Foto Merlijn Doomernik

‘Het zijn mensen zoals jij en ik, met vaak helemaal niet zulke uitzonderlijke problemen’

113 Ger Ceelen (67) werkt als vrijwilliger bij zelfmoordpreventielijn 113. In januari is er altijd een piek in het aantal telefoontjes. „De gesprekken schud je na afloop niet zomaar weer van je af.”

Tijdens haar werkende leven was ze onder meer docent verpleegkunde en artistiek leider van een theatergroep die educatieve voorstellingen bracht. Na haar pensioen besloot Ger Ceelen (67) om zich te melden als vrijwilliger bij de Zelfmoordpreventielijn 113. Mensen die het leven niet meer zien zitten, kunnen – anoniem – bellen of chatten met een van de medewerkers. Tijdens zo’n crisisgesprek – tachtigduizend vonden er dit jaar plaats – proberen die de beller of chatter te stimuleren professionele hulp te zoeken. In januari is er, net als tijdens de zomermaanden, altijd een piek in het aantal telefoontjes en chatgesprekken.

„Sommige mensen komen nog geregeld voorbij in mijn gedachten. Zoals de jongen die zo moest huilen dat hij niet uit zijn woorden kwam. Ik heb eerst ademhalingsoefeningen met hem gedaan, zodat hij wat tot rust kwam en alsnog zijn verhaal kon doen. Hij moet een jaar of zestien, zeventien zijn geweest. Op school ging hij met niemand om, hij had geen vrienden. Met zijn ouders, die gescheiden waren, was het contact slecht. Hij voelde met niemand meer verbinding en wist niet hoe hij verder moest. Toen hij belde, liep hij door een bos, op weg naar de plek waar hij een einde aan zijn leven wilde maken. Ik heb hem gevraagd om tegen een boom te gaan zitten, zodat we even rustig konden praten.

„Het zijn mensen zoals jij en ik, met vaak helemaal niet zulke uitzonderlijke problemen. Velen voelen zich buitengesloten, bijvoorbeeld door hun familie. Als daar dan het verlies van een baan bij komt, met financiële zorgen als gevolg, statusverlies, mogelijk een echtscheiding en – bij mannen – het gevoel dat ze hun rol als vader niet meer goed kunnen vervullen, kan iemand langzaam in een fuik van negatieve gedachten terechtgekomen, zoals het idee dat niemand hen zou missen als ze er niet meer zijn. Degenen die wij spreken, zitten nog niet altijd zo ver in die fuik dat ze geen enkele uitweg meer zien, maar ze weten gewoonweg niet meer hoe ze verder moeten leven. Hen contact te laten zoeken met een familielid, met de huisarts, een vertrouwenspersoon op school, zodat er hulp komt, is het doel van de crisisgesprekken bij 113.

De meeste bellers of chatters hebben het nooit eerder met iemand over hun gedachten gehad

Ger Ceelen

„Om iemand te helpen de eerste uren of dagen door te komen, maken we een zogeheten veiligheidsplan. Wat kun je doen, vragen we dan, als dwingende zelfmoordgedachten tot een noodsituatie leiden? Waar kun je heen om tot rust te komen? Wie kan je helpen? Het is onderdeel van het stappenplan waar we in de training veel mee hebben geoefend. Gesprekken voor 113 komen binnen bij een van onze triagisten: psychologen die een kort voorgesprek houden om te beoordelen of er acuut levensgevaar is. Het gebeurt dat mensen contact met ons opnemen terwijl ze middelen hebben ingenomen. In dat geval probeert de triagist hen over te halen medische hulp in te roepen. Bellers en chatters wordt nooit naar hun naam gevraagd, omdat we zo laagdrempelig mogelijk hulp willen bieden. De consequentie van die anonimiteit is dat we zelden te weten komen hoe het verder gaat met iemand.

„Bij de helft van de gesprekken gaat het om mensen onder de vijfentwintig. Nogal eens zijn het jongeren die, bijvoorbeeld vanwege hun seksuele geaardheid, door hun omgeving niet geaccepteerd worden om wie ze zijn. Terwijl ik zelf niet eens kinderen heb, raakt hun eenzaamheid me tot in mijn ziel. Vooral de gesprekken per telefoon, wanneer je in hun stem de wanhoop en het verdriet hoort, schud je na afloop van een dienst niet zomaar weer van je af. Maar dat wil ik ook niet. Ik ben twee jaar geleden begonnen als 113-vrijwilliger, en hoop over tien jaar nog steeds geraakt te worden door de verhalen die ik hoor.

