Recensie

Kinetische kunst: tussen kermis en avant-garde

Beeldende kunst Kinetische kunst blijkt ideaal lesvoer over ideeën die niet langer de onze zijn, blijkt op een tentoonstelling in de Kunsthal.

Carlos Cruz-Diez’ ‘Chromosaturation’ (1965): drie kamers waarin elke wand en plafond en vloer groen, rood of blauw beschenen wordt.
Carlos Cruz-Diez’ ‘Chromosaturation’ (1965): drie kamers waarin elke wand en plafond en vloer groen, rood of blauw beschenen wordt. Foto Atelier Cruz-Diez

Kinetische kunst, de vaak stralende kunst die in de jaren zestig opvlamde, heeft verschillende voorouders. Het stamt onder meer af van avant-gardes uit het Interbellum, bewegingen die in tijdreizen geloofden en die stilstand verfoeiden. Denk aan futuristische schilderijen vol machinale ritmes of aan de hoekige schuine lijnen van het constructivisme, uitmondend in abstracte films met roterend staal als van Moholy-Nagy. Deze experimentele kunststromingen tezamen baanden de weg voor de kinetische kunst. En een andere voorouder is, wel, de kermis.

Dit gemengde DNA herken je in de tentoonstelling over pakweg honderd jaar kinetische kunst in de Kunsthal. Kinetische kunst is kort samengevat kunst die beweegt, vaak letterlijk, soms enkel optisch, in het oog van de beschouwer. Duchamp, Moholy-Nagy, futurist Balla en andere voorlopers zijn er vertegenwoordigd. De optische kant is te zien in een gang die gewijd is aan op-art, ook kind van de sixties. Het zijn schilderijen met geraffineerde zwart-wit contrasten (Bridget Riley), collages van gedraaid plastic (Walter Leblanc), stapelingen van stukken geborsteld staal (Getulio Alvani). Ze weerkaatsen je blik dusdanig dat je een paar keer moet knipperen om te snappen waar je nu precies naar kijkt. Natuurlijk ligt het gevaar van de gimmick op de loer. Het ronde schilderij Light Pulse van Peter Sedgley uit 1968 wordt met zulke rap wisselende lichten beschenen dat je er niet naar kunt kijken. Je kunt je zeer afvragen wat dat dan nog voor zin heeft.

Alexander Calder, Untitled, 1963 Foto Sandra Pointet

Niet aanraken

Tussen de driedimensionale wandwerken hangen pictogrammen met ‘niet aanraken’, omdat ze eruit zien alsof je er een zwieper aan moet geven – daar is het kermisbloed. Andere keren staan er juist rode knoppen om wél op te drukken, opdat bijvoorbeeld het rode geruite grid oplicht in de zwarte kamer van François Morellet uit 1972. En wanneer ook de bekende spijkerassemblages van Günther Uecker blijken te roteren (Kosmische Vision, 1961-81), vraag je je af waarom niet alle kunst beweegt, het knapt er zo van op.

Beweging maakt Ueckers werk meditatief, andere kunst wordt er magisch of spannend door. De tentoonstelling bevat hoekjes met ratelende dozen en draaiende lichten. Dat past bij de jaren zestig, decennium van welvaart en ruimtereizen. Maar, terwijl wij voorthollen de 21e eeuw in, raakt dat tijdperk verder achter ons en hebben we meer afstand om het te beoordelen. Dan begint te dagen hoe sterk deze tentoonstelling – ondanks ook recente objecten – verbonden is met de 20e eeuw. Met hun hang naar technologie laten deze dynamische abstracties zien hoe ze het westerse vooruitgangsverlangen van toen uitdragen. Het is een kunst van vóór de val van de muur, vóór de klimaatdreiging, vóór de laatste financiële crises. Achteraf gezien was het naïef om te denken dat deze abstracte kunst vol draaiende motoren ook echt abstract was.

Yayoi Kusama, Invisible Life, 2000-2011 Foto Kunsthal Rotterdam

Maar ook gedateerde ideeën kunnen aangenaam aanvoelen, met name Carlos Cruz-Diez’ Chromosaturation (1965): drie kamers waarin elke wand en plafond en vloer groen, rood of blauw beschenen wordt. Het is kunst die je weldadig omringt. Het is een van meerdere installaties die kamervullend zijn uitgevoerd en dat is de Kunsthal op zijn best: het publiek onderdompelen in een totaalomgeving. Het werkt bovendien: bezoekers zie je er aandachtig kijken en praten over vorm, schaduw, over kinetische effecten die verwachtingen tegenspreken. Bij de eerdere hyperrealisme-tentoonstellingen verwonderden ze zich ook, maar dan over het goh-knap-net-echt-gehalte oftewel de buitenkant. Bij kinetische kunst vallen buiten- en binnenkant samen en praten ze dus vanzelf over essentiële artistieke kwesties.

Dat maakt het didactisch gezien een ideale tentoonstelling. De zalen zijn opgedeeld in thema’s als ritme, licht, constructie, het immateriële. Het zijn de soms taaie kernbegrippen van de avant-gardes, maar ze blijken de bezoekers goed te boeien. En dat is dan toch te danken aan die andere bloedlijn, de kermis.

    • Sandra Smets