Recensie

Concurrent van de aardse machten

Katholieke kerk

In deze geschiedenis van het katholicisme in Europa is het alsof de auteurs een herfstzonnetje laten schijnen op een kerk in donkere tijden. Ze ontkomen niet aan een zeker ongemak.

Foto iStock

Het is nogal een waagstuk: in 2018 een handboek publiceren over een religie met ernstige reputatieschade. Want wat moet je schrijven over een godsdienst waarvan de bedienaars uitblonken door ‘de zonde van het vlees’, zich lieten leiden door hun lichaam, ‘die zak vol bloed, drek en sappen’, zoals de ooit hoerende en snoerende theoloog Augustinus het noemde? En waar, naar steeds vaker blijkt, alles gebeurde met medeweten van de hogepriesters zelf, de bisschoppen. Dat het een kerk van zondaars is, zoals dezelfde Augustinus al in de vierde eeuw schreef. Allicht. Maar verder? Elke halve, driekwart, een vierde of voormalige katholiek kent de reflex: je wilt iets van dat kolossale bouwwerk dat ooit vertrouwd en waardevol voelde overeind houden. Je gaat op zoek naar geloofwaardigheid van een instituut dat als geen ander zijn eigen geloofwaardigheid ondermijnt. En je komt tot de ontdekking dat je loyaliteit eigenlijk niet uit te leggen is.

Die dubbele houding – van afkeer en trouw, distantie en betrokkenheid – tekent het boek Het katholicisme in Europa. De auteurs erkennen dat het dikwijls een zootje was, maar ze gaan nadrukkelijk op speurtocht naar ‘het goede’ dat het instituut ook heeft nagelaten, naar de fundamenten van ‘solidariteit, individuele vrijheid en gelijkheid’ die door de Verlichting zouden zijn losgezongen van ‘de christelijk geïnstitutionaliseerde vormen waarin zij aanvankelijk gestalte kregen’.

Historisch ongemak

Hun kerk is die van Erasmus en niet die van aflaten- en luchtverkoper Johannes Tetzel (1465-1519) of van de roomse conservatief Antoine Bodar. Ze kijken met de welwillende blik van toe-eigening, de laatste reddingsboei van ruimdenkende gelovigen in ongelovige tijden, naar kerk en wereld. De oplossing voor het historische ongemak blijkt even eenvoudig als opmerkelijk: onze moderne samenleving is evenzeer het werk van een kerkhervormer als Ignatius van Loyola (1491-1556) als van Voltaire. Alles wat van waarde is zat al in het christendom besloten, tot aan de afbraak van het eigen onwrikbare gedweeë mensbeeld toe. Zo moeten we het zien: als een geloof met de inherente kwaliteit tot secularisatie.

Een laatste strohalm? Of valt er iets voor te zeggen? Laten we de auteurs volgen in hun verhaal. Het christendom, schrijven ze, begon als een extreem morele gemeenschap waar niet theologische maar morele zuiverheid het criterium was voor iemands positie. Het had ook een naam van niks. De eerste afbeelding van Christus is een spotprent in graffiti van een gekruisigde ezel met gelovige.

Tot zover alles in orde, wat de historische positie van het instituut op de schaal van goed en fout betreft. Alles wordt anders – problematisch vanuit het gezichtspunt van de onfeilbare zijkant – als het christendom echt mee gaat doen in het ondermaanse en het eind vierde eeuw van een vervolgde tot een toonaangevende godsdienst wordt. Op dat moment begint de verwereldlijking, wordt theologische rechtzinnigheid onderdeel van machtsstrijd en worden puurheid en deugdzaamheid een toegift en zelfs bij tijd en wijle een randverschijnsel. De kerk gaat een concurrentiestrijd aan met de aardse machten die ze uiteindelijk zal verliezen. Ze zal tevergeefs ijveren voor een soort theocratie, oftewel voor een soort algemene wereldleiding van de paus; ze zal bij gebrek aan werkelijke macht het spirituele en morele gezag over de mensheid opeisen, om die door zwaar geërodeerd ethisch aanzien te verliezen, en uiteindelijk weer mikpunt van spot worden zoals ‘in den beginne’. Ditmaal niet wegens haar exotische marginaliteit, maar wegens haar (seksueel) machtsmisbruik.

De auteurs beschrijven alles wat in een handboek thuishoort. De Joodse wortels van het christendom dat van oorsprong een Joodse sekte was; de eindeloze debatten tussen kerkvaders; de onderlinge schisma’s en verketteringen; de investituurstrijd tussen paus en keizer met de ‘Canossagang van Hendrik IV (die bij de heilige vader op blote voeten vergeving gaat vragen om weer mee te kunnen tellen); het theologisch-filosofische geknutsel om kijk op hemel en aarde te verenigingen, bekend onder de noemer scholastiek; de reformatie en de katholieke contrareformatie; de eeuwenlange machtsgreep van Rome ten koste van kerkvolk, bisschoppen en concilies; de restauratie van de zelfvoldane negentiende-eeuwse kerk; en ten slotte het befaamde Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) waar de kerk bijvoorbeeld voor het eerst erkent dat de dood van de Verlosser niet kan worden toegeschreven ‘aan alle Joden die destijds leefden, noch aan de thans levende Joden’.

Alles komt voorbij, zonder ook maar een zweem van triomfalisme, dat oude handboeken eigen is. In plaats van verwesterlijking is er besef van multiculturele oorsprong. Zo hebben de auteurs het over ‘de berber Aurelius Augustinus’, en de ‘Palestijnse theoloog Justinus Martyr’. Dat leest heel verfrissend voor wie is opgegroeid met het idee dat Jezus kraakwit en lelieblank was en alles wat na hem kwam ook, van apostel Paulus tot en met moeder Maria.

Maar hoe zit het met het seculariserend zelfreinigend vermogen van de kerk? In het historische proces van afnemende betekenis schuift het instituut van God ontegenzeggelijk op in de richting van de aarde. Maar ligt het intrinsiek besloten in de aard van het georganiseerde christendom om plaats voor de godheid af te staan ter wille van de mens? De auteurs staan vrij uitvoerig stil bij de door de Jezuïeten gepraktiseerde en verdedigde biechtpraktijk die de gelovige een eigen rol zou geven in de positionering tegenover het Opperwezen. ‘De genade en de goddelijke voorbestemming’ kwam erdoor op de tweede plaats, schrijven ze. ‘De menselijke vrijheid kwam plots voorop te staan.’ Dat zijn heel grote woorden voor een instituut dat in het beste geval de vrijheid schonk om te geloven. En het zijn ook heel grote stappen. Een paar regels verder gaat het al over noties als ratio en autonomie, die het stilaan wonnen van begrippen als gehoorzaamheid.

Het lijkt erop dat de auteurs een herfstzonnetje laten schijnen op een kerk in donkere tijden, al is het maar door haar talent voor automutilatie te verheffen tot een kenmerkende kwaliteit. Toch voelt het alsof je een bouwvakker hoort die bij een instortende villa staat: dat het ding door zijn fundamenten zakt, is ook onze verdienste, want wij hebben die zelf gelegd.

    • Jos Palm