Op zoek naar de gedachtenpolitie

Vrijheid van meningsuiting

Van Facebook tot politieke correctheid: de ‘gedachtenpolitie’ is overal. „Je mag ook niets meer zeggen”, hoor je vaak. Maar van wie eigenlijk?

Illustratie
Illustratie Anne Caesar van Wieren

Citaten van achttiende-eeuwse filosofen vliegen niet vaak over de borreltafel, maar voor Voltaire wil men nog weleens een uitzondering maken. „Ik verafschuw wat u zegt, maar ik zal uw recht om het te zeggen met mijn leven verdedigen”, roepen mensen dan – of woorden van soortgelijke strekking.

Logisch dat dit citaat geliefd is, want de vrijheid van meningsuiting is het paradepaardje van de rechtsstaat. Wanneer mensen gevraagd wordt naar hun visie op grondrechten, beginnen ze steevast over dít recht.

2018 was weer een goed jaar voor Artikel 7 van de Grondwet, aandachtsgewijs dan. Denk aan de heftige debatten rondom de blokkeerfriezen, imam Fawaz Jneid en het tweede proces tegen Wilders.

Maar er was ook iets anders aan de hand. Want ook als Artikel 7 niet in zicht was, sprak men over de vrijheid van meningsuiting. Op 3 september bijvoorbeeld, en op 6 september, op 1 oktober en 25 oktober en 17 december.

„Je mag ook niks meer zeggen”, hoor je op dat soort dagen. Het woord ‘gedachtenpolitie’, bedacht door George Orwell, zingt ook weer rond.

Maar daarmee wordt niet per se de overheid bedoeld. De vrijheid van meningsuiting is als een toverbal die telkens van kleur verandert. Waar de discussie jarenlang vooral ging over de verhouding tussen burger en staat, wordt de term nu vaak gebruikt voor fenomenen die met die verhouding weinig te maken hebben.

Wie is die gedachtenpolitie dan wél? Van wie ‘mag’ je niets meer zeggen?

Gedachtenpolitie, bureau 1

Op 6 september werd Alex Jones’ Twitteraccount opgeheven. De rechtse complotdenker had volgens Twitter de gedragsregels geschonden. Een maand eerder was hij al van Facebook, Apple, Spotify en YouTube gegooid en had PayPal bekendgemaakt geen diensten meer aan hem te verlenen. De reden: Alex Jones verspreidde ‘hate speech’ en nepnieuws, zoals het verhaal dat de dodelijke schietpartij op Sandy Hooks een hoax was.

Grote internetbedrijven als Google, Twitter en Facebook spelen meer en meer voor politieagent: zij bepalen welke berichten en accounts acceptabel zijn. Hiermee beperken ze de meningsuiting, wat niet wil zeggen dat ze het recht op vrije meningsuiting schenden. Een bedrijf heeft niet de plicht een individu met een mening toegang te verschaffen. Als je tekst of account wordt geweigerd word je niet vervolgd, je wordt alleen verzocht je mening elders te verkondigen.

Het sluiten van fora waarop ‘hate speech’ wordt verkondigd heeft effect, bleek vorig jaar. Een groep onderzoekers van Georgia Tech University keek naar de gevolgen van het sluiten van twee met hate speech gevulde ‘subreddits’ op de sociale nieuwssite Reddit. Nadat Reddit de fora had gesloten, verdween een deel van de haatverspreidende accounts van de site, terwijl bij het andere deel het percentage hate speech daalde met 80 procent.

Maar, zo concluderen de onderzoekers ook, dit betekent niet dat de totale hoeveelheid hate speech afnam. Het zou goed kunnen dat de verspreiders ervan naar andere platformen zijn gegaan, zoals naar Gab, een alternatief voor Twitter en Facebook waar alles gezegd mag worden. Het vrij onbekende Gab stond ineens midden in de aandacht toen bleek dat Robert Gregory Bowers, de man die in oktober elf mensen doodschoot in een synagoge in Pittsburgh, zijn daad op het sociale medium had aangekondigd. PayPal kondigde hierop aan niet meer met Gab te willen samenwerken. Ook Joyent, Gabs hosting provider, verbrak de banden. Ruim een week was Gab digitaal dakloos, totdat het een nieuwe provider vond. Inmiddels tieren de antisemitische teksten er weer welig.

Voor online opiniemakers is de digitale infrastructuur, denk aan providers en sites als PayPal, van groot belang. Begin november werd een aantal (radicaal-) rechtse stemmen, onder wie Milo Yiannopoulos, verwijderd van crowdfundsite Patreon. Uit protest maakte de populaire neurowetenschapper Sam Harris op 17 december bekend zijn Patreon-account te zullen opheffen. De psycholoog Jordan Peterson en de komiek Dave Rubin, beiden net als Harris onderdeel van een Amerikaanse beweging van tegendraadse opiniemakers, lieten weten een alternatief voor Patreon te zullen oprichten.

