Zijn kinderen slechter af dan hun ouders?

Essay

Nederlanders zijn hun vooruitgangsgeloof kwijtgeraakt. Twee op de drie verwachten dat hun kinderen het financieel minder zullen hebben. Redacteur Menno Tamminga ziet de somberte over de economie sterker worden.

Cyprian Koskielniak

Die kleuren, die titels. Als vanzelf werden mijn ogen naar de etalage gezogen. In m’n vaste boekwinkel lag een lint van De eilandenruzie, het kinderboekenweekgeschenk, met de strijdende presidenten van Costa Banana en Costa Kanaria. Daarachter verdrongen zich boeken als Lampje, Bedtijdverhalen voor rebelse meisjes en Ze gaan er met je neus vandoor, een poëzieboek. Kunnen mijn jeugdboeken – De Kameleon, de Vijf brandweermannetjes of Het wegje in het koren van de stichtelijke schrijver W.G. van de Hulst – daartegenop? Ach, nee. Wat een geweldige tijd is het nu voor de nieuwe generatie lezende kinderen.

Toch blijkt m’n gevoel van optimisme misplaatst. Nederlanders zijn in de economische crisis hun vooruitgangsgeloof kwijtgeraakt.

Drie jaar geleden dacht de koning in de Troonrede dat met het economisch herstel het vertrouwen kan terugkeren dat „ook toekomstige generaties het beter krijgen”.

Niet dus.

De economie mag dan glorieuze groeicijfers laten zien, de crisis van 2008-2015 mag dan officieel overwonnen zijn, de toekomst is op haar retour.

Eerder dit jaar peilde de Amerikaanse denktank Pew Research de stemming in 27 landen. Hoe staat de wereld ervoor, tien jaar na de crisis? In Nederland zei 85 procent van de ondervraagden dat het hun economisch goed gaat. Maar op de vraag of hun kinderen het financieel beter zullen krijgen, kelderen de ja-antwoorden naar 35 procent. Een verschil van 50 procentpunt. Nergens in de 27 onderzochte landen is die kloof zo breed.

Voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog overheerst volop de angst dat jongeren van nu slechter af zullen zijn dan hun ouders.

Stagnatie van lonen

In juli 2016, pal ná het Brexit-referendum en vier maanden vóór de verkiezing van Donald Trump, zette het onderzoeksinstituut van adviesbureau McKinsey de toon met Poorer than their parents. In dat rapport stellen de onderzoekers dat de crisis, automatisering en de stagnatie van de lonen de sociaal-economische orde op zijn kop zetten. De welvaartsgroei van generatie op generatie verandert in een terugslag. Dat was toen een verrassende conclusie.

Nu is dat de consensus in bijna de hele westerse wereld. Om een onderzoek van vorig jaar van regeringsadviseur WRR, de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, te citeren: „Deze verkenning laat zien dat aan de vanzelfsprekendheid van sociale stijging en het daarmee verbonden optimisme een einde is gekomen.” De WRR gaf de verkenning de titel De val van de middenklasse? Met een vraagteken.

Onze teruggang is andermans stijging. In het Verre Oosten is het vooruitgangsgeloof actueel. In Indonesië denkt 75 procent van de bevolking volgens de Pew-peiling dat kinderen hun ouders financieel zullen overtreffen. Een eerder Global trends-onderzoek van Ipsos in 23 landen, zonder Nederland, bevestigt de tweedeling in optimisme tussen Oost en West.

Hoe vielen de burgers in Nederland van hun vooruitgangsgeloof af? Één thema blijkt dominant, leerden de onderzoekers van de WRR in gesprekken met mensen in de middengroepen.

Onzekerheid.

Dat woord verbindt specifieke Nederlandse beslissingen met mondiale trends. De eerste onzekerheid is de arbeidsmarkt. Niet zo gek, na de economische crisis. Loonstijgingen zijn tergend traag. Over de laatste twaalf maanden: 2,2 procent.

Nergens groeide het aantal flexibele arbeidscontracten zo snel tussen 2007 en 2017 als in Nederland. Het gaat om zeker 30 procent van de werkende bevolking. Hoe jonger, hoe hoger het percentage. De sussende rechtvaardiging dat ‘flex’ een opstapje is naar een vast contract, blijkt een illusie.

De sussende rechtvaardiging dat ‘flex’ een opstapje is naar een vast contract, blijkt een illusie

De crisisangst wil niet wijken. Wat gebeurt er met mijn baan als gevolg van robotisering of kunstmatige intelligentie? Je hoeft het niet aan den lijve te ondervinden, constateren de WRR-onderzoekers, deprimerende rapporten zijn er genoeg. Welk beroep is veilig?

Nog zo’n vraag: hoe zal het gaan in de volgende crisis?

Wie werkloos wordt of wie iets anders overkomt, krijgt sneller dan voorheen te maken met de versoberde welvaartsstaat. Dat is onzekerheid drie. Het sociale vangnet is smaller geworden, de overheid is zuiniger. Je bent als burger eerder op jezelf en je eventuele eigen reserves aangewezen bij werkloosheid.

De verhitte huizenmarkt is de vierde onzekerheid. In de Randstad zijn de banen. Maar de huizen zijn onbereikbaar duur. Huren? Woningcorporaties hebben hun aanbod aan huurhuizen voor middengroepen juist moeten inkrimpen. Want: niet hun doelgroep met de smalle beurs.

