Recensie

Recensie Boeken

Dichten over Billy the Kid en Trotski

Jack Spicer Deze Amerikaanse dichter riep in zijn werk geesten en fantomen van historische personages tot leven. Eenmaal het gedicht ingesleept, krijgen hun levens een nieuwe lading.

Beeld Getty Images/iStockphoto
    • Obe Alkema

In 1957 publiceerde Jack Spicer (1925-1965) de bundel After Lorca, vernoemd naar de dichter Federico Garcia Lorca. Die nam de introductie voor zijn rekening: ‘Frankly I was quite surprised when Mr. Spicer asked me to write an introduction to this volume.’ Alleen was Lorca halverwege de jaren vijftig al twintig jaar dood.

Lorca spreekt dus niet zelf, maar er wordt via hem gesproken. Spicer vertaalt in deze bundel het werk van Lorca, verhaspelt dat, bootst het na en maakt er zo iets eigens van. Helemaal duidelijk wordt niet wie wanneer spreekt, maar dat maakt deze samenzang zoiets bijzonders.

Uit de bundel After Lorca zijn slechts de zes brieven aan Lorca (1898-1936) opgenomen in Citroenen, gedichten en zeewier, een selectie van Spicers poëzie die al sinds begin jaren tachtig door de Belgische dichter Jan H. Mysjkin in het Nederlands beschikbaar wordt gemaakt.

Die brieven zijn poëticale positioneringen. Zo schrijft Spicer in de tweede brief: ‘Een dichter is een tijdmechaniek, geen balsemer.’ De kern van zijn poëzie: de dichter richt met zijn woorden geen monument op noch versluiert hij de werkelijkheid ermee. Hij gebruikt woorden ‘om de werkelijkheid het gedicht binnen te duwen of te slepen. Zij zijn het waar we mee voortgaan, niets anders. Op zichzelf zijn ze evenveel waard als een touw zonder iets om aan vast te knopen.’

Gedichten, met andere woorden, zijn collages van de werkelijkheid. Maar hoe zit zo’n collage in elkaar? Het gedicht ‘Onderbreking I’ laat dat heel mooi zien:

‘De aardse beweging brengt angst en ontberen. De mens stelt de vraag wat ze is en betekent.’ Donne Plaatst dit in het volgende vers Tegenover ‘de hemelse omwenteling van de sferen’. Rijm verzacht. En in een boek dat ik vijftien jaar geleden op de universiteit las stond dat dit een aanval was op de copernicaanse theorie en een spichtige poot had ‘Aardbeving’ in de kantlijn gekrabbeld. Waar is de dichter? Hij hoedt de schapen Hij hoedt de hemelse omwenteling van de sferen in een lange, vervelende processie Hij, spil van de zwaartekracht, Hij (terwijl de aardbevingen van geluk binnen en buiten zijn lichaam voortduren en de sterren hun omloop stilzetten om te kijken) Slaapt.

Spook

Ook in dit gedicht treffen we een corrupt citaat aan. In het origineel van John Donne staat namelijk niet ‘celestial movements of the spheres’, maar ‘trepidation of the spheres’. Dat Donne incorrect geciteerd is, is geen probleem. Vandaar de ironische en nonchalante opmerking over het verzachtende rijm. Het spook van Donne roept een ander spook op: een herinnering aan vijftien jaar eerder, toen de dichter stuitte op commentaar in de kantlijn, misschien wel zijn eigen. Lang kunnen we er niet bij stilstaan, want waar is de dichter? Wélke dichter, zou dan mijn eerste wedervraag zijn. Spicer zelf, Donne, dichters in het algemeen? Ook deze zin is vluchtig, want direct volgt de beantwoording: de dichter is een herder, niet alleen van schapen, maar ook van die hemelse omwenteling. De dichter heeft een verheven rol, maar alleen tijdens de slaap?

Spicers gedichten worden door meer geesten bevolkt: Billy the Kid, honkbalploegen, Trotski. Zulke figuren krijgen, eenmaal het gedicht ingesleept, een nieuwe lading, zoals Orpheus en Eurydice in een heerlijk pathetisch liefdesgedicht: ‘Voor jou zou ik een heel nieuw heelal bouwen maar je vindt het / kennelijk goedkoper er een te huren. Euridyce [sic] deed het ook. / Ze keerde naar de hel terug omdat ze niet zeker was van het / andere huis dat Orpheus zou bouwen.’

Kluchtig

De taal in Citroenen, gedichten en zeewier ronkt, sputtert tegen, slaat af en wordt op zijn staart getrapt. Daardoor zijn Spicers gedichten enorm wisselvallig. Ik bedoel dat niet negatief. Ze schieten avontuurlijk alle kanten op en krijgen iets kluchtigs, zoals de gedichten hierboven laten zien, terwijl er tegelijkertijd een bloedserieuze ondertoon in doorklinkt. Ze staan wagenwijd open, zodat je erop los kunt associëren, zoals Spicer zelf doet met werk van anderen, maar ze zijn niet ongericht of willekeurig.

Spicers taal ontwricht de leeservaring en dat biedt mogelijkheden. De gedichten lopen in zichzelf vast door de verschillende registers, verwijzingen en snelheden: ‘Waarom kunnen we geen liedjes zingen als een nachtegaal? / Omdat we geen nachtegaal zijn en het nooit kunnen worden. / De dichter ondervindt een saaie verschraling van zijn / werkelijkheid en die van de anderen.’ Vraag en antwoord zijn lichtvoetig, maar worden donkerder gekleurd door de twee regels die erop volgen.

In hun inleiding bij Spicers verzamelde werk, My Vocabulary Did This To Me, schrijven Peter Gizzi en Kevin Killian dat Spicers gedichten ons niet achterlaten met een gebrek aan betekenis, maar met buitensporig veel betekenis vanwege echoënde en tegen elkaar aan botsende beelden. Klopt dat wel? Is er sprake van een overdaad aan betekenis? Of zijn die echo’s en beelden allang vervlogen, als we Spicer als tijdmechaniek van de jaren veertig, vijftig en zestig beschouwen? Is zijn poëzie niet gedateerd?

Een werk lezen is het werk opnieuw activeren, zoals Spicer aan de hand van Lorca en Donne laat zien. Ook Eurydice en Or-pheus komen tot leven, helemaal wanneer ze in de regels erna gekoppeld worden aan de moord op John F. Kennedy. Niet alleen de dichter is tijd- en plaatsgebonden, ook zijn lezers. Spicer lezen in 2018 en in Nederland resulteert in een andere lezing van zijn werk dan hem lezen in het Amerika van de jaren zeventig of negentig. Maar tot op de dag van vandaag blijven Spicers gedichten bruisen, want: ‘Zoveel heb ik geleerd / In die vijf jaren van verteren en verdienen: / Tijd maakt een gedicht niet af.’