Opinie

    • Bas Heijne

De fantasietjes van de elite

Essay | Het einde van het valse engagement

Ondanks opzichtig beleden idealen jagen topbestuurders het wantrouwen in de samenleving aan. Ze acteren bezorgdheid en betrokkenheid. Wat voor elite is dat?

Illustratie
Illustratie Anne Caesar van Wieren

Toen ik een maand of twee geleden het interview met Neelie Kroes in deze krant las, verslikte ik me in mijn koffie. Het was vlak na de moord op de journalist Jamal Khashoggi in het Saoedische consulaat in Istanbul; de ex-politica en oud-eurocommissaris Kroes vertelde dat ze eigenlijk in het vliegtuig had moeten zitten voor een bijeenkomst over NEOM, het futuristische resort dat de Saoedische kroonprins Mohammed bin Salman in zijn land laat verrijzen. Tot dan stonden de internationale investeerders te trappelen om in te stappen. Maar na het afslachten van Khashoggi lag dat ineens een stuk lastiger.

Kroes was lid van de adviesraad van het project. Op de vraag waarom ze haar naam verbonden had aan het project van deze brute dictatuur, antwoordde ze: „Als ik aan tafel zit met de kroonprins, geeft dat mij de kans het met hem te hebben over mijn standpunten over bijvoorbeeld de vrijheid van meningsuiting. Maar er is inmiddels te veel gebeurd.” Vervolgens kapte ze het onderwerp resoluut af.

De rest van het interview ging het over de ongelijke positie van vrouwen in het bedrijfsleven, een geliefd gespreksonderwerp van Kroes, al blijft onduidelijk wat zij daar zelf daadwerkelijk aan bijdraagt. Bescheidenheid, zo bleek: „Ik vind het pretentieus om te zeggen dat ik daarin het verschil maak.”

Wel had ze tips voor vrouwelijke ondernemers: „Stel kansen nooit uit.”

Bam. Nog één: „Vrouwen, help elkaar!”

Kroes: „Ik zeg wel eens tegen anderen wat Madeleine Albright, voormalig minister van Buitenlandse Zaken, mij ooit zei: er is een speciale plaats in de hel voor vrouwen die elkaar niet helpen.”

Het werd braaf opgetikt en in de krant gezet – het is immers wat wij weldenkenden graag willen horen. Anders zou het ondenkbaar zijn dat een Nederlandse adviseur van de Saoedische kroonprins Bin Salman haar dubieuze associatie met een bij uitstek vrouwen onderdrukkend regime zo dwingend-nonchalant kan wegwuiven en een krantenpagina kan vullen met feministische dooddoeners.

Intussen vrees ik dat ook voor Neelie Kroes een speciaal plekje in de hel is gereserveerd. Het regime van Bin Salman heeft tal van vreedzaam demonstrerende activisten, die voor hervormingen opkomen, vastgezet. Achttien van hen zijn vrouwen. In de gevangenis worden zij, meldde Amnesty International, stelselmatig gemarteld (elektrische schokken en zweepslagen) en seksueel belaagd. Worden ze veroordeeld, dan wacht hen onthoofding.

Volgens The Wall Street Journal worden die martelingen geïnstigeerd door een naaste vertrouweling van de kroonprins zelf. De hervormingsgezindheid van Bin Salman – Saoedische vrouwen een rijbewijs en een plekje in de bioscoop – was niets anders dan quasi-progressieve windowdressing, bedoeld om het Westen de geriefelijke illusie te geven dat het daar de goede kant opgaat. Pas na de brute moord op Khashoggi kon Kroes niet langer de andere kant op kijken.

Schijnprogressiviteit is de nieuwe opium van het volk. Wie voor de bühne laat zien dat hij het hart op de goede plek heeft, dat zijn bedrijf zich inzet voor een betere wereld, kan achter de schermen gewoon zijn echte slechte gang blijven gaan.

Vraag het Sheryl Sandberg, lid van de raad van bestuur van Facebook: „At its best Facebook plays a positive role in democracy.” Onlangs werd onthuld dat zij nauw betrokken is bij de recente privacy-schandalen rondom Facebook, en bovendien persoonlijk opdracht gaf om uit te zoeken of de filantroop George Soros, die kritiek op Facebook heeft, slinks onderuitgehaald kon worden. Sindsdien weet de door haar opgerichte powerfeministische organisatie Lean In, met afdelingen in heel de Verenigde Staten, niet hoe snel ze zich van haar moet distantiëren.

Figuren als Polman, Kroes en Breukink plamuren kritiek weg achter een dikke laag idealisme

Neelie Kroes: „Het geeft voldoening nog steeds bij te dragen aan een veranderende samenleving. Dat vind ik fantastisch.”

Het gaat er niet om dat vrouwen hoogstaander zouden moeten zijn dan mannen. Het gaat erom dat betrokkenheid bij een progressieve zaak al te vaak wordt gebruikt als rookgordijn voor nietsontziend cynisme. Het feminisme van Kroes is een staaltje van image laundering, het witwassen van je reputatie. In ieder interview de vrouwenzaak belijden – en intussen je cv vullen met foute mannen.

