Recensie

Recensie Boeken

Een vader-zoonrelatie in een ziekenboegroman

Julien Ignacio Het debuut van Ignacio is een originele vader-zoonroman. Aan het ziekbed van zijn zoon wordt de vertellende vader namelijk niet zozeer in beslag genomen door gedachten aan zijn zoon, maar aan zijn eigen vader en eigen jeugd.

Het is dat het zo’n heikel onderwerp is, maar anders zou je zeggen dat de vader met het zieke kind uitgegroeid is tot een kleine trend in het Nederlandstalige romanlandschap. Want behalve Peter Terrin (Port mortem, 2012) leverden bijvoorbeeld ook Mark Boog (Het lot valt altijd op Jona, 2011) en Ronald Giphart (IJsland, 2010) boeken af met een wakende vader. Het is de ultieme situatie, daar aan zo’n ziekenhuisbed, relativerend op allerlei niveaus. Of, zoals het personage Giph het kraakhelder en illusieloos verwoordde in IJsland: ‘Ik denk niet dat ik me ooit een vollediger mens voelde dan toen ik als ouder in het ziekenhuis zat, van de wereld verlaten, vechtend voor mijn jongen.’

Maar dan moet je er wel eerst geraken, in zo’n ziekenhuis. Want de vader in Kus, het romandebuut van Julien Ignacio (1969), is zo’n vader die daar nou niet meteen helemaal gewenst is. Hij en de moeder van een jongen die na een ongeluk in een coma is beland, leven met elkaar in onmin en ze voelen er weinig voor om gezamenlijk bij het bed te zitten. Er wordt besloten dat zij er overdag zal zijn en dat hij de nachten voor zijn rekening neemt.

Pakje sigaretten

Ignacio heeft hiermee natuurlijk dé situatie voor een vader-zoonroman gecreëerd: de moeder doet niet mee en die nacht, dat moment waarop de rest van de wereld op één oor ligt, is als een extra benadrukking van het vacuüm waarin de twee zich bevinden. En een vader-zoonroman is Kus ook wel, maar op een heel andere manier dan je zou verwachten. Want de geest van de vertellende vader wordt aanvankelijk niet zozeer in beslag genomen door gedachten aan zijn zoon, maar door gedachten aan zijn éígen vader, aan zijn eigen jeugd. Daarin, zo heb je dan al door, bevindt zich de sleutel tot zijn eigen vaderschap, dat hij tot nu toe niet naar behoren heeft ingevuld.

Een paar zaken zijn hier heel goed gedaan. Ten eerste is de roman zo gecomponeerd dat je tergend lang in het duister wordt gehouden over waarom de duidelijk toch ooit zo zorgzame vader veranderde in de man die een pakje sigaretten ging kopen en niet meer terugkeerde. In het kleine genre van de ziekenboegroman is dit zeer welkom, die toevoeging van zo’n enigmatisch gegeven, want het plaatst het onvermijdelijke sentiment dat met de situatie gepaard gaat op de achtergrond.

Ignacio zet zijn scènes soms wel degelijk in de strijkers, maar hij doseert het en zijn roman stijgt op in plaats van leeg te lopen. Dit heeft allemaal te maken met het feit dat hier het vertellen op de eerste plaats staat; niet voor niets is achterin een dankwoord te vinden aan alle schrijvers waar im- of expliciet naar verwezen wordt. Martin Amis, Herta Müller, Maurice Blanchot: ik wist ze niet allemaal in Kus te vinden, maar volgens Ignacio zitten ze er allemaal op een of andere manier in. Kleine keuzes kleuren dit boek, zoals de keuze om de vertellende vader zijn zoon consequent in de jij-vorm aan te spreken. Als hij en zijn ex-vrouw in een zeldzaam moment gebroederlijk aan het bed zitten, staat er dit: ‘Een klop op de deur. Stemmen in het gangetje. Je moeder zette de kaart terug in de vensterbank. „Schuif je een stukje op”, zei. „Dan kunnen ze beter bij mijn zoon.”’ Dit werkt vanwege de taal, niet vanwege het leed erachter.