De koning begint met een vraag: hoe beleeft u deze Kerst?

Kersttoespraak Koning Willem-Alexander riep opnieuw op tot verbinding. Maar zijn toon was dit jaar positiever dan voorgaande jaren.

Foto Freek van den Bergh/RVD

Het thema van de kersttoespraak was niet nieuw: saamhorigheid. Dat is immers niet alleen een toepasselijke boodschap voor Kerst, maar ook de opdracht die koning Willem-Alexander zichzelf bij zijn inhuldiging in 2013 gaf: verbindingen leggen en uitdragen „wat ons Nederlanders verenigt”. Deze Eerste Kerstdag zei hij: „De Nederlandse norm is dat we oog hebben voor elkaar en het gedeelde belang.”

Wel nieuw was de toon die de koning koos. Willem-Alexander klonk positiever dan afgelopen jaren, op één moment zelfs bijna Ruttiaans toen hij zei dat „Nederland anno 2018 een van de beste plekken ter wereld [is]”. Al had de premier waarschijnlijk het woord ‘gaaf’ gebruikt.

De koning hield het bij „groots” toen hij omschreef hoe in vijf Groningse dorpen bewoners samenwerken: „‘Kleinschalig’, denken sommigen misschien. Maar ik denk: ‘groots’! Een beter Nederland begint in Kleine Huisjes!” Die knap gevonden dubbelzinnige verwijzing (Kleine Huisjes is een van die Groningse dorpen) was dé soundbite van deze kersttoespraak – een van de weinige momenten in het jaar waarop de koning, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de troonrede, zijn eigen woorden kan kiezen.

Niet dat Willem-Alexander voorbijging aan de zorgen die bij sommigen bestaan. Hij sprak over gevoelens van machteloosheid, van boosheid, moedeloosheid. In voorgaande jaren had hij het al over „gevoelens van onrust” (2014) en het idee van sommigen „afhankelijk [te zijn] van maatschappelijke krachten waar zij geen greep op hebben” (2013).

Nu zei hij echter: „Een leven zonder angst en onverschilligheid wordt niet alleen bepaald aan verre vergadertafels, hoe onmisbaar die ook zijn. Daar gaan we gelukkig ook zelf over.” De koning riep de burger op te (blijven) geloven in de toekomst en daarbij de eigen rol niet te onderschatten: „We zijn minder machteloos dan we denken.”

Rode draad

Willem-Alexander verwees onder meer naar 1568, het jaar van de Opstand, en daarmee het begin van de Tachtigjarige Oorlog en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden – zonder overigens die benamingen te gebruiken, noch verwees hij naar de rol die zijn voorvader Willem van Oranje speelde. Wel had hij het over „actieve burgers die ondanks alle verschillen het samen willen bolwerken”: „Dát is de rode draad die door onze geschiedenis loopt, tot op de dag van vandaag. Dat is wat ons sterk maakt.”

Maar tot een opstand riep hij juist niet op. Subtiel was de verwijzing van de koning tot polderen en het pleidooi onvrede niet tot het uiterste te uiten. In 2016 waarschuwde hij nog dat „het extreme het nieuwe normaal [lijkt] te worden”. Nu zei hij alleen: „Verreweg de meeste Nederlanders voelen zich thuis in een omgeving waarin tegenstellingen niet op de spits worden gedreven.”

Soortgelijke boodschappen hadden ook andere Europese vorsten. De Belgische koning Filip riep in zijn toespraak op problemen aan te pakken „door onze geesten open te stellen”. De Britse koningin Elizabeth zei: „Zelfs als de verschillen van mening groot zijn, is de eerste stap naar begrip het behandelen van de ander met respect en als een mens.”

Een vraag

Nieuw was ook de manier waarop koning Willem-Alexander de kijker en luisteraar toesprak. Tot nu toe wendde hij zich alleen aan het einde rechtstreeks tot zijn publiek met een kerstwens. Dit jaar begon meteen met een vraag: „Hoe beleeft u deze Kerst?” Op tweederde van de bijna zes minuten durende toespraak zei hij over de Verklaring van de Rechten van de Mens: „U denkt misschien: ‘Wat moeten we met zo’n verklaring?’”

Om zelf het antwoord te geven.

Het tempo van de toespraak was dusdanig dat wie zich aangesproken voelde geen tijd had te reflecteren op de vragen die de koning stelde.

    • Titia Ketelaar