Amos Oz (1939 - 2018): een afkeer van fanatisme

De Israëlische auteur Amos Oz is op 79-jarige leeftijd overleden. Wat kenmerkt zijn oeuvre?

Foto Dan Balilty

In zijn roman Judas uit 2015 liet Amos Oz zien waar zijn oeuvre eigenlijk over ging: begrip voor de tegenstander, humanisme, afkeer van elk fanatisme en inzicht in de duistere psyche van de mens. Over dat laatste zei hij in 2005 in een interview in NRC: „Hoe goed kun je een ander ook kennen? Mensen die een heel leven hebben samengewoond weten misschien maar 30 procent van elkaar.” Oz overleed vrijdagmiddag aan kanker, op 79-jarige leeftijd.

Soms neigt Oz in zijn verhalen en romans naar sentimentaliteit, maar vrijwel altijd wordt hij gered door zijn humor, ironie en grote vermogen om over menselijke intimiteit te schrijven. Hij heeft daarin iets van Tsjechov of Tolstoj, en dat is niet zo vreemd, omdat zijn beide ouders uit het voormalige Russische keizerrijk kwamen en sterk beïnvloed waren door de grote negentiende-eeuwse Russische literatuur.

Lees ook Om Israël echt te begrijpen, heb je Amos Oz nodig

Judas is een roman over verraad, iets waarvan Oz door Joodse fanatici regelmatig wordt beschuldigd omdat hij de Israëlische bezetting van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook bekritiseert en zich nog altijd hartstochtelijk inzet voor een compromis met de Palestijnen. Op zijn beurt ziet hij die Joodse fanatici, gelouterd als hij is door de Zesdaagse Oorlog van 1967, als de veroorzakers van alle ellende in Israël. Het is de reden waarom hij in 1977 de Vrede Nu-beweging heeft helpen oprichten, die streeft naar een compromis tussen Israëliërs en Palestijnen, gebaseerd op wederzijdse erkenning van Israël en een Palestijnse staat op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook.

Gevlucht uit Oost-Europa

Het politieke activisme vind je in bijna al Oz’ romans terug. Zie zijn verhalen in De heuvel van de boze raad (1976), zijn brievenroman Black box (1987) of zijn magistrale autobiografische roman Een verhaal van liefde en duisternis (2004). In die boeken probeert hij begrip te kweken voor het standpunt van de gematigde Palestijnen en krijgen Joodse fanatici ervanlangs.

In Judas lijkt hij zich te willen rechtvaardigen voor zijn politieke opvattingen van de afgelopen decennia. Alsof hij er nog altijd in gelooft dat een vreedzaam samenleven van Arabieren en Joden mogelijk is. Maar Oz zou Oz niet zijn als hij in dit opzicht niet ook zou toegeven misschien wel in een utopie te geloven, omdat Joden en Arabieren inmiddels vijandiger tegenover elkaar staan dan ooit tevoren.

Amos Oz werd in 1939 als Amos Klausner geboren in Jeruzalem, dat toen nog tot het Britse mandaatgebied Palestina behoorde. Zijn ouders waren vluchtelingen uit Oost-Europa, jonge intellectuelen die in het begin van de jaren dertig voor het groeiende antisemitisme naar Palestina vluchtten in de hoop in een toekomstige Joodse staat een veiliger bestaan te kunnen opbouwen. Het grootste deel van zijn jeugd bracht hij door in de Jeruzalemse wijk Kerrem-Avraham, die voornamelijk werd bevolkt door Oost-Europese immigranten. De sfeer die er heerste was die van het Rusland van Tsjechov.

Oz’ vader was een getalenteerd literatuurwetenschapper en extremistisch zionist, die in het Palestina van de jaren dertig zijn intellectuele ambities niet kon verwezenlijken en wegkwijnde als bibliothecaris aan de Nationale Bibliotheek. Zijn moeder was een veel zwaarder lot beschoren. Ontevreden over haar huisvrouwenbestaan, vol heimwee naar het vernietigde Europa van haar jeugd en zich niet op haar gemak voelend in de haar wezensvreemde Joodse staat, pleegde zij in 1952 op 38-jarige leeftijd zelfmoord. Haar man en twaalfjarig zoontje liet ze ontredderd achter.

Neurotische vrouwen

Twee jaar na die zelfmoord liep Amos Klausner van huis weg, vestigde zich in een kibboets en veranderde zijn achternaam in Oz (Kracht). In de kibboets hoopte hij tractorbestuurder te worden. Met het intellectuele, zionistische milieu van zijn ouders wilde hij niets meer te maken hebben.

In 1961, na het vervullen van zijn dienstplicht, werkte Oz in de katoenvelden en publiceerde hij zijn eerste korte verhalen in een literair tijdschrift. Op grond van dat laatste besloot het kibboetsbestuur hem in 1963 filosofie en letterkunde te laten studeren aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem. In 1965 debuteerde hij, met de verhalenbundel De landen van de jakhals. Vanaf dat moment verscheen er gemiddeld eens per twee jaar een nieuw boek van zijn hand.

Lees ook: Israëlische auteur Amos Oz (79) overleden

In de romans en verhalen van Amos Oz is de invloed van de groten uit de Russische literatuur van de negentiende eeuw duidelijk aanwezig. Dit laat zich mede verklaren door het feit dat Oz’ vader uit een familie kwam die voor de Russische revolutie een vooraanstaande rol speelde in het literaire milieu in Odessa. Ook valt er in zijn werk een aantal andere constanten aan te treffen. Zo geeft Oz in ieder boek blijk van zijn afkeer van elke vorm van fanatisme, het sterkst nog in zijn brievenroman Black box (1987). Verder pleit hij in zijn werk vaak voor een verzoening met de Arabieren. De actuele politieke ontwikkelingen zijn er als een onderstroom aanwezig.

Maar belangrijker is dat al zijn boeken familieromans zijn waarin een gezinssituatie wordt beschreven die van de ene op de andere dag radicaal verandert. De hoofdpersonages zijn meestal rationele, kalme mannen en romantische, gevoelige, neurotische vrouwen, die elkaar door hun verschillende karakters maar niet kunnen bereiken. Dit onbegrip tussen twee echtelieden is dan ook een belangrijk leidmotief in zijn werk.

Bloeddorstige jakhalzen

Een ander vast thema in zijn boeken is het landschap. Het vormt altijd een dreiging. Het kwaad komt er vandaan, het kwaad van de woestijn waarin bloeddorstige jakhalzen rondzwerven.

Jarenlang gold Oz een beetje als een uitgeschreven schrijver. Tot hij in 2004 met zijn autobiografische roman Een verhaal van liefde en duisternis kwam. In dit boek, dat een internationale bestseller werd, vertelt Oz voor het eerst over de zelfmoord van zijn moeder. Daarnaast beschrijft het op een originele manier de geschiedenis van zijn familie in het Oost-Europa van voor de Tweede Wereldoorlog, hun vlucht naar Palestina, hun aanpassingsproblemen in een wereld omringd door 150 miljoen vijandige Arabieren en zijn eerste stappen op weg naar zijn eigen volwassenheid. Alleen al met dit relaas, dat in veel opzichten doet denken aan het autobiografische werk van Elias Canetti, werd hij genoemd als kanshebber voor de Nobelprijs, maar kreeg deze nooit.