Recensie

De gemeentesecretaris zwaait met zijn geweer

Michael Fehr De Zwitser Fehr schreef een prozagedicht dat speelt met je verwachtingen: het is óók een krimi.

Wie Simeliberg van Michael Fehr (1982) openslaat, kijkt direct naar de vorm van de tekst: eerder dan van een roman moeten we spreken van een lang prozagedicht, met meer wit dan tekst op de bladzijden. Uiterlijk en inhoud botsen in dit geval echter behoorlijk: Fehr speelt met de verwachting van al dan niet overdreven verhevenheid in zowel taal als thema, die door deze epische vorm wordt gewekt.

Simeliberg verhaalt over de Duits-Zwitserse Griese (denk aan Griesgram, Duits voor chagrijn of kniesoor), die als buitenstaander door het bergdorp waar hij woont met argwaan wordt bekeken. Hij krijgt als gemeentesecretaris het bevel een oude man op te halen die ervan wordt beschuldigd zijn eigen vrouw te hebben omgebracht. Zo zet zich een in elkaar hakende serie gebeurtenissen in gang, die Griese in een steeds kwader daglicht stelt. Daarbij werkt de lokale overheid niet bepaald mee: de arme man raakt verstrikt in allerlei regels, en ziet in de loop van het verhaal steeds meer beschuldigende pijlen op zichzelf gericht.

Toneelachtige dialogen

Wie op basis van het poëtische uiterlijk van dit krimiverhaal verwacht dat hij door een ritmische tekst zal worden meegevoerd, moet zijn verwachtingen bijstellen: de schrijver bedient zich van alledaags taalgebruik, waarin metaforische mooipraterij wordt vermeden. Dat is niet gek: op de afgelegen boerenberg waar Grieses drama zich voltrekt, is geen ruimte voor talige schoonheid. Eerder lijkt het juist alsof Fehr wilde voorkomen dat de lezer in te toneelachtig aandoende dialogen zou verzanden: ieder gesprek is realistisch van toon. Simeliberg is gevuld met plat gepraat van politiemannen en hakketakkerige telefoongesprekken met overheidsinstanties, die Griese tot waanzin drijven met hun van-het-kastje-naar-de-muur-sturen.

Op die momenten komt de door Fehr gekozen vorm het best tot zijn recht: net als in poëzie ontstaat in die stukken mysterie, omdat de woorden aan de andere kant van de lijn zijn weggelaten. Ook de hakkelende herhaling die zulke halve gesprekken kenmerkt, komt in deze poëtische vorm goed tot zijn recht.

Daarnaast vraagt de mal waarin Fehrs proza gegoten is meer aandacht voor de tekst zelf: waar het puur plotgerichte verhaal zich bezighoudt met de vraag wie de misdaad heeft gepleegd, dwingt al dat wit de lezer om te pauzeren. Ondanks het feit dat Simeliberg iedere vorm van dichterlijkheid lijkt te vermijden, vinden we nog steeds herhalingen (‘dat ze die vrouwen niet meer hebben gezien / dat ernaar gekeken moet worden / dat ie niet koosjer is / die ouwe man daarbeneden / dat daar een luchtje aan zit / zeker weten’) en terugkerende motieven (Grieses afwijkende uiterlijk en ongeladen geweer, waarmee hij zonder schroom in de rondte zwaait).

Gebroeders Grimm

Ook benadrukt deze vorm de tragikomische onhandigheid van de gemeentesecretaris, die door misverstanden van de ene onprettige situatie in de andere rolt. Bovendien heeft Fehr met deze vorm de lat hoog gelegd: in poëzie is ieder overtollig woord een doorn in het oog. Die belofte lost hij zonder meer in.

Simeliberg verwijst naar het verhaal over Ali Baba en de berg Sesam uit Duizend-en-één-nacht. In navolging daarvan tekenden de gebroeders Grimm het verhaal op van een berg die oneindig veel schatten bevat. Waar een arme man alleen de hoeveelheid goud meeneemt die hij nodig heeft om zijn gezin te voeden, probeert zijn broer de inhoud van de hele berg mee te roven – een misdaad waarvoor hij uiteraard wordt gestraft.

Tussen kwaadaardig gedrag en boete bestaat in Fehrs versie helaas niet zo’n duidelijk verband: als lezers zien we toe hoe Griese continu de criminele kant op wordt gestuurd. Natuurlijk kunnen we daarin een kritiek lezen op rompslompige overheidsprocedures – maar gelukkig dringt die politieke boodschap zich, mede dankzij de originele vorm, nooit op een storende manier op de voorgrond. Laten we hopen dat Fehr met Simeliberg een breed krimi- én poëziepubliek aanboort.

    • Anne van den Dool