Het Nederlands voetbal: er mag weer voorzichtig gedroomd worden

Voetbaljaar 2018 Na de crisisperiode kende het Nederlands voetbal dit jaar een opleving. Opeens waren ze daar, de parels voor de toekomst.

De symboliek is tastbaar in de Johan Cruijff Arena, deze zomerse zaterdagavond half oktober. Memphis Depay beslist het duel tegen Duitsland, rent naar een hoek van het veld en viert met een paar supporters zijn doelpunt. Juist Depay, de spits die vaak onder vuur lag en zich soms onbegrepen en onbemind voelde.

Onder zijn aanvoering wordt het vernieuwde Oranje letterlijk in de armen gesloten. Een jaar nadat de ploeg veel kritiek kreeg omdat in hetzelfde stadion een collectieve ereronde uitbleef na een duel tegen Bulgarije. Op deze avond keert de geestdrift en volksvreugde terug – Oranje heeft de gunfactor weer.

Nederland, voetballand, herwon dit jaar zijn zelfbewustzijn, na de uitzichtloze crisisjaren met twee gemiste eindtoernooien en het clubvoetbal dat wegzakte in Europa. De revitalisatie kreeg gestalte in de tweede helft van 2018. Er kwam weer wat kleur op de wangen, eelt op de voeten. Er mag voorzichtig weer gedroomd worden.

Talenten ontbolsterden, in de proeftuin van het Nederlands voetbal en op Champions League-niveau. Opeens waren ze daar, parels voor de toekomst – Steven Bergwijn, Pablo Rosario, Denzel Dumfries, Frenkie de Jong en kopstuk van de nieuwe lichting: Matthijs de Ligt.

Zijn groei is indrukwekkend. Zijn pièce de résistance dit jaar was wellicht in Rotterdam, toen hij tegen wereldkampioen Frankrijk het sterrenkind Kylian Mbappé van de bal zette, met een combinatie van kracht, behendigheid en onverschrokkenheid. „Ik pak de bal af. Ja, dat gebeurt gewoon”, zei hij.

De erkenning kwam in de vorm van de Golden Boy Award, de verkiezing tot beste Europese voetballer onder de 21 jaar. De Ligt kan straks kiezen uit topclubs. Hij blijft er nuchter onder, de jongen uit Abcoude. „Het begin is er, maar alle dingen kunnen nog beter”, zei hij onlangs in NRC.

‘Beste verdediger ter wereld’

Met De Ligt (19) en Liverpool-verdediger Virgil van Dijk (27) is Nederland de komende jaren verzekerd van een fysiek sterk duo, centraal achterin. Het fundament waarop gebouwd kan worden. Oud-topspeler Ian Wright noemde Van Dijk zaterdag bij het BBC-programma Match of the Day „de beste verdediger van de wereld op dit moment”. Wright: „Hij heeft alles.”

In het programma werd een statistiek getoond: tot de komst van Van Dijk kreeg Liverpool onder coach Jürgen Klopp gemiddeld 1,2 doelpunten per wedstrijd tegen, sinds zijn overstap begin dit jaar is dat aantal gedaald naar een half. Liverpool leidt in de Premier League, vrijdag maakte Van Dijk de 2-0 bij Wolverhampton.

De vraag is hoe deze premature opleving van het Nederlands voetbal – in de breedste zin – verklaard kan worden. „Het is deels toeval”, zegt Simon Kuper, internationaal sportschrijver en auteur van het boek Dure spitsen scoren niet. „De Ligt en De Jong hadden ook vijf jaar eerder geboren kunnen worden.”

Volgens Kuper speelt het een rol dat buitenspelers nu anders worden opgeleid. „Er was een fase dat alles overgeorganiseerd was: veel passen, balbezit, dominant voetbal op de helft van de tegenpartij. Dribbelaars werden ontmoedigd.” Spelers zoals Arjen Robben braken niet door.

Een jaar of „vijf tot tien geleden” kwam in de opleidingen de omschakeling in denken en kregen flankspelers meer vrijheid om te dribbelen, zegt Kuper. Hij wijst op buitenspelers als Bergwijn, Arnaut Groeneveld en Justin Kluivert die zijn doorgebroken. „Dat zijn spelers die we heel lang niet hebben gehad.”

