Lerend vermogen

Mensen zitten op een bankje en kijken voor zich uit. Freek Schravesande gaat naast hen zitten en vraagt wat hen bezighoudt.

Roland Blokhuizen

‘Kijk, dat hek daar, aan de overkant. Daar klom ik als jongetje van acht overheen, geholpen door mijn moeder. Gauw hout rapen voor het noodkacheltje en weer terug. De Duitsers mochten je niet zien.” Het is lunchtijd en de 82-jarige Ben zit met een boterhamzakje op een bankje in het Sarphatipark in Amsterdam. Hij groeide op in de Lutmastraat, vlakbij, en ziet het barre laatste oorlogsjaar nog voor zich. Het hele park was kaal gesprokkeld, bomen werden stiekem in stukjes gezaagd. Want uit de gaskraan kwam niets. „Het was koud, écht koud. Je sliep onder alles wat je maar vinden kon.” In de straat was een Wehrmachtkazerne. Kreeg je in ’43 van die soldaten nog weleens een tomaat, in ’45 bleef je bij hen uit de buurt. „Raus!”

Zijn vader werkte in een meelfabriek, dat hielp. De directeur had wat voorraad achtergehouden en uitgedeeld aan zijn personeel. Vader liet het meel ’s nachts rijzen en bracht het de volgende dag naar een bakkerij die nog stoken mocht. Het jongste zusje van Ben ging in de kinderwagen mee. „Lag ze op de terugweg op het warme brood.”

Zijn vader had sowieso geluk, zegt Ben, inmiddels rechtop zittend. Bij een razzia werden die winter alle mannen tot veertig jaar oud op straat aangehouden en naar een werkkamp gestuurd. Zijn vader kon zijn legitimatie tonen. „Hij was nét de dag ervoor veertig geworden.”

Ben denkt niet zoveel meer aan de oorlog. Ja, elke eerste maandag van de maand. Telkens opnieuw die „harde herinnering” aan het luchtalarm dat klonk als de Engelse bommenwerpers overvlogen en hij met het gezin schuilde in het trapgat tot het hele zooitje weer verdwenen was. En als hij op tv de gruwelijkheden in Syrië ziet. Of Trump hoort praten en hij niet begrijpen kan dat een volk dáár niet doorheen prikt. Zoiets moet niet te lang doorgaan, denkt hij dan.

Maar 73 jaar is een lange tijd, zo voelt Ben het ook. Niet dat hij zich oud voelt. Hij kijkt glinsterend uit zijn ogen. Als je nog gezond bent, voel je je niet oud. Wel ouder. Denk aan alle mensen die hij in de tussentijd verloren heeft. Twee zussen, een zoon, veel kennissen. Zij hebben de nieuwe metrolijn vlakbij, waarvoor hij vandaag naar zijn oude buurt trok, niet meer kunnen meemaken. En denk aan de vooruitgang van techniek. Na een studie elektrotechniek stichtte hij een gezin, kreeg vier kinderen, ging werken bij IBM en verhuisde naar Amstelveen. Op de computercursus in Duitsland zat hij nog aan een apparaat zo groot als een huis. „En moet je nu eens kijken.”

Ben heeft niets tegen Duitsland, hij is er vaak geweest. Hij zag Duitse boerengezinnen huilen in het oorlogsmuseum, beseffend wat er was gebeurd. Zelf wist Ben óók niet alles. „Hoewel”, zegt hij, „we wisten dondersgoed wat er met de Joden gebeurde en dat dat weinig goeds voorspelde. Als je zag hoe bruut ze werden afgevoerd.”

Hij stond eens bij het raam toen lawaai klonk en door de straat een overvalwagen reed. Ben zag hoe zijn Joodse buurjongen, speelkameraad, moest instappen. „Weg daar bij het raam!” riep zijn moeder. Pottenkijkers, daar hield de bezetter niet van. Kijken was riskant. De jongen heeft hij nooit meer gezien.

De mens hééft lerend vermogen, denkt Ben, starend naar het hek waarover hij als jongen klom. „Alleen past-ie het niet altijd toe.”