„Bijna iedereen kent suïcide in zijn omgeving, ik ook. Toen ik door een rugoperatie een paar jaar geleden een tijdlang op bed moest liggen, hoorde ik op de radio een interview met psychiater Jan Mokkenstorm, de oprichter van 113. Hij vertelde dat hij het niet eens was met het idee dat zelfmoord een maatschappelijk gegeven is dat we moeten accepteren, omdat vaak hulp nog mogelijk is. Ik besloot me bij 113 als vrijwilliger te melden na mijn revalidatie. Hulp bieden aan mensen die het leven niet meer zien zitten, wat kun je beter doen als je op jouw manier een bijdrage wil leveren, hoe klein ook, aan een iets lievere, zachtere wereld? In Slachthuis vijf van Kurt Vonnegut, een boek dat ik een tijdje geleden las, vraagt de hoofdpersoon zich af hoe hij fatsoenlijk moet blijven in een onfatsoenlijke samenleving. Dat deed me denken aan mijn werk bij 113. Ik zeg niet dat Nederland een onfatsoenlijke maatschappij is, maar dat er om ons heen, in onze eigen straat, in onze eigen buurt, zoveel verdriet en eenzaamheid is, vind ik onverdraaglijk.

„De meeste bellers en chatters hebben het nooit eerder met iemand over hun zelfmoordgedachten gehad. Voor veel van hen is de onbespreekbaarheid van het onderwerp een grote last, die de doodswens sterker maakt. Van de mensen die een geslaagde zelfmoordpoging hebben gedaan, is de helft in de maand vóór hun dood bij de huisarts geweest; bij maar zeven procent zijn hun suïcidale klachten tijdens het consult ter sprake gekomen. Het is een van de missies van 113 om ervoor te zorgen dat de vraag ‘denk je weleens aan zelfmoord?’ vaker gesteld wordt, zowel door zorgverleners als door familie, buren, docenten en collega’s.

Dat je nooit weet of je iemand daadwerkelijk hebt kunnen helpen, is part of the deal

Ger Ceelen

„De dood op zichzelf hoeft niet per se triest te zijn. Zelfmoord is dat wel. Soms, als iemand al eerder een poging gedaan heeft, komt het niet als een complete verrassing voor de nabestaanden, maar de onbeantwoorde vragen, die je als ouder, partner, zoon of dochter zo kunnen kwellen, die zijn er altijd. Heb ik iets nagelaten waarmee ik het had kunnen voorkomen? En: kende ik hem of haar wel echt? In mijn eigen omgeving heb ik verschillende suïcides meegemaakt. De eerste keer, dertig jaar geleden, was de schok het grootst. Het ging om een vriendin van mijn partner, ik kende haar ook goed: een inspirerende, sociale, geestige, knappe vrouw, die op het oog een fijn bestaan leidde. De dag waarop ze zichzelf van het leven beroofde, had ze gewoon tot vijf uur gewerkt. ‘s Middags had ze nog een vergadering voorgezeten. Niemand maar dan ook niemand van haar familie of vrienden had het zien aankomen. Goed, ze treurde om een verbroken relatie, maar dat ze niet meer wilde leven, daar had niemand aan gedacht. Ze bleek haar afscheid zorgvuldig te hebben voorbereid. Zo had ze van al haar boeken bepaald wie ze zouden krijgen na haar dood. Op de schutbladen had ze haar eigen naam doorgestreept. Voor iedereen die haar liefhad, en dat waren er veel, was het volslagen onbegrijpelijk.

Lees ook het interview met Zjos Dekker, haar broer pleegde zelfmoord: „Ik was boos op hem. Jij bent er tussenuit en ik moet nu met die depressie blijven leven, dacht ik.”

De andere suïcides die ik van dichtbij meemaakte kwamen niet zo volstrekt uit het niets, omdat ze eerder depressief waren geweest, maar toch steeds onverwacht, en steeds weer zorgden ze voor datzelfde machteloze gevoel.

„Van mijn twee wekelijkse diensten – van elk één dagdeel – ben ik er een op het 113-kantoor in Amsterdam en een doe ik thuis. Op de bovenste verdieping heb ik een speciaal hoekje gemaakt, waar ik telkens twintig meter kabel naar toe sleep, dwars door het huis, omdat een vaste internetverbinding nodig is vanwege de chats die niet onderbroken mogen worden door haperende wifi. Het is bijna een ritueel, zoals ik ook altijd mijn armbanden afdoe voor ik begin, waarom weet ik eigenlijk niet. Jos, mijn vriend, vraagt na afloop altijd hoe het was. Soms vertel ik hem wat, maar vaak ook niet. Dan zoek ik liever de stilte op, en blader wat door een tijdschrift, zonder iets te lezen. De gesprekken, gemiddeld zo’n drie per dienst, klinken dan na in mijn hoofd.

„Dat je nooit weet of je iemand daadwerkelijk hebt kunnen helpen, is part of the deal. De jongen in het bos die zo hard huilde, is tegen een boom gaan zitten toen ik hem dat vroeg. Uit ons gesprek daarna bleek dat hij nog een zus had, met wie hij weinig contact had maar die hem misschien wel zou kunnen helpen. De jongen zou haar vragen om de volgende dag samen met hem naar de huisarts gaan. Ik kan alleen maar hopen dat hij dat ook echt gedaan heeft.”

Praten over zelfdoding kan bij de landelijke hulplijn ‘113 Zelfmoordpreventie’. Telefoon 0900-0113 of www.113.nl