Gedachtenpolitie, bureau 2

Op 2 september kondigde David Remnick van The New Yorker aan Steve Bannon te zullen interviewen op het ‘ideeënfestival’ van het blad. Onmiddellijk na de bekendmaking van Bannons komst brak er protest uit onder lezers en medewerkers die vonden dat The New Yorker hem geen podium moest bieden. Remnick gaf op 3 september toe aan de kritiek, hoewel hij deze knieval zelf duidelijk betreurde.

Een dag later meldde The Economist juist zijn uitnodiging aan Bannon voor het Open Future festival te zullen handhaven. Bannon was gevraagd „omdat zijn populistisch nationalisme ernstige gevolgen heeft voor de huidige politiek”, schreef hoofdredacteur Zanny Minton Beddoes. Dat nationalisme stond lijnrecht tegenover de overtuigingen van The Economist, maar juist daarom werd Bannon uitgenodigd: „De toekomst van open samenlevingen wordt niet gewaarborgd door echokamers waarin gelijkgezinden converseren, maar door ideeën en individuen van alle kanten te onderwerpen aan rigoureuze ondervraging en debat.”

Het is de tweede manier waarop de samenleving de meningencirculatie reguleert: door het wel of niet bieden van een podium aan bepaalde stemmen. De gedachtenpolitie bestaat in dit geval uit allerlei kleinere instituties, van media en debatcentra tot universiteiten. Zij worstelen met het dilemma: wat te doen met extreme meningen?

Je hebt de kant die vindt dat ook de meest abjecte meningen in het volle daglicht moeten worden getoond, zodat ze bekritiseerd kunnen worden. Deze mensen citeren dan voor de verandering John Stuart Mill: in de vrije markt van ideeën zal het beste winnen, schreef hij. De andere kant vindt dit een te naïeve kijk op de zaak. Als leugens de zaak vertroebelen is niet meteen duidelijk wat de goede ideeën zijn, en bovendien kan de aandacht voor slechte ideeën, hoe stevig ze ook bevraagd worden, in de praktijk extra draagvlak opleveren, zeggen zij.

Wanneer de laatste groep wint, klinkt de klacht dat de vrijheid van meningsuiting wordt ingeperkt. Bekend zijn de voorbeelden van sprekers die niet welkom waren aan Amerikaanse universiteiten. In Nederland hadden we het incident met Jordan Peterson, die op de UvA was uitgenodigd voor een interview. Een groep UvA-medewerkers en studenten schreef op 25 oktober een boze brief waarin werd gevraagd om een extra spreker voor de balans, maar de organisatie hield voet bij stuk. Geen Amerikaanse taferelen dus, hoewel het relletje veel aandacht kreeg.

De vraag wie een podium krijgt, speelt vooral in de media. Zo publiceerde de Volkskrant op 27 juli een interview met Géza Hegedüs, de man die na één dag PVV-lijsttrekkerschap in Rotterdam weer moest aftreden na onthulling van eerder gedane extreme uitspraken. UvA-hoogleraar Sarah de Lange vroeg zich op Twitter af waarom deze man een podium kreeg; hij was immers niet meer relevant in het publieke debat. De ombudsman van de krant stelde vervolgens dat een reconstructie of achtergrondstuk misschien beter was geweest dan een interview.

14 augustus brak er weer tumult uit: Villamedia, het blad van de journalistenvakbond, had een interview geplaatst met Anne-Marie van Raaij van de Vereniging Kritisch Prikken. Van Raaij werd hierin niet alleen onkritisch geïnterviewd, maar mocht ook nog ‘lessen aan de pers’ formuleren. Schandalig, vonden veel journalisten. Door deze vrouw een podium te bieden, suggereerde de NVJ dat haar standpunten valide waren.

In de discussie over wie een podium verdient is het onmogelijk een midden te vinden waarmee iedereen tevreden is. Iedereen heeft ook zo z’n eigen perceptie van hoe het nu gaat. De een gelooft dat extreme meningen worden geboycot, de ander vindt juist dat radicale stemmen een megafoon krijgen.

Gedachtenpolitie, bureau 3

Vrouwen hebben hun ondervertegenwoordiging in de bètawetenschappen aan zichzelf te danken, zei hoogleraar natuurkunde Alessandro Strumia op 28 september voor een congres van het CERN. Volgens Strumia houden vrouwen meer van mensen dan van dingen, vandaar hun geringe interesse in bijvoorbeeld natuurkunde. Niks aan de hand!

Op 1 oktober schorste het CERN de hoogleraar, nadat zijn opmerkingen internationaal voor ophef hadden gezorgd.

