Hoe is het om te leven in de spookstad die Hebron is geworden?

Hebron Veel Palestijnse bewoners van Hebron voelen zich hoe langer hoe meer belegerd in hun woonplaats.

Israëlische kolonist houdt de wacht tijdens een joodse feestdag.
Israëlische kolonist houdt de wacht tijdens een joodse feestdag. Foto Hazem Bader/AFP

‘Ga nou maar”, zegt Jannat Azza (27). „Ze doen heus niets, ze komen vandaag niet.” Haar neefje en nichtje durven niet naar de winkel vijf minuten verderop, bang voor Israëlische tieners die met stenen gooien of hen bedreigen. Pas als Jannat belooft iemand vanuit een huis langs de route uit het raam te laten kijken, gaan ze – rennend over het pad waaraan ook Israëlische kolonisten wonen.

Hebron wordt wel de „microkosmos” van de Israëlische bezetting genoemd. Het is een van de weinige plekken waar joodse kolonisten midden in een Arabische wijk wonen. Hebron werd in 1997 opgedeeld in zone H1 onder Palestijns bestuur en zone H2, waar Israëlische militairen de leiding zouden houden. Het oude stadscentrum werd grotendeels een no-go area voor Palestijnen. De joodse gemeenschap wordt permanent beschermd door militairen en grenspolitie. Volgens een vorige week uitgelekt rapport van de internationale waarnemingsmissie TIPH overtreedt Israël daarbij „ernstig en regelmatig” het internationaal recht.

Hoe is het om te leven in de spookstad die dit deel van Hebron is geworden? NRC logeerde tien nachten bij een Palestijns gezin in Tel Rumeida, een van de geïsoleerde wijken.

Eén van weinige plekken waar joodse kolonisten in een Arabische wijk wonen

NRC Studio

Dag 1 woensdag

Een man met een plastic tas staat voor de ijzeren draaideur. Hij kan de dienstdoende militairen, die geen Arabisch spreken, niet uitleggen wat hij wil. Hij staat niet op hun lijst met ID-nummers. Palestijnen, inclusief naaste familieleden van bewoners, hebben speciale toestemming nodig om deze wijk in te mogen. „Zijn moeder, hij wil zijn moeder bezoeken die hier woont!”, roept een lokale activist in het Hebreeuws. De man wordt apart genomen en staat nog te wachten als iedereen al is gepasseerd. Na het checkpoint slaan de meeste mensen verplicht rechtsaf. Sinds in 1994 bij een aanslag door een joodse extremist op een biddende menigte 29 Palestijnen omkwamen, is de ooit bruisende winkelstraat Shuhada Street grotendeels afgesloten voor Palestijnen. Camera’s en militairen overzien de uitgestorven straten.

Dag 2 donderdag

Kwart over zeven ’s ochtends. De twee meisjes uit het gezin hebben hun schooluniformen al aan. Het dertienjarige zusje van moeder Jannat komt haar nichtjes ophalen om samen naar school te lopen.

Pal naast de voordeur staat een soldaat met een geweer. Langs de route naar school volgen zeker acht waarnemers van verschillende internationale organisaties de situatie. Ze zijn er elke dag voor en na schooltijd, en houden ook toezicht op andere gevoelige punten in de wijk.

Onderweg moeten de Palestijnse schoolkinderen opzij springen voor een kolonist die voorbij scheurt in zijn auto, waarmee hij, in tegenstelling tot de Palestijnse bewoners, de wijk in mag. Dit gebeurt onder het oog van een groepje internationale vrijwilligers. Als ik later even met hen praat, worden we gefilmd door een jongen die ons blijft volgen, zijn smartphone bijna in ons gezicht duwt en continu treiterende opmerkingen maakt: „Jullie komen uit Duitsland zeker? Jullie waren klaar met de joden daar en komen ze nu hier pesten? Wie betaalt jullie?”

Dag 3 vrijdag

Vanaf de verschillende checkpoints haasten mensen zich naar de Ibrahimi-moskee. Het heiligdom waar volgens de joodse en islamitische traditie Abraham/Ibrahim begraven ligt, is in tweeën gesplitst. Kogelvrij glas scheidt de bezoekers.

Na het vrijdaggebed zijn er vaak confrontaties tussen het Israëlische leger en Palestijnse scholieren bij de ingang van de wijk. Maar vandaag zijn de stenengooiende jongens nergens te bekennen. Sinds een paar weken staat het pleintje vol met Palestijnse politie op tijden dat er confrontaties worden verwacht: omwonenden en winkeliers hebben genoeg van het voortdurende traangas. Buiten het checkpoint heeft officieel de Palestijnse politie het voor het zeggen, maar zodra de Israëlische militairen in actie komen, moeten de Palestijnse agenten uit de buurt blijven.

