Noord Sentinel, behorend bij de Andaman-eilanden in de Stille Oceaan.

Foto Gautam Singh/ AP Photo

‘Tribale volken zijn geen toeristenattractie’

Triloki Nath Pandit | Antropoloog

Als een van de zeer weinigen legde Triloki Nath Pandit (84) contact met de geïsoleerd levende bewoners van Noord Sentinel, een van de Andaman-eilanden. Vorige maand doodden zij een Amerikaanse missionaris.

De afgelopen weken waren ongewoon voor Triloki Nath Pandit. Normaal gesproken ziet de 84-jarige antropoloog vanuit het raam van zijn dochters appartement in de Indiase hoofdstad New Delhi de wereld in het klein aan zich voorbijtrekken. Er deel van uitmaken is door zijn kwetsbare gezondheid steeds lastiger.

Tot een maand geleden de wereld zich plots aan hem opdrong. Onophoudelijk rinkelde zijn telefoon. Telefoontjes uit de Verenigde Staten, Frankrijk, Duitsland met aan de andere kant van de lijn journalisten op zoek naar dé T.N. Pandit: de man die contact wist te leggen met een van ’s werelds meest geïsoleerde volken.

Voor Pandit, die ook binnen de winterkou uit zijn botten probeert te houden met wollen handschoenen en een sjaal, was al die aandacht een nieuwe ervaring. Interesse voor zijn werk op de Andaman-eilanden, een afgelegen archipel in de Baai van Bengalen, kwam tot dan toe voornamelijk van vakgenoten.

Tot halverwege november 2018 een jonge Amerikaanse missionaris werd gedood op Noord Sentinel, een stip van zo’n 50 vierkante kilometer. John Allen Chau, 26, was geobsedeerd geraakt door haar bewoners, een kleine gemeenschap van jagers en verzamelaars die zich al duizenden jaren aan de buitenwereld weet te onttrekken.

Dat was natuurlijk een „hoogst onwaarschijnlijke samenkomst van personages”, zegt Pandit geamuseerd, terwijl zijn dochter thee serveert. Een Amerikaan die Jezus komt brengen, vermoord op een piepklein eiland door mensen over wie weinig meer bekend is dan de naam die anderen hen ooit gaven: de Sentinelezen.

De sofa waarop Pandit ook deze middag zit – in donkere joggingbroek, geruite tweedjas – bracht hem met ieder telefoontje terug naar de boot waarin hij in een vorig leven urenlang ronddobberde, turend naar een verlaten stukje strand, wachtend tot de jungle erachter in beweging zou komen. De opwinding voelt hij nog steeds.

Naar verboden wateren

Britse kolonisators, Japanse bezetters, avonturiers: niemand lieten de Sentinelezen dichtbij komen. Op – voor zover bekend – één uitzondering na. In 1991, na twee decennia voorzichtig toenadering zoeken, werd een groepje antropologen begroet zonder pijl en boog.

Op verkleurde foto’s is te zien hoe Pandit, de haren nog donker, tot zijn middel in het water staat. Om hem heen naakte mannen, hun huid zwart en de handen uitgereikt naar de kokosnoten die Pandit en een collega uitdelen. „Ze waren nog steeds op hun hoede”, zegt hij. De expeditieleden werden niet uitgenodigd aan land te komen. „Wellicht dachten ze: als we ze eenmaal toelaten, zullen ze blijven komen.” Een signaal dat John Allen Chau verkoos te negeren toen hij afgelopen 15 november het strand van het eiland op stapte.

Ontmoeting van antropoloog Pandit (met kokosnoot) en collega’s met Sentinelezen in 1991. Er ging twintig jaar voorbereiding aan vooraf.Foto privécollectie TN Pandit

Het eiland wordt beschermd door de Indiase wet, een bufferzone van vijf kilometer in zee en een patrouillerende marineboot. Chau, vastbesloten als eerste dit onaangetaste volk te redden van Satan, betaalde een paar lokale vissers omgerekend 300 euro om dat alles te omzeilen. In de nacht smokkelden zij hem voorbij de patrouille naar verboden wateren.

Uit passages van Chau’s dagboek, dat hij bij de vissers achterliet voor zijn ouders, blijkt dat de bewoners zijn religieuze liedjes en kreten als „Jezus houdt van jullie” beantwoordden met pijl en boog. Op de eerste dag alleen door die te tonen. Maar de volgende dag eindigde Chau’s volgende bezoek met een pijl door zijn bijbel.

Missionaris John Allen Chau, vermoord op Noord Sentinel. Foto HH

En toen kwam dag drie. De laatste glimp die de vissers van Chau opvingen, was van zijn levenloze lichaam dat door een paar eilandbewoners over het strand werd gesleept. Hij ligt begraven onder het witte zand. Hoe hij is gestorven, is niet bekend.