Zie hier de derde gedachtenpolitie aan het woord: politieke correctheid, oftewel de sociale druk om bepaalde dingen niet te zeggen. Politieke correctheid waaide begin jaren 80 over uit Amerika, maar pas de laatste jaren hoor je het woord voortdurend. Dit heeft te maken met de rappe sensibilisering voor allerlei vormen van ongelijkheid zoals racisme en seksisme. Hierdoor ontstaat verwarring over wat je eigenlijk nog ‘mag’ zeggen zonder fout te zijn: mag je bijvoorbeeld zeggen dat vrouwen emotioneler zijn dan mannen? Mag je überhaupt dit soort algemene uitspraken doen over groepen mensen? En moet je onderdeel van een groep zijn om die groep te bekritiseren?

Het luistert nauw: wat vijf jaar geleden nog een prima opmerking was, kan je nu zomaar een sociaal isolement bezorgen.

Dat leidt tot die bekende opmerking: „Je mag ook niks meer zeggen.”

Waarop anderen antwoorden: „Je mag juist álles zeggen, kijk eens wat een rotzooi we elke dag zien.”

De waarheid ligt in het midden, want wat je ‘mag’ zeggen, hangt van de sociale context af. Wat als een leuke grap wordt gezien in de voetbalkleedkamer, leidt tot excommunicatie in de werkgroep kritische theorie. Degenen die klagen over politieke correctheid, vinden dat die werkgroep kritische theorie haar norm oplegt aan de hele samenleving – waardoor de kleedkamer in het defensief raakt.

Politieke correctheid kan leiden tot zelfcensuur: het inslikken van sommige woorden of opinies omdat de sociale omgeving die niet pikt. Maar het kan ook leiden tot een werkelijke inperking van de vrijheid. Denk aan Alessandro Strumia, of aan Tim Hunt, de Britse biochemicus en Nobelprijswinnaar die in 2015 een grapje had gemaakt over vrouwelijke collega’s. Op een congres voor wetenschapsjournalisten zei hij: „Er gebeuren drie dingen als ze in het lab zijn: je wordt verliefd op ze, zij worden verliefd op jou, en ze huilen als je kritiek op ze hebt.” Na de ophef hierover werd Hunt gedwongen ontslag te nemen op University College London.

In de VS is inmiddels een tegenbeweging ontstaan, de ‘Intellectual Dark Web’ – een term die voor de grap werd bedacht door wiskundige Eric Weinstein. Tot de IDW behoren wetenschappers en opiniemakers zoals de eerdergenoemde Peterson, Harris en Rubin en feminist Christina Hoff Sommers, die zich in podcasts en op YouTube keren tegen identiteitspolitiek en politieke correctheid. Essayist Meghan Daum noemde de beweging in een artikel ‘Free Speech YouTube’ – daar heb je hem weer, de vrijheid van meningsuiting.

Op 26 mei van dit jaar ging columnist Theodor Holman, die net de Pim Fortuynprijs had gewonnen, in het YouTube-programma Café Weltschmerz in gesprek met psychiater Esther van Fenema. Ze hebben het over de klassieke vrijheid van meningsuiting, maar ook over politieke correctheid en de macht van Facebook. Wat is het allemaal onoverzichtelijk geworden, verzuchten ze. Van Fenema: „Als je terugkijkt op zo’n rel met cartoonisten, dat is bijna aandoenlijk als je het afzet tegen de tijd waarin we nu leven.” Toen was het vrijheid van meningsuitingdebat nog „behapbaar”, zegt ze.

Inderdaad is het ‘VvMU’-debat nogal onoverzichtelijk geworden, met al die eenheden van de gedachtenpolitie die door elkaar heen patrouilleren.

Toch hebben ze wel wat met elkaar gemeen. Ze gaan allemaal over de grenzen van het toelaatbare: de vraag of alle stemmen gehoord moeten worden, en zo niet, wat de criteria zijn voor begrenzing. En in al die gevallen worden de grenzen getrokken door de samenleving zelf, in de gedaante van grote bedrijven, media, universiteiten, programmamakers, werkgevers, de buurman, en onszelf.

Niet zo vreemd dat het debat hierover verhit is: het gaat over de machtsverhoudingen binnen de samenleving – een strijd waaraan niemand ontkomt.

Tegelijk is de ervaren vrijheid van meningsuiting in Nederland hoog. Dit jaar voelde volgens het SCP 84 procent van de Nederlanders zich meestal of altijd veilig genoeg om uit te komen voor zijn of haar mening. Slechts 3 procent voelde zich zelden of nooit veilig genoeg. Deze percentages lagen tien jaar geleden ongeveer even hoog.

Dus misschien ‘mag’ je niet altijd alles zeggen, het is hier nog lang geen 1984.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.

    • Floor Rusman