Grafteken van de profeet Abraham.
Valerio Berdini/REX/Shutterstock
Grot van de Patriarchen of Ibrahimi-moskee.
Foto Hazem Bader/AFP

Dag 4 zaterdag

Vrouwen graaien in stapels kinderkleding, mensen verdringen zich met volle tassen bij de minibusjes. Buiten de afgesloten wijken is Hebron op zaterdagmiddag een gekkenhuis. Palestijnen komen overal vandaan om hier te shoppen. Hebron is één van de meest explosieve plekken van de Westelijke Jordaanoever maar ook de motor van de Palestijnse economie. De stad is het centrum van de schoenen- en steenindustrie, al komen de schoenen op de markt tegenwoordig uit China en Turkije. De omliggende dorpen zijn goed voor eenderde van de Palestijnse landbouwproductie.

Mensen uit andere wijken mijden de oude binnenstad steeds meer. Ze vrezen in het door Israëlische militairen beheerste H2-gebied zonder duidelijke verdenking gearresteerd te worden, zoals een broer van Jannat overkwam – of „zomaar” te worden neergeschoten. Eind 2015 en begin 2016 was er een golf aanslagen met messen door jonge Palestijnen, waarbij in Hebron zeker één Israëliër gedood werd en burgers en soldaten gewond raakten. Veel Palestijnen betwijfelen of de tientallen mensen die het Israëlische leger in die periode en daarna doodde, echt op het punt stonden een aanslag te plegen.

Dag 5 zondag

Naast de grote drama’s zijn er de kleine pesterijen. Jannat Azza heeft ijzeren hekjes voor alle ramen. „Vroeger gooiden kolonisten eieren en afval naar binnen”, zegt ze. „Nu gebeurt dat minder, maar we hangen de was toch liever binnen.”

Dag 6 maandag

Linkse partijen wilden vandaag in de Knesset, het Israëlische parlement, de mogelijkheid bespreken om joodse kolonisten uit Hebron te krijgen. De bijeenkomst werd verboden. Terwijl de Palestijnen wegtrekken en enige families moeizaam standhouden, dijen de Israëlische nederzettingen uit.

Uit de kazerne midden in de wijk klinkt stampende muziek. Vanaf de straat is een glimp op te vangen van trainende soldaten. Tot 1981 zat hier het centrale busstation. „We hadden lijnen naar Jeruzalem en naar Amman”, herinnert beheerder Deeb Al-Awiwi (78) zich. „Op vrijdagen klommen mensen door de raampjes naar binnen, zo druk was het.” Het terrein bleef „uit militaire noodzaak” in handen van de Israëliërs. In oktober keurde de Israëlische regering de bouw van appartementen op deze plek goed. Ook verderop, bij de oude groentemarkt, zijn bouwplannen.

„Het is moeilijk en soms gevaarlijk om hier te wonen, maar we hebben een sterke spirituele band”, zegt Ben Yitzchak (62), een van de joodse bewoners. „Er zijn maar tachtig families, maar dankzij onze aanwezigheid komen er elk jaar honderdduizenden joden uit de hele wereld hier.” Touringcars rijden af en aan, Arabische straatnamen in de wijk zijn veranderd in verwijzingen naar de joodse geschiedenis, en overal staan bordjes naar joodse bezienswaardigheden. Volgens die bordjes hebben de Arabieren juist de joden verdreven. In 1929 kwamen 69 joodse inwoners van Hebron om bij een slachtpartij. Arabische families redden een deel van hun joodse buurtgenoten.

Ben Yitzchak vertelt dat zijn eigen zoons in het verleden stenen hebben gegooid naar de buren. „Ik was daar tegen, maar je moet begrijpen dat ze hier onder grote spanning leven.” Op de vraag of hij dan begrijpt dat Palestijnse jongens onder dezelfde hoogspanning ook stenen gooien, zegt hij: „Stenen kunnen doden. Als een kind mij probeert te doden, moet ik terugvechten. Dit is een oorlog.”

Dag 7 dinsdag

Als ik ’s avonds in het donker aankom bij het checkpoint, zitten 14 Israëlische soldaten met geweer in de aanslag geknield achter betonnen roadblocks. Op de hoek een groepje Palestijnse tieners. Even later trekken de soldaten zich terug achter het checkpoint . „Als ze terugkomen gaan we weer”, zegt één van hen. „Het is echt een spel geworden.” Een spelletje wie het eerst moe wordt? „Wij worden nooit moe, we zijn getraind”, zegt hij.

