Recensie

Recensie Boeken

Mislukte plaagstoot naar de literatuurwetenschap

    • Roos van Rijswijk

Johan Harstad De Noorse cultauteur schreef tussendoor een bundel met vijftien ‘microromans’ van soms één zin over de privédetective Heterdaad. Slechteriken doen precies wat hij vraagt, met een te verwachten resultaat.

Johan Harstad (Stavanger, 1979) had in Nederland een tijdlang een soort cultstatus. Zijn verhalenbundel Ambulance (2014) en de roman Buzz Aldrin, waar ben je gebleven? (2006) werden omarmd dankzij een kenmerkende combinatie van droge humor, precieze formuleringen en iets als hoopvolle zwaarmoedigheid. Met de groots opgezette roman Max, Mischa & het Tet-offensief won hij dit jaar nog de Europese Literatuurprijs. Tijdens het schrijven aan dit megaproject pende Harstad als verstrooiing Heterdaad: vijftien ‘microromans’ (de hoofdstukken tellen soms één zin) over de privédetective Heterdaad. Slechteriken doen precies wat hij vraagt, waardoor spanning bij voorbaat uitgesloten is. De Heterdaad-verhalen zijn door de fictieve Bruno Aigner, professioneel annoteur, voorzien van 252 noten. Hij leidt het boek in met een biografie van de in eenzaamheid overleden, onbegrepen en eveneens fictieve schrijver Brandeggen.

Lees ook de recensie van Max, Mischa & het Tet-offensief: Oh Amerika, land van dromen en oorlog

Dat klinkt wat vermoeiend, en dat is het ook. Heterdaad is zo’n flauwe exercitie dat het je na tien keer heen en weer bladeren wellicht aan kracht ontbreekt om nog een pagina om te slaan. Aangezien Heterdaad weinig biedt buiten guitige dijenkletsers (‘Maar hij zag niets. Hij deed zijn ogen open. Dat hielp’) en een afwijkende vorm, kun je van de weeromstuit op zoek willen gaan naar een diepere betekenis, een bedoeling desnoods. En in de noten kun je van alles lezen. Niet alleen Aigners levensverhaal (gebbetje, want dat hoort helemaal niet in een notenapparaat!), maar ook een verwijzing naar een boek dat Harstad eerder over een plaat van rockband Motorpsycho schreef en dat kennelijk voor de helft uit annotaties bestond. Het zal een plaagstoot zijn naar de literatuurwetenschap, de kritiek, kunstbeschouwing, waar als je maar lang genoeg schrijft en een trits filosofen en/of David Lynch aanhaalt altijd wel iets te maken valt van een tekst of een klodder klei tegen de muur. Ook zijn schrijvers zelf hartstikke raar natuurlijk, met hun onderzoek, klaagzangen, vernieuwingsdrift en geldingsdrang. Et tu, lezer, die braaf van tekst naar noot en weer terug bladert?

Microromans

Literatuur, kunst, is een afspraak. Vaak wordt eraan gemorreld, vaak wordt erop geschoten. Wat Harstad hier ongetwijfeld met plezier heeft geproduceerd, heeft daar niets mee te maken. Het zijn expres slechte ‘microromans’ die dus slecht blijven, met commentaar dat parodieert, maar zich daarbij vooral op veilig open deuren richt. Bovendien zijn noten die grappig bedoeld zijn in hun saai- en taaiheid nog steeds taai en saai. Inconsequent is het ook. Aigner is neergezet als uiterst serieus in zijn bewondering voor Brandeggen, maar komt regelmatig over als ironische verslaggever: ‘Oei’, ‘Hm’, ‘Brandeggen wist niks van boksen. Hélemaal niks.’ En waar hij de ene keer de moeite neemt een (fictief) persoon of werk tot in de puntjes toe te lichten, volstaat hij een andere keer met een vage frase. Je zou als verklaring van deze losheid kunnen aanvoeren dat Aigner aan z’n laatste klus bezig is. Of misschien moeten we er een filosoof bijslepen: Heidegger of Kant zou lekker zijn. En David Lynch. Of we slaan het boek dicht en wachten tot Harstad weer iets anders uitbrengt dan een tussentijdse verstandsverbijstering.