In de woonkamer is het even stil. „De jongen was vastbesloten in problemen te komen”, zegt Pandit dan, met een blik die meer empathie dan onbegrip verraadt. In zekere zin heeft hij zijn carrière lang geprobeerd deze gebeurtenis te voorkomen. Al had hij niet per se een Amerikaanse missionaris in gedachten toen hij samen met zijn collega’s van de Anthropological Survey of India, dat onder de Indiase regering valt, vanaf eind jaren 60 expedities naar Noord Sentinel ondernam. Het plan was de bewoners voorzichtig en vooral langzaam voor te bereiden op het onvermijdelijke: contact met de buitenwereld die dankzij overheidsbeleid en technologische ontwikkelingen steeds dichterbij kwam. Op nabijgelegen, grotere Andaman-eilanden had de komst van wapens, ziektes en verdovende middelen de oorspronkelijke volken gedecimeerd en verweesd achtergelaten. Bij de Sentinelezen, wier aantal Pandit schat op rond de honderd, moest dat anders.

Ontmoeting van antropoloog Pandit (met kokosnoot) en collega’s met Sentinelezen in 1991. Er ging twintig jaar voorbereiding aan vooraf.
Foto privécollectie TN Pandit
Ontmoeting van antropoloog Pandit (met kokosnoot) en collega’s met Sentinelezen in 1991. Er ging twintig jaar voorbereiding aan vooraf.
Foto privécollectie TN Pandit

Vriendschappelijk contact

Pandit was krap dertig toen hij in 1966 aankwam in Port Blair, de hoofdstad van de Andaman & Nicobar eilanden. Het was zijn eerste overheidsbaan, en niet waarop hij had gehoopt. „Zo afgelegen.” Vier dagen zat hij op een schip vanuit Calcutta, in die tijd de enige manier om er te komen. Tegenwoordig gaan er dagelijks vluchten.

De Brahmin uit Kashmir kwam terecht in een compleet andere wereld dan New Delhi, waar hij antropologie doceerde aan de universiteit. „Het was volkomen vredig en de mensen waren ontzettend vriendelijk.” Zijn vrouw en toen twee jonge dochters (later kwamen er nog twee bij) volgden twee maanden later.

Tijdens zijn studie had Pandit een boek gelezen van Alfred Radcliff-Brown, een Britse antropoloog die rond het begin van de twintigste eeuw naar de Andaman eilanden reisde. Vol bewondering schreef die over de eeuwenoude volken die er leefden. Al snel ontdekte Pandit dat hun contact met de buitenwereld vaak desastreus was afgelopen. Zoals bij de Groot Andamanezen, die verspreid over de archipel woonden en hevig met de Britten vochten toen zij begin 1800 met hen in contact kwamen. Pandit trof hun nakomelingen aan op straat in Port Blair, verslaafd, bedelend. Ooit waren ze met enkele duizenden, toen waren er nog 33 van hen over (de huidige schatting is rond de 50).

Drie vrouwen van de Onge. Het volk werd door de regering teruggedrongen tot een hoekje van hun eiland om plaats te maken voor vluchtelingen. Foto privécollectie TN Pandit

Een ander volk, de „heel vriendelijke” Onge, werd een jaar na zijn aankomst op last van de regering teruggedrongen tot een hoekje van hun eiland om plaats te maken voor vluchtelingen uit wat toen Oost-Pakistan was. De jonge Pandit protesteerde zonder succes. Als lokaal hoofd van de Anthropological Survey of India was hij „een te kleine jongen”. „Ons departement kan de regering alleen adviseren. Die kan daarnaar luisteren. Of niet.”

Rond diezelfde tijd nam de regering nog een besluit. Pandit en zijn collega’s moesten proberen „vriendschappelijk contact” te maken met de laatste twee gemeenschappen die zich vijandig bleven opstellen: de Jarawa’s, die met enkele honderden in een groot reservaat nabij Port Blair leefden. En de Sentinelezen.

Met de Jarawa’s was dat noodzakelijk, legt Pandit uit. Zij deelden hun eilanden met een steeds grotere groep Indiërs, wat regelmatig leidde tot dodelijke confrontaties. Een probleem dat bij de geïsoleerde Sentinelezen niet speelde. Maar: „Iedere overheid wil graag alles onder controle hebben.” Bovendien, zegt de antropoloog, zo geïsoleerd zijn ze niet. „Vanaf Port Blair is het maar een paar uur varen naar Noord Sentinel.” En zij hebben kano’s. Uitgeholde boomstammen die volgens de antropoloog weinig stevig ogen. Maar toch: „Zij kunnen ons bereiken, net zoals wij hen kunnen bereiken.”

Kokosnoten en plastic emmers

Tal van expedities volgden, naar verlaten stranden en diep in de jungle om de meest uiteenlopende cadeautjes achter te laten. Bananen, kokosnoten, plastic emmers.

„Het varken was een vergissing”, zegt Pandit. Terwijl de expeditieleden van veilige afstand („Buiten bereik van hun pijlen”) in een bootje toekeken, zagen ze hoe een Sentinelees zonder aarzelen zijn speer twee, drie keer in het vastgebonden beest stak. Toen ze die avond terugkeerden, bleek het varken op het strand begraven.

„Wij dachten dat we ze een feestmaal gaven”, lacht Pandit. „Maar het idee een vastgebonden varken te krijgen was voor jagers en verzamelaars misschien niet acceptabel.” En dan was het ook nog eens een ander soort dan ze gewend waren.