„In het begin had ik een hekel aan op jongetjes schieten”, zegt ex-soldaat Dean Issacharoff (26). „Uiteindelijk gaf ik mijn makkers een high five als we iemand in de knie hadden geraakt. Op den duur zie je ze als bordkartonnen doelen. Geen mensen, maar veiligheidsrisico’s.” Het geweld werd volgens Issacharoff aangemoedigd door de joodse kolonisten. Soldaten die een Palestijn hadden uitgeschakeld, kregen een bijl of een mes als beloning. Dean sloot zich na zijn diensttijd aan bij Breaking the Silence, een actiegroep die getuigenissen van Israëlische militairen verzamelt en die deze maand een nieuw rapport uitbracht met ervaringen uit Hebron.

Israëlische militairen in Hebron.

Foto Abed Al Hashlamoun

Dag 8 woensdag

Voor de zoveelste keer schrik ik midden in de nacht wakker van een militair voertuig pal onder mijn raam. De soldaten praten dwars over de stille straat over eten of Italiaanse woordjes. Soms zetten ze harde Hebreeuwse muziek aan. De dochtertjes van Jannat lijken overal doorheen te slapen – al huilt de baby vaak ’s nachts.

De militaire aanwezigheid is voortdurend voelbaar. In een huis bij het checkpoint trekt een vrouw haar kleuters naar binnen. Er zijn net een stuk of acht soldaten over haar binnenplaats gestampt – ze krijgen kennelijk oriëntatietraining in een stedelijke omgeving. In deze volgens waarnemers „rustige” week zijn onder meer een jongetje van vijf en een jongen en een meisje van veertien aangehouden. Ook werden tientallen traangasgranaten de nabijgelegen woonwijk en een school ingeschoten.

De aanwezige soldaten worden geacht beide kanten te beschermen. „Als er een probleem is, sta ik in het midden”, zegt een soldate op een kruispunt. In de praktijk is er geen sprake van neutraliteit. De joodse bewoonster die ‘Café Anat’ beheert waar een stel soldaten op het terras pauze houdt, is berucht bij Palestijnse kinderen en internationale waarnemers omdat ze beide groepen regelmatig aanvalt. Andere kolonisten brengen gratis eten of nodigen de soldaten uit voor lunches.

Dag 9 donderdag

Volgende week komen ze de keuken gratis verbouwen, vertelt Jannat. De Palestijnse overheid probeert met allerlei subsidies mensen te stimuleren in de afgesloten wijken te gaan of blijven wonen. Tevergeefs – de leegstand wordt steeds groter, de wijk steeds geïsoleerder. Jannat is één van de weinigen die met haar man is teruggekeerd naar de wijk van haar jeugd. „Ik had laatst een huilende vader aan de telefoon”, vertelt Nedal Jabari, hoofd Oude Stad van het districtsbestuur van Hebron. „Zijn drie dochters waren allemaal de huwbare leeftijd gepasseerd. Al geven we er een jaarsalaris op toe, niemand wil zich aan deze wijk binden.”

Dag 10 vrijdag

Van de ene kant komt een groep joodse studenten de straat inlopen, van de andere kant een groep bezoekers van Breaking the Silence. „Ik begrijp niets van de activisten”, zegt een soldate. „Kijk naar die jongens, dat zijn toch geen slechte mensen?”

Bij het joodse bezoekerscentrum knoop ik een gesprekje aan met een stel Israëlische meisjes uit een andere nederzetting die op bezoek zijn bij een vriendin. Ze zijn wantrouwend naar journalisten maar willen toch wel uitleggen waarom Palestijnen hier niet horen en zij wel. Dan merkt één van hen op dat mijn accent niet Nederlands is, maar Arabisch – mijn Hebreeuws is nog heel brokkelig, soms glipt er een woordje Arabisch tussendoor. Ze verklaren collectief de conversatie ten einde.

Dag 11 zaterdag

Ga ik met een Palestijns minibusje terug naar Jeruzalem of met de Israëlische busdienst? Het gezin raadt de snellere minibus aan. De Israëlische bus is volgens een soldaat veiliger. Die komt net aanrijden bij de halte tegenover de kazerne. „Opschieten”, zegt de chauffeur. „Betalen komt zo.” Hij rijdt mopperend een stukje terug omdat een meisje haar telefoon bij de halte heeft vergeten. „Het is verboden wat ik nu doe. Dit is Hebron.”

Zodra ik tussen de joodse passagiers zit, slaat hun angst op mij over. Ik kijk zelfs wantrouwend naar een Arabisch uitziend jongetje naast me. Hij is toch niets van plan? Onderweg langs diverse nederzettingen wordt de bus voller. Van deze mensen hoeft niemand uit te stappen bij een checkpoint, zich te laten fouilleren of zijn identiteitsbewijs te laten zien. De Palestijnse steden komen alleen op afstand voorbij. Ik haal opgelucht adem als ik in Jeruzalem uitstap.