Ook een radiator is een kunstwerk volgens Bauhaus

100 jaar Bauhaus Goede producten met eenvoudige vormen voor de massa. Museum Boijmans eert de enorme invloed van Bauhaus met een expositie.

Het gebouw van Bauhaus in Dessau, ontworpen door Walter Gropius.
Het gebouw van Bauhaus in Dessau, ontworpen door Walter Gropius. Foto Sandra Smallenburg

Het is moeilijk voor te stellen wat een chaos het moet zijn geweest in het Duitsland van 1919. Na vier jaar oorlog lag het land in puin. Overal doolden jongeren rond, straatarm en totaal gedesillusioneerd, zonder idee hoe het verder moest. De keizer was gevallen. In Weimar werd de eerste Duitse democratie uitgeroepen. Opeens was het romantische Thüringer stadje de hoofdstad van de nieuwe republiek.

In datzelfde Weimar, niet ver van het nieuwe parlement, richtte de Berlijnse architect Walter Gropius op 1 april 1919 het Bauhaus op. Deze nieuwe academie moest een plek zijn waar architectuur, schilderkunst en beeldhouwkunst zouden samensmelten. Gropius was zelf soldaat geweest en had de gruwelen van dichtbij meegemaakt. Hij had grootse, utopische ideeën en beschreef die in zijn Bauhaus-manifest. „Laten we samen het nieuwe gebouw van de toekomst creëren, [...] dat naar de hemel zal reiken uit de miljoenen handen van ambachtslieden, als een kristallen symbool van een nieuw geloof.” Op de voorkant van het pamflet prijkte een houtsnede van een expressionistische kathedraal, gemaakt door kunstenaar Lyonel Feininger.

Het waren een soort hippies avant la lettre, die alles vanaf de grond wilden opbouwen

Mienke Simon Thomas Museum Boijmans

„Die rondzwervende jongeren zagen dat manifest met die kathedraal en dachten: daar wil ik heen”, vertelt Mienke Simon Thomas van Museum Boijmans Van Beuningen, terwijl we door de berkenbossen en glooiende velden van Thüringen richting Weimar rijden. Als senior-conservator toegepaste kunst en vormgeving werkt ze al jaren aan een expositie over de invloed van het Bauhaus op de Nederlandse vormgeving en architectuur, en andersom. nederland – bauhaus: pioniers van een nieuwe wereld, georganiseerd in het kader van het honderdjarige jubileum, is de eerste expositie over die wederzijdse wisselwerking. Het is tevens de laatste tentoonstelling voordat Boijmans zal sluiten voor een grote renovatie.

nederland – bauhaus wordt vormgegeven als een groot netwerk van personen, scholen, werkplaatsen, verenigingen, tijdschriften en exposities – met het Bauhaus als het schitterende middelpunt. Simon Thomas: „We willen laten zien hoe de lijnen liepen, wat de kanalen waren, waar de kunstenaars elkaar ontmoetten. In een tijd zonder internet of televisie werd er toch heel intensief gecommuniceerd. Auto’s waren er nog amper, maar er werd volop gereisd. Er waren Nederlanders die in Weimar lesgaven en iedere maand heen en weer gingen met de trein, een trip van zeventien uur.”

Monika Buch, oefening voor docent Tomás Maldonado op deHochschule für Gestaltung in Ulm, 1956.

Foto HfG-Archiv, Ulm.

Drie Nederlandse docenten gaven les aan het Bauhaus: Mart Stam, Piet Zwart en Johan Niegeman. Gropius had ook graag de architect J.J.P. Oud aangetrokken, maar die wilde niet. Vanuit Nederland trokken er acht studenten naar het Bauhaus. Een van hen was Paul Citroen, die in 1922 in Weimar arriveerde. „Hij herinnerde zich vooral dat iedereen er zo naar knoflook stonk”, lacht Simon Thomas. „Een van de docenten, de Zwitser Johannes Itten, was nogal esoterisch ingesteld en vond dat iedereen vegetarisch moest eten. Om de academie heen lagen overal groentetuintjes. Het waren een soort hippies avant la lettre, die alles vanaf de grond wilden opbouwen.”

