire stalinisme aanroepen is van god los, vindt Hubert Smeets . Dus moet je Amsterdam niet als ‘Stalingrad aan de Amstel’ kwalificeren.

Kerkhof met slachtoffers van de Stalinterreur in omgeving Petersburg (Leningrad).
Kerkhof met slachtoffers van de Stalinterreur in omgeving Petersburg (Leningrad). Foto Anatoly Maltsev

Het is vloeken in de kerk. Maar toch. Want meer belangstelling voor geschiedenis leidt heus niet automatisch tot meer historisch bewustzijn.

Een grote krant kwalificeerde Amsterdam eerder dit jaar als ‘Stalingrad aan de Amstel’. De fractievoorzitter van een kleine partij in dezelfde stad repte later in een betoog over bootjes en haringstallen van ‘totalitaire bestuur’ in de ‘GroenLinks Goelag aan de Amstel’.

Parallellen tussen toen en nu zijn aantrekkelijk, omdat we het heden alleen kunnen begrijpen in relatie tot het verleden. Ook ik heb me er schuldig aan gemaakt. Zo heb ik in 1988 de ogenschijnlijke almacht van de hoofdstedelijke PvdA, die toen de gewestelijke ledenvergadering belangrijker vond dan de gemeenteraad, in deze krant getypeerd als ‘Brezjnev aan de Amstel’. De metafoor klonk lekker en kreeg zelfs effect toen die door anderen werd opgepikt. Maar de analogie sloeg de plank wel mis.

Het totalitaire stalinisme aanroepen, is helemaal van God los. Het getuigt niet alleen van minachting voor de half miljoen Sovjetsoldaten die in 1942/1943 bij Stalingrad sneuvelden en de meer dan tien miljoen Sovjetburgers die van 1923 tot 1953 crepeerden in de goelag. Het is eveneens een miskenning van het wezen van partijleider Stalin en geheime politiechef Beria. Tot hun liezen stonden ze in het bloed, maar een politicus in Amsterdam reduceert die ervaring tot toeristische attractie.

Zelfs de radicaalste vorm van politiek geweld wordt zo in het historisch bewustzijn van een hoofdstedelijke volksvertegenwoordiger een alledaags kwestietje. Neonazi’s komen met een Holocaustontkenning niet weg, een krant en politica met provinciaalse demagogie rond de goelag wel. Op zich verklaarbaar. Kolyma is verder weg dan Mauthausen. Omgekeerd zijn de invasie in Normandië en het Ardennenoffensief voor Russen minder relevant dan de blokkade van Leningrad (1941-1944) of de slag om Koersk (1943).

Daarmee zou de zaak kunnen worden afgedaan. Ware het niet dat de historische metafoor ook buiten Amsterdam de dagelijkse machtsuitoefening allengs meer overneemt en het politieke debat over de toekomst gijzelt.

President Poetin, die zijn staatsideologie heeft gebouwd op een verheerlijking van het verleden, heeft daar niet meer als enige patent op. Zie de Brexit. De overeenkomsten tussen Engeland en Rusland zijn frappant. Zoals het Kremlin snakt naar een reïncarnatie van het Weense Congres (1815) of de Jalta Conferentie (1945) – volgens Poetin hoogtepunten in de diplomatieke geschiedenis van Rusland – zo appelleren Brexiteers aan een nieuw soort Empire. Wat de Donbass voor Moskou is, is Ulster voor Londen: een post-imperiale herinnering aan vervlogen tijden.

Geschiedenis en geschiedschrijving zijn zo opnieuw ‘hedendaagse politiek geprojecteerd op het verleden’ aan het worden, zoals de bolsjewiek en filosoof Michail Pokrovsky (1886-1932) een eeuw geleden al wist. Over zijn vaderland, waar vooral de stalinisten dagwerk hadden aan het herschrijven en bestraffen van de verliezers, werd in zijn voetspoor cynisch gegrapt dat de Sovjet-Unie een ‘land met een onvoorspelbaar verleden’ was.

Dat lijkt een leuk geintje, maar is het niet. De goelag vulde zich namelijk niet met bezwaarschriften van een haringstal, maar met miljoenen dwangarbeiders.

Wee de politici die alles willens en wetens op één hoop gooien. Ze doen alsof ze waarschuwen voor een herhaling van het verleden, ze banaliseren juist het geweld van de toekomst.

Oost-Europa-expert Hubert Smeets werkt bij het kenniscentrum Raam op Rusland. Hij schrijft om de week met redacteur geopolitiek Michel Kerres over de kantelende wereldorde.