Onzekerheid vijf, buiten de WRR-studie: de dreigende klimaatontwrichting. De Koude Oorlogsgeneraties hadden de atoomangst, maar dat was ver van je bed. Of de bom viel, beslisten twee supermachten. Maar het klimaat wordt ‘gemaakt’ door individuele keuzes: vliegen (of niet), vlees eten (of niet), kinderen krijgen (of niet).

Gele hesjes

„Één van de redenen waarom mensen opstandig worden, is dat ze vrezen dat hun kinderen slechter af zullen zijn dan zijzelf”, analyseerde topeconoom Willem Buiter twee weken geleden in NRC. Die opstandigheid zie je alom. De gele hesjes in Parijs. De kiezer in het stemlokaal. De studie van McKinsey ontdekte dat burgers die een achteruitgang ervaren duidelijk negatievere opvattingen hebben over twee thema’s: vrijhandel en immigratie. Precies de hoofdpunten in de pro-Brexit- en de Trump-campagnes. Precies de twee thema’s die ook in Nederland een duidelijke scheidslijn markeren. Hogeropgeleiden, die doorgaans een hoger inkomen hebben, staan eerder positief tegenover deze twee onderwerpen, lageropgeleiden en mensen met lagere inkomens denken er eerder negatief over.

Deze tweespalt komt terug in een overweldigende, mondiale anti-elitestemming. In elk van de 23 landen waarin Ipsos vorig jaar peilde voor zijn Global Trends-onderzoek zei de meerderheid (gemiddeld 76 procent) dat de economie doorgestoken kaart is ten bate van de rijken en de machthebbers. Vergelijkbare percentages zeggen over de overheid: die geeft niet om mensen zoals ik. De ‘crisis van de elites’ noemt Ipsos dat.

Anders gezegd: wie verkiezingen wil winnen, moet zich als de anti-alleskandidaat afficheren. Anti-elite, anti-media, anti-Europa, anti-onafhankelijke rechtspraak.

De consequenties van de onzekerheden in het dagelijks leven zie je om je heen. Starters op de arbeidsmarkt moesten in de crisis genoegen nemen met een lager inkomen dan daarvoor, becijferde hoofdeconoom Peter Hein van Mulligen van het Centraal Bureau voor de Statistiek twee jaar geleden. En juist aan het begin van je carrière maak je de grote stappen. In de crisis was de eerste klap geen euro, maar een gulden waard. En menigeen heeft dan al een studieschuld.

Een groeiend percentage jongvolwassenen blijft thuis wonen bij hun ouders. Flex-contractanten en dagloners stellen gezinsvorming en kinderen langer uit. „Die generatie lijkt zo onzeker over de toekomst dat ze zich niet aan kinderen waagt”, observeerde voormalig hoofddemograaf Jan Latten van het CBS laatst in dagblad Trouw.

Koophuizen zijn in toenemende mate alleen betaalbaar voor jongeren als ze geld van hun ouders krijgen. Wie dat huis eenmaal heeft gekocht, weet dat de rente en aflossing alleen betaald kunnen worden als er ten minste anderhalf inkomen wordt verdiend. Beide partners moeten werken. Wie zijn baan verliest, zal eerder ander werk met minder loon en slechtere voorwaarden accepteren om de vaste lasten toch te kunnen blijven betalen.

Natuurlijk is niet alles kommer en kwel voor de jeugd van tegenwoordig. Een Britse commissie die eerder dit jaar het krakende sociale contract tussen generaties onderzocht, vroeg mensen ook wat het leven van jongeren nu béter maakt dan dat van hun ouders. Bovenaan staan de toegang tot informatie en entertainment (74 procent), de mogelijkheden van buitenlandse reizen (51 procent), goed onderwijs (44 procent) en jezelf kunnen zijn (42 procent).

Natuurlijk kan Nederland wat doen aan de onzekerheden op bijvoorbeeld de arbeidsmarkt. Flex-contracten en daglonerschap zijn geen natuurwet of door God gegeven, maar politiek-economische keuzes. Die kunnen ook weer ongedaan gemaakt worden.

Nostalgie als vluchtheuvel

De onzekerheden stoken twee politiek brisante thema’s op: angst voor de toekomst en hang naar nostalgie. In een lezing getiteld Why are we so miserable when things are getting better legde directeur Minouche Shafik van de gerenommeerde London School of Economics onlangs een direct verband tussen die angst voor de toekomst en stemgedrag. In 21 van de 22 Amerikaanse staten die het kwetsbaarst zijn voor banenverlies door automatisering stemde men op Trump. In de 15 staten die het minst kwetsbaar zijn, stemden de kiezers op Hillary Clinton.

Als de toekomst je tegenstaat, is nostalgie een vluchtheuvel. Make America Great Again. Populistische partijen doen dat meesterlijk. Terug naar het ‘paradijs’, toen het land homogeen en onbedorven was. Lees: zonder (moslim)immigratie. De jaren vijftig van de vorige eeuw. Toch kan elke partij deze kaart spelen en haar eigen gouden decennium kiezen. De jaren zeventig, toen de linkse verbeelding aan de macht was. De jaren negentig, toen vakbonden over de looneisen zeiden: vragen is krijgen.

De ironie van de nostalgie is dat het sentiment teruggrijpt op een tijd dat het vooruitgangsgeloof springlevend was.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.

    • Menno Tamminga