Exportproduct

Slechts veertien jaar heeft het Bauhaus bestaan, net zo lang als de Weimarrepubliek. In die periode moest de school twee keer onder politieke druk verhuizen: in 1925 naar Dessau en in 1932 naar Berlijn. Na Gropius waren er nog twee directeuren: Hannes Meyer volgde hem in 1928 op en in 1930 kwam Ludwig Mies van der Rohe aan het hoofd te staan. In totaal hebben er 1.400 studenten uit 29 verschillende landen onderwijs gevolgd. Zij hebben het gedachtengoed over de hele wereld verspreid. Zo kan het dat een school die zo kort bestaan heeft een van de invloedrijkste exportproducten van Duitsland werd. Nog steeds is de invloed wereldwijd terug te vinden in modern design en hedendaagse architectuur.

De school in Weimar waar het allemaal begon, een gebouw uit 1911 van de Belgische architect Henry van de Velde, bestaat nog steeds. Het heet nu Bauhaus-Universität en is sinds 1996 Unesco werelderfgoed. Nog altijd lopen hier kunststudenten rond, en hangen er in de lange gangen werkstukken aan de muren. Studenten sjouwen met maquettes dezelfde krakende houten trappen op die honderd jaar geleden werden bewandeld door Gropius en zijn volgelingen. De muurschilderingen die docent Oskar Schlemmer in 1923 in het trapportaal aanbracht, zijn gerestaureerd en weer net zo fris en kleurrijk als destijds.

Gropius trok bekende kunstenaars aan om les te geven in Weimar, onder wie Paul Klee, Wassily Kandinsky, Josef Albers en László Moholy-Nagy. Het eerste half jaar moesten alle studenten een introductiecursus volgen, de Vorkurs, waarbij ze hun traditionele kunstopvattingen dienden te vergeten. Hierbij moesten ze eerst terug naar de basis: naar vorm, kleur en materiaal. Pas daarna mochten ze zich specialiseren. Er waren werkplaatsen voor metaalbewerken, boekbinden, drukkunst en weefkunst, later kwamen daar nog glas en keramiek bij.

Prospectus ontworpen door Herbert en Irene Bayer (1927).

Particuliere collectie Nederland/ DerdaBerlin

De Nederlandse kunstenaar Theo van Doesburg was aanvankelijk erg van de ideeën van het Bauhaus gecharmeerd en wilde er graag komen lesgeven. Zijn tijdschrift De Stijl werd op het Bauhaus goed gelezen. Uit de exemplaren die in de bibliotheek lagen, hadden studenten vrijwel alle afbeeldingen gescheurd. „Maar Gropius vond Van Doesburg te recalcitrant”, vertelt Simon Thomas. „Dat weerhield hem er niet van om in 1921 toch naar Weimar te komen en de boel flink op te stoken. In de avonduren gaf hij alternatieve cursussen in zijn atelier, als een soort tegenbeweging.” Begeleid door tromgeroffel proclameerde hij zijn ideeën over rechte lijnen en primaire kleuren. „Die lessen waren heel populair. Zo had Van Doesburg wel degelijk invloed op de modernere koers die het Bauhaus vanaf 1923 is gaan varen.”

De conservatieve politici in Weimar hadden vanaf het begin problemen met de vrijgevochten geesten van het Bauhaus. Er werd veel gefeest en gedanst, het liefst in de mafste zelfgemaakte kostuums. Homoseksualiteit werd geaccepteerd, travestie ook. Naaktmodellen werden niet ingehuurd, de studenten trokken gewoon zelf de kleren uit. Leraren trouwden met studenten. In de zomer zwommen de Bauhäusler naakt in de Saale, tot grote ergernis van de lokale bevolking.

In 1925 maakte de overheid van Thüringen bekend dat ze de contracten van Walter Gropius en zijn docenten niet zouden verlengen. De directeur besloot daarop zijn school te verhuizen.

Willem Hendrik Gispen, hanglamp Giso 22, 1927.

Foto Ad van den Bruinhorst.

Dessau

Het is slechts anderhalf uur rijden van Weimar naar Dessau, maar zo tuttig en idyllisch als Weimar aandoet, zo grauw en industrieel oogt Dessau. Het was juist die industrie die een grote aantrekkingskracht uitoefende op Gropius, vertelt Florian Strob, curator van de Stichting Bauhaus Dessau. „Frankfurt en Mannheim hadden het Bauhaus ook wel gewild, maar hier had je de vliegtuigfabriek van Hugo Junkers. Vanaf 1923 was de focus van het lesprogramma verschoven van ‘kunst en ambacht’ naar ‘kunst en techniek’. Er werd samenwerking gezocht met de industrie om serieproductie mogelijk te maken. De stalenbuizenmeubels zijn zo ontstaan. Met de vliegtuigen van Junkers konden ze bovendien over het gloednieuwe academiegebouw vliegen, luchtfoto’s maken, en zo een echt nieuw perspectief op stedenbouw tentoonspreiden.”

