Opinie

    • Frits Abrahams

Vrijwillige dodenwake

Ik wist niet wat ik zag. Er stonden vier mensen op het trottoir over de brug, voor hun voeten lag een groot, roerloos voorwerp. Of was het een dier? Ik stak de brug over en liep op hen af. Tegelijkertijd kwam er een busje van de dierenambulance aangereden. Het was een uur of tien in de morgen.

De zwaan lag er nog puntgaaf bij, zijn ogen geopend, alsof hij elk moment weer tot leven kon komen. Hij rustte met zijn rechterflank op het plaveisel. De wind speelde lichtjes door de bruin-witte veren van zijn vacht. Hij had geen zichtbare verwondingen, maar toch was hij dood, morsdood. De vier mensen, drie mannen en een vrouw, stonden zwijgend naar hem te kijken totdat de ambulance voor hen stopte.

Een man en een vrouw, beiden in uniform, stapten uit. De vrouw boog zich over de zwaan en drukte zijn ogen dicht. Er ging een rilling van verdriet door het kleine toekijkende gezelschap. Zo’n vorstelijk dier en zo machteloos gestorven.

„Ik zag hem opeens uit de lucht vallen, met zijn kop naar beneden”, zei een man. „Hij kwam voor een rijdende scooter terecht, maar die raakte hem niet. Hij heeft nog maar een paar minuten geleefd.”

Daarna hadden ze de zwaan op het trottoir gelegd en de dierenambulance gebeld. Ze lieten het dier niet in de steek, maar bleven in de scherpe kou wachten – een vrijwillige dodenwake bij een onbekende zwaan.

Ik bekeek de ophaalbrug, een vervaarlijk hoog ijzeren staketsel over de Lijnbaansgracht nabij de Willemsstraat. De zwaan moest tegen een van de palen of balken zijn gevlogen. Ik had vaak bewonderend naar de zwanen op de Amsterdamse grachten gekeken. Ze zouden een agressieve, tirannieke natuur hebben, maar aan de buitenkant zag je dat niet af. Wat een sierlijke, gracieuze dieren, en wat treurig dat ze op die grachten eigenlijk niet thuishoorden. Ze zochten en kregen er voedsel, daarna konden ze dikwijls niet meer de weg terug naar het open water vinden.

„Het gebeurt vaker”, zei de vrouw van de dierenambulance, nog gebogen over het kadaver. Ze voelde aan dat de omstanders uitleg nodig hadden om het ongeval een plaats in hun herinnering te kunnen geven. „Het is nog een jong dier, hij moet zich vergist hebben in de hoogte van het obstakel. Ze hebben een erg lange aanloop nodig om te kunnen vliegen. Het kan dat hij tegen de laagstaande zon heeft ingekeken. Het is maar te hopen dat zijn ouders het gezien hebben, anders blijven ze hem zoeken.”

Samen met haar collega pakte ze het dier voorzichtig op en droeg het naar het busje. Terwijl haar collega naast het busje bleef wachten, kwam zij terug om verder te praten met de getuigen. Ze vertelde nog wat over het gedrag van zwanen.

„Jullie doen fantastisch werk, dat mag weleens gezegd worden”, zei de vrouw van het gezelschap. „Wat jullie allemaal voor het dier overhebben.”

Ze was nog jong en hoorde bij de man die de zwaan had zien vallen. Het ongeluk moest haar diep hebben geraakt, want ze bleef nerveus heen en weer lopen. Toen de vrouw van de ambulance nog wat over andere ongevallen vertelde, zuchtte ze: „Ik wil dit liever niet meer horen.”

We bleven wachten tot de ambulance uit het zicht was verdwenen. „Gek, het heeft ook iets moois”, zei de nerveuze vrouw, „het is net iets uit een kerstverhaal.”

    • Frits Abrahams