Klaas de Zwaan: „In The Battle of the Somme maken de lege, moedeloze blikken van de soldaten indruk.”

Foto Merlijn Doomernik

Door de Eerste Wereldoorlog werd de Nederlandse bioscoop volwassen

Klaas de Zwaan docent filmstudies Nederlanders beleefden de ellende van WO I in de bioscoop. Maar alleen onder strenge voorwaarden. Om neutraliteit te bewaren.

Ordinair vermaak, zo plat als een dubbeltje: dat vond de Nederlandse elite van de bioscoop aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. Er was zelfs sprake van heuse ‘bioscoopangst’ bij kerkelijke en maatschappelijke voormannen. De goede zeden van het volk zouden bij frequent bioscoopbezoek in het geding zijn, zo vreesden zij. Vier jaar later was alles anders. Oorlogsfilms en -documentaires hadden van de cinema een volwassen medium gemaakt, bij uitstek geschikt om mensen het nieuws te laten meebeleven.

Dat concludeert Klaas de Zwaan in zijn vrijdag aan de Universiteit Utrecht verdedigde proefschrift Projecties van een Wereldbrand. De receptie van de Eerste Wereldoorlog in de Nederlandse bioscopen (1914-1918). Hij bekeek ruim tweehonderd speelfilms, documentaires en bioscoopjournaals en onderzocht hoe het publiek reageerde op de beelden die het kreeg voorgeschoteld. De Zwaan: „Er is in het buitenland veel meer gemaakt, maar dat kwam Nederland niet binnen. Men was als de dood dat de Nederlandse neutraliteit in het geding kwam als er hier films zouden worden vertoond die te zeer op de hand waren van één van de strijdende partijen.”

Hoe lang duurde het voordat de eerste oorlogsbeelden in de Nederlandse bioscoop belandden?

„Dat was al heel snel, een maand nadat in augustus de gevechten waren begonnen. Het waren nog geen beelden direct van het front, maar de mensen zagen wel de enorme verwoesting en de gevolgen van de Duitse inval in België. Dat had een grote impact, in combinatie met de verhalen in kranten en de stroom Belgische vluchtelingen die Nederland binnenkwam. In die brede context hadden bioscoopbeelden veel meerwaarde.”

Hoe weten we hoe mensen reageerden op wat ze zagen in de bioscoop?

„Voor de oorlog besteedden kranten weinig aandacht aan film, maar daar kwam in 1914 snel verandering in. Dagbladjournalisten deden verslag van het sentiment van kijkers in de bioscoop. Ze schreven geen recensies van de film, maar van de stemming onder de bioscoopgangers.

„Dat was nog niet zo makkelijk, want het publiek kreeg voordat de film begon te horen dat ze niets van instemming of afkeuring mochten laten blijken. Klappen en joelen was verboden, commentaar geven ook. Het was aan bioscoopeigenaren om ervoor te zorgen dat vertoningen niet uit de hand liepen, en dat is ze goed gelukt. Ik heb slechts één relletje kunnen vinden in alle kranten die ik heb doorgenomen. Wel werd er regelmatig gejuicht en gezongen. In het donker is natuurlijk niet alles in de gaten te houden.”

Hield de aandacht voor de oorlog stand toen het nieuwtje ervanaf was?

„Het bioscooppubliek wilde meer, dat was duidelijk. Maar niet meer van hetzelfde. Na een paar maanden van bioscoopjournaals die waren gevuld met taferelen uit de achterhoede, begon de aandacht te verslappen. Men hoopte op sensationele beelden van zo dicht mogelijk bij het front.

„Vanaf 1915 werden de kijkers op hun wenken bediend, eerst vooral door de Fransen. Die kwamen met avondvullende reportages, embedded oorlogsjournalistiek. Veel daarvan was geënsceneerd, maar de werkelijke oorlog drong zo wel beetje bij beetje de bioscopen binnen.

„Het hoogtepunt van dit genre is The Battle of the Somme uit 1916, over het desastreus verlopen Britse offensief van dat jaar. Deze film geeft een indringend beeld van de ellende aan het front. Het is een van de weinige documentaires waarbij doden en gewonden in beeld zijn. Ook de lege, moedeloze blikken van de soldaten maken indruk. Je ziet hen écht lijden.”

„Overigens was ook deze film gedeeltelijk in scène gezet. Er is één beroemde passage waarin je een oprukkende Britse soldaat in het niemandsland ziet neervallen, maar dat is dus speciaal voor de filmploeg gedaan.”

Dit was de tijd van de stomme film. Hoe probeerde men de kakofonie van het front op de bezoekers over te brengen?

„In elke bioscoop was wel een strijkje en in de belangrijke bioscopen in de grote steden vaak een heel orkest. Die speelden niet alleen liedjes, maar waren ook gespecialiseerd in het maken van realistische oorlogsgeluiden. Daarbij was natuurlijk een belangrijke rol weggelegd voor de trommels en pauken.”

Waren de geallieerde films populairder bij het publiek dan die van de Duitsers?

„De Duitse films waren veelal bedoeld als een lofzang op keizer Willem II, zoals de speelfilm Wenn Völker streiten. De censuur verbood echter het afbeelden van staatshoofden van de strijdende partijen, en aan het eind van deze film waren beelden van de echte Kaiser te zien. Die moesten er dus worden uitgesneden. Het Pruisisch militarisme was sowieso niet populair bij het Nederlandse publiek.

„Dat wil nog niet zeggen dat propaganda tégen de Duitsers gemakkelijk zijn weg vond naar de bioscoop. Niemand wilde bijvoorbeeld zijn vingers branden aan de Amerikaanse film The Kaiser, The Beast of Berlin uit 1918. Importeurs kochten die film niet in, omdat ze wisten dat hij nooit door de censuur zou komen, hoeveel ze er ook in zouden knippen.”

Waarom was de overheid zo bang dat bioscoopfilms de neutraliteit in gevaar zouden brengen?

„In Rotterdam zaten veel internationale handelslui, en in Den Haag had je natuurlijk alle diplomaten. Die gaven aan hun thuisland door wat de stemming in Nederland was. Daarom was men vooral in die steden heel streng. In Amsterdam was de censuur coulanter. De regering wilde niets doen om de Duitsers of geallieerden een alibi te geven om Nederland bij de oorlog te betrekken. Want iedereen was het na het zien van al die gruwelijke oorlogsbeelden over één ding eens: het vredelievende Nederland had het met zijn neutraliteit toch maar goed bekeken.”

Wat leerde Nederland nog meer van de films die in de oorlog werden vertoond?

„Dat filmpropaganda heel effectief kan zijn. In 1917 verscheen Holland neutraal. Dat was een twee uur lange film die was gemaakt naar het voorbeeld van de documentaire Britain Prepared, die in 1916 in Nederland was vertoond. In de Nederlandse film was een rol weggelegd voor koningin Wilhelmina. Veel bioscoopgangers vonden het prachtig om beelden van haar te zien, maar er kwam ook kritiek. Het medium film mocht dan in sommige opzichten minder omstreden zijn geraakt tijdens de oorlog, maar dat wilde nog niet zeggen dat de vorstin kon worden gebruikt in een propagandafilm waarin de staat van het Nederlandse leger veel beter werd voorgesteld dan hij in werkelijkheid was.”

    • Bart Funnekotter