Binnen een jaar stampte Gropius zijn nieuwe school uit de grond: een superstrak gebouw van glas, staal en beton, met een karakteristieke loopbrug tussen de twee schoolblokken. Toen het in 1926 werd opgeleverd, kwamen architecten van heinde en verre kijken. Onder hen ook de Rotterdamse architect Leen van der Vlugt, die drie jaar later de Van Nellefabriek bouwde. „Die vliesgevel was tot dan toe alleen nog maar een enkele keer in fabrieken toegepast, nooit in een academie”, vertelt Strob. „Gropius wilde een open gebouw, als symbool van een totaal nieuwe geest. Je kon de studenten vanaf de straat zien werken achter het glas. Maar het was ook onpraktisch, want ijskoud in de winter en bloedheet in de zomer.”

Strob laat zien hoe de ramen met kettingen en katrollen konden worden geopend. Hij wijst op de radiatoren die, vreemd genoeg, op ooghoogte hangen, als schilderijen. „Immers: technologie is kunst.” Het grappige is wel, vult Mienke Simon Thomas aan, „dat de meest populaire producten van het Bauhaus destijds het behangpapier en interieurtextiel waren. Met die toch best burgerlijke producten verdienden ze het meest.”

Gropius had zijn kantoor in het midden van de loopbrug. De directiekamer ligt er nog precies zo bij als in de jaren twintig, met een bakelieten telefoon op een groot, leeg bureau. Zelfs de geur doet historisch aan: een combinatie van boenwas en linoleum. Boven de bureaustoel van de directeur hangt een lamp van tl-buizen die als een soort halo een heilige van hem maakte. „Tegelijkertijd staat de gele stoel voor gasten niet voor maar náást het bureau”, merkt Strob op. „Die opstelling was minder hiërarchisch.”

Als de schemer valt, en de verlichting in het glazen gebouw aangaat, gloeit het Bauhaus op als een zwevend ruimteschip. We wandelen langs typische DDR-flats naar de Meisterhäuser, een paar honderd meter verderop. Deze hypermoderne docentenvilla’s werden in 1926 gebouwd door Gropius: eentje voor zichzelf en drie twee-onder-een-kapwoningen voor zijn collega’s. Smetteloos wit staan ze tussen de hoge pijnbomen. De tuinen, afgezet met lage metalen relingen, mochten van Gropius alleen uit kortgemaaid gras bestaan. Bloemen waren veel te frivool. Maar de huizen zelf, met ingebouwde vaatwasmachines, ventilatoren en strijkplanken, werden door de kunstenaars wel van persoonlijke accenten voorzien. Zo vulden Feininger en Klee hun huizen met antiek, en verzamelde Kandinsky Indische kunst en Russische iconen.

Wassily Kandinsky, Gelbe Mitte, 1926, olieverf op doek, 62 x 54 cm.Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam.

Foto John Tromp

Maar ook in Dessau kon het geluk niet voortduren. De nationaal-socialisten eisten in 1932 de sluiting van de academie. Daarop verhuisde het Bauhaus nog kortstondig naar een oude telefoonfabriek in Berlijn. Maar na een inval van de nazi’s viel op 19 juli 1933 definitief het doek.

„Na de sluiting vertrokken zo’n 25 Bauhaus-leden naar Nederland”, vertelt Simon Thomas. „Ze begonnen er werkplaatsen, gingen op academies doceren of ontwierpen voor de Nederlandse industrie. In Amsterdam startte Paul Citroen in 1933 de Nieuwe Kunstschool, een particuliere kunstopleiding waar een aantal Bauhäusler ging lesgeven. Zo duurde de invloed van Bauhaus nog lang voort.”

Na de oorlog kon het Nederlandse publiek de meubelen en handgeweven stoffen van de Bauhaus-ontwerpers kopen in de moderne interieurwinkel Metz & Co in Amsterdam. „En ook de Bijenkorf verkocht veel Bauhaus-gerelateerde producten”, zegt Mienke Simon Thomas. „Maar je ziet de Bauhaus-idealen ook terug in de IKEA. Eenvoudige vormen, goede producten met strakke designs, gemaakt voor de massa – zonder het Bauhaus was IKEA er nooit geweest.”

nederland – bauhaus:pioniers van een nieuwe wereld. 9 febr t/m 26 mei in Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam. Inl: boijmans.nl
    • Sandra Smallenburg