Andere factor is volgens Kuper dat Nederland geografisch gunstig ligt, dicht bij drie van de beste voetballanden ter wereld: Duitsland, België, Frankrijk. „We zitten op de juiste plek om te leren en om ons te meten met de top. Het gat is vrij klein nu, Nederland kan meekomen met die landen. Dan kan je in principe, als alles goed valt, straks weer halve finale WK spelen. Dat zou niet heel gek zijn.”

Overwintering Champions League

Een aantal beleidsmatige keuzes en aanstellingen heeft het Nederlands voetbal goed gedaan. Ajax dat de salarisgrens danig verhoogde en de portemonnee trok voor spelers uit de Premier League. In combinatie met de sterke visie van coach Erik ten Hag en de eigen kweek die zich nadrukkelijk profileerde, leidde dat mede tot overwintering in de Champions League, voor het eerst in dertien jaar.

Bij PSV zorgt de talentvolle coach Mark van Bommel voor nieuw elan. Het was misschien ook nodig, een fris gezicht, na vijf jaar en drie landstitels onder Phillip Cocu. PSV is aantrekkelijker gaan spelen – energieker vooral. Aanvalsleider Luuk de Jong is weer tot leven gekust door Van Bommel en ook jonge spelers ontplooien zich zienderogen.

„Alles valt of staat met de ontwikkeling van spelers bij hun clubs”, zei bondscoach Ronald Koeman vorige week in een gezamenlijk interview in vakblad VI met de coaches van de topdrieclubs. „Dat dit nu zo snel gaat, is voor mij als bondscoach prettig, geef ik meteen toe. Ik ben daarvan afhankelijk, heb niet het vermogen en de tijd ze te ontwikkelen.”

Tekst loopt door onder de foto

Matthijs de Ligt heerst in en tegen Frankrijk.

Foto Ian Langsdon/EPA

Koeman, dus. Er was hier en daar roep om vernieuwing, om na decennia misschien weer eens een buitenlandse bondscoach te benoemen – want we waren het voetbal toch een beetje verleerd hier, leek het. Het gebeurde niet. De no-nonsense bestuurders Eric Gudde en Jan Smit – respectievelijk directeur betaald voetbal en president-commissaris bij de bond – kozen voor zekerheid: de onvermijdelijke kandidaat, Koeman.

Met succes. Hij promoveerde Van Dijk tot aanvoerder en maakte Depay diepste spits („soms doet hij me denken aan Van Basten”, zei Koeman zaterdag in De Telegraaf). Met Depays snelheid, acties en doeltreffendheid pakte die keuze uitstekend uit. Maar bovenal zorgde Koeman dat het instituut Oranje weer gerehabiliteerd werd: een uitverkiezing is weer een eer, spelers zeggen minder snel af en internationals tonen hun menselijke kant.

Zo is de hiërarchie terug in de polder. Rust rond Oranje. In de top van de KNVB wordt weer klare taal gesproken, daar waar het de laatste jaren bestuurlijk een rommeltje was. Van de nivellering in de eredivisie, waar een jaar of vijf terug sprake van was, is weinig over: Ajax en PSV heersen als voorheen.

Feyenoord blijft achter

Dissonant in het geheel is Feyenoord, de club die maar niet verder komt na de landstitel in 2017. De 4-0 nederlaag bij de Slowaakse club AS Trencin in de voorronde van de Europa League in augustus, was een ongekende afgang. Feyenoord begeeft zich in de eredivisie in een soort vacuüm tussen de toptwee (Ajax, PSV) en de subtop. In de titelrace is het al afgehaakt, met twaalf punten achterstand op koploper PSV. Het spel wordt niet beter, spelers ook niet.

Coach Giovanni van Bronckhorst zegt in het VI-interview dat zij qua budgetten „niet in de buurt” komen van Ajax en PSV. Maar dat is niet helemaal juist: Feyenoord had vorig seizoen door de Champions League-inkomsten een recordomzet van 99 miljoen, tegen 62 miljoen bij PSV en 92 miljoen bij Ajax. De spelersbudgetten (salarishuis) liggen bij die clubs wel hoger en zij geven meer uit op de transfermarkt.

Een revolutie bleef in 2018 uit in het Nederlands voetbal. De eredivisie blijft grotendeels dezelfde: achttien clubs en niet de beoogde zestien, kunstgras wordt niet verboden. Zo veranderde er weinig fundamenteels. Maar het voetballandschap oogt plots wel een stuk zonniger.