Bij de Jarawa’s werd een doorbraak met een beetje geluk – of pech – afgedwongen. In de zomer van 1968 kreeg Pandit een telefoontje: drie Jarawa’s waren opgepakt nadat zij ’s nachts een dorp aan de rand van het reservaat waren ingeslopen om gereedschap en stukjes ijzer te stelen die ze gebruikten voor pijlen en speren.

Drie gevangen Jarawa’s die op een nacht in 1968 een dorp aan de rand van het reservaat waren ingeslopen om gereedschap en stukjes ijzer te stelen die ze gebruikten voor pijlen en speren. Rechts staat Pandit.Foto privécollectie TN Pandit

De lokale autoriteiten zagen een kans en namen de jongens mee naar Port Blair waar zij in „vriendelijke detentie” werden gehouden. Dat wil zeggen: in een aparte vleugel van de gevangenis waar ze vrij konden rondlopen en zelf mochten koken. „Het idee was dat we op die manier onze boodschap van vriendschap konden overbrengen”, zegt Pandit.

Hoogst arbitrair, geeft hij toe. „Er was weinig denkwerk aan voorafgegaan.” Aan Pandit en zijn team werd gevraagd zoveel mogelijk met de jongens op te trekken. Die kregen T-shirts en shorts aan en werden meegenomen op uitjes. In jeeps, op een boot. Zelfs in een stilstaand vliegtuig, waar ze aan de stewardess werden voorgesteld.

„Al die nieuwe dingen vonden ze razend interessant”, glundert Pandit.

De tripjes moesten de Jarawa-jongens „de grote geneugten van onze beschaving laten zien”, zegt de antropoloog niet zonder ironie. Na een maand, toen de angst van hun gezicht verdween en ‘de boodschap’ leek overgebracht – communiceren ging alleen met gebaren – werden de drie vrijgelaten waar ze waren gesnapt. De armen vol met cadeaus.

Eerst gebeurde er weinig. Maar na een paar jaar, uit het niets, werden verbaasde expeditieleden verwelkomd door zingende en dansende Jarawa’s. Onder hen de drie jongens, nu mannen, die hadden vastgezeten. „Ze herkenden ons meteen.”

Gaandeweg verdween zo de vijandigheid van de Jarawa’s, maar er kwamen nieuwe problemen voor in de plaats. Vooral met de komst van een snelweg pal door hun reservaat. Dagelijks rijden hierover bussen vol toeristen die hopen ‘wilde Jarawa’s’ te spotten.

Als de menselijke safari’s ter sprake komen, verandert Pandits blik. Toerisme – een groeiende inkomstenbron op de Andaman eilanden – vindt de antropoloog een „zeer onaangenaam iets”. „Tribale mensen zijn geen toeristenattractie.”

Pandit neemt een kom aan van een Jarawa.
Foto privécollectie TN Pandit
Pandit in gezelschap van Jarawa’s, een van de andere volken van de Andaman-eilanden.
Foto privécollectie TN Pandit

Shakespeare

Pandits stem, krakend en zacht, verraadt dat zijn lijf moeite heeft zijn geest bij te houden. Toen John Allen Chau werd gedood, had hij net een maand in het ziekenhuis gelegen. Toch wilde hij iedere journalist die hem belde te woord te staan.

Het onderwerp ligt hem na aan het hart, zegt hij. Of beter gezegd: de mensen voor wie hij in al die jaren „een buitengewoon groot respect” kreeg. „Ik wil ze beschermen.”

Na het voorzichtige contact in 1991 hebben de Sentinelezen niemand meer dichtbij laten komen. Pandit ging met pensioen en voortschrijdend inzicht deed de Indiase overheid besluiten de ‘cadeautjesexpedities’ op te schorten. Een beleid van ‘geen contact’ en bufferzones kwam daarvoor in de plaats.

Pandit kijkt met gemengde gevoelens terug. „Het is zo’n klein volk”, zegt hij. „Dat maakt ze enorm kwetsbaar.” De expedities van toen waren volgens hem een middenweg: een manier om de nieuwsgierigheid naar de Sentinelezen te stillen, zonder de agressie waarmee dat onder de Britten gepaard ging.

Nu zegt de antropoloog: houd afstand. „En dan misschien, op een dag, zoeken ze uit zichzelf toenadering. Net zoals de Jarawa’s. Laat ons daarop wachten.”

Maar met Chau’s dood is de nieuwsgierigheid volop terug, evenals een oud dilemma dat ook zijn vakgenoten verdeelt: is het niet onrechtvaardig de Sentinelezen onze moderne wereld te ontzeggen? Pandit: „Het impliceert dat onze manier van leven beter is dan die van hen.” Terwijl: wie overleven er al duizenden jaren zonder onze hulp?

Natuurlijk misgunt hij de Sentinelezen geen wetenschap en Shakespeare. „Maar we moeten ons ook realiseren dat er daarna geen weg terug is.”

Een Sentinelees gewapend met pijl en boog.Foto Indian Coast Guard/Reuters