Kussentje

Het Bankje Mensen zitten op een bankje en kijken voor zich uit. gaat naast ze zitten en vraagt wat ze bezighoudt.
Roland Blokhuizen

‘Zag je die man daar?” Ad de Water is een grote vent in legerkleding met een grijze krulsnor, type Hulk Hogan. Hij wijst naar een bankje aan de overkant van het plein, waar iemand zojuist is opgestaan met een kussentje onder de arm. „Zit er elke dag, net als ik. Dat kussentje, dat moet van zijn vrouw. Want die moet zijn broek wassen. We pesten ’m er altijd mee.”

In het centrum van Woerden heeft de 66-jarige Ad zijn vaste bankje, scooter voor de neus. Soms staan er wel vijf, zes mensen bij. Woerdenaren van de oude garde. En soms zit Ad er in z’n eentje, ook prima. Rechterarm over het bankje geslagen, telefoon in de hand, beetje kijken.

Maar de man met het kussentje wisselt. Die gaat zitten waar hij bekenden ziet. En als er niemand is, is-ie zo weer weg. „Ik kwam er via via achter dat-ie over me lulde.”

En dat wil je niet want de man met het kussentje, dat was de oude postbode. Die liep altijd door Woerden en kent iedereen. „Hij had gezegd dat ik niet te vertrouwen was, dat ik verslaafd ben geweest.” Achttien jaar, heroïne, maar dat is alweer lang geleden. Ad, twee kinderen, heeft zijn leven al jaren weer prima op orde. Dus toen Ad hoorde over het geroddel is hij voor die man gaan staan en heeft hij ’m eens „goed gewaarschuwd”. Sindsdien blijft de man met het kussentje uit zijn buurt. „Hij kijkt altijd weg.”

Ad heeft in zijn leven van alles gedaan. Spuiterij, schoonmaak, wasserij. Nu is hij met pensioen. Hij is getrouwd, gescheiden – „met een vrouw met borderline valt niet te leven” – en woont nu samen met zijn poezen en zijn 29-jarige zoon.

Van zijn pensioengeld heeft hij een Puch besteld, zo’n oude met een hoog stuur, motortje voorop. „Dit is een onding”, zegt hij wijzend naar zijn huidige scooter, een gestroomlijnd model. „Wil je van deze de bougies vervangen, dan moet de hele kap eraf. Gewoon om geld aan te verdienen. Terwijl, zo’n Puch zit alleen met vier bouten vast.”

Ad is niet eenzaam, maar wel „eenzaam naar het verleden”. Liefst zou hij teruggaan in de tijd. Naar de flowerpower, „hasj, gitaar, kampvuur”, of ietsje later, „lopen met de atoombom”, of desnoods naar de tijd dat internet de winkels in het centrum nog niet verdrongen had. Toen was het hier nog hártstikke druk, ook rond dit bankje. „Koopavond, iedereen winkelen tot negen uur en daarna een terrasje.”

Het is nu stiller op straat, „iedereen is meer op zichzelf”. Soms weet Ad niet waar hij de gezelligheid nog vinden moet. Dan gaat hij maar zeevissen op de Maasvlakte of op de pier in Scheveningen.

Ook zijn zoon, deels afgekeurd, zit thuis hele dagen achter de computer. Laatst vertelde hij zijn vader dat hij al drie jaar verkering heeft, met een meisje uit Indonesië. De zoon is er nog nooit geweest. „Pas op, kijk uit!” was de eerste reactie van Ad. „Ze bedondert je, is alleen uit op je geld, een verblijfsvergunning!” Maar Ad heeft laatst meegekeken, zag hij haar moeder via de iPhone, ze kan heerlijk koken, hoorde hij.

Echte liefde? Ad denkt van wel. „Elke middag om twee uur zit hij achter de computer, dan is het daar tegen de avond. Begint-ie te blozen. En dan blijft hij met haar praten tot ze slaapt, úrenlang. Al die uren, zij dus ook. Dat doe je niet als het geen echte liefde is.”