Wie leden van de zakelijke elite wijst op een discrepantie tussen het mooie ideaal en een minder fraaie realiteit, kan rekenen op een gepikeerde, hautaine of zelfs agressieve reactie. Het afgelopen jaar is het zowat uitgegroeid tot een nieuw journalistiek genre: interviews waarin zakelijke bestuurders ons willen overtuigen van hun goede bedoelingen, met ons en met de wereld – en zichzelf vervolgens hopeloos te kijk zetten.

Begin oktober schreef Henk Breukink, commissaris bij ING, een opiniestuk waarin hij stelde dat politici het wantrouwen in de samenleving vergrootten door zo van leer te trekken tegen ING, vanwege de financiële schikking die de bank trof met de overheid na het omvangrijke witwasschandaal.

Volgens Breukink waren het niet banken als ING, maar juist Nederlandse politici die de maatschappelijke onrust op hun geweten hadden. Op de vraag van deze krant of ING het wantrouwen niet zelf heeft gevoed met zijn criminele gedrag, antwoordde Breukink gepikeerd: „Uw vraag suggereert weer: ja, maar ze doen het toch niet goed? Ja, maar ze schieten toch tekort? Dat is emotie. Dat het publiek zo reageert kan ik begrijpen. De toonhoogte van volksvertegenwoordigers mag wel een andere zijn.”

We moeten deze bezorgde woorden niet als preek voor eigen parochie opvatten, want het gaat Breukink om de publieke zaak: „Het gaat me ook niet om ING, maar om het toenemende wantrouwen in de samenleving. Daar moeten we wat aan doen.”

Jawel. Kort erna was de beurt aan Unilever-topman Paul Polman. In het AD gunde de getergde topman van Unilever ons onbedoeld een blik in de gapende kloof tussen elite en volk. Heel dat interview ademde de geest die je in Nederland vrij vaak bij mensen aan de top aantreft – omdat je zo ver bent gekomen, denken dat je overal verstand van hebt.

Polman: „De helft van wat je in de krant leest, is niet waar.”

Polman en zijn multinational hadden het beste met de wereld voor, triest dat het andersom niet het geval was. Speciaal om de komst van het hoofdkantoor van Unilever te bewerkstelligen zou in Nederland de dividendbelasting worden afgeschaft, maar dat leidde tot groot maatschappelijk verzet. Pas nadat Unilever liet weten dat de verhuizing van het hoofdkantoor niet doorging, gaf Mark Rutte toe. „Ik kreeg Mark meteen aan de telefoon. Dat moet ik hem nageven, hij antwoordt na twee minuten. Altijd.”

Dat er in Nederland discussie was over het voornemen van het kabinet, dat mocht van Polman nog net. „Op zich is het goed dat er discussie is. Maar als je een oppositiepartij hebt die zegt ‘wij gaan het meteen weer afschaffen als wij aan de macht komen’ en je weet dat regeringen in twee seconden kunnen omslaan. Dat helpt niet mee, als je hier in Engeland maar een vrij krappe marge hebt om de verhuizing erdoor te krijgen. Ik hoef dat niet uit te leggen. Waarom moet ik dat uitleggen?”

Polman had zichzelf als ultiem doel gesteld om de omzet van Unilever te verdubbelen en tegelijk de ecologische voetafdruk te halveren, volledig volgens het win-win geloof van ondernemers met een hart voor de publieke zaak. Wanneer je kinderen in Afrika leert drie keer per dag hun handen te wassen, gaf het AD als voorbeeld, sterven er minder aan diarree en verkoopt Unilever meer zeep.

Polman: „Mijn grootse zorg is het economische systeem waarin inkomensverschillen groter worden. Het wereldvoedselvraagstuk, het klimaat. Zulke problemen vereisen langetermijnoplossingen, terwijl de markt veel druk zet op kortetermijnwinst.”

Ja, en? Wanneer de interviewer van het AD Polman voorhoudt dat ook hij uiteindelijk gewoon heeft moeten buigen voor de macht van het snelle geld, barst de topman los: „Je stelt de juiste vraag niet! Waarom vraag je niet of we 600 miljoen mensen hebben bereikt met betere health and wellbeing? Of we vijf miljoen mensen hebben bereikt door banen te creëren voor kleinschalige boeren. Hoeveel van onze productie duurzaam is?”

Polman werkte zelf mee aan het opstellen van de duurzame ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties. Een van die doelen is dat bedrijven hun ‘redelijk deel’ aan belastingen betalen. Staat dat niet lijnrecht, vroeg het AD, tegenover zijn eis dat de dividendbelasting zou worden afgeschaft? Polman: „Dat staat niet lijnrecht tegenover elkaar! Jij bent werkelijk polair in je denken.”

En die zorg om de toenemende ongelijkheid? Vijf jaar geleden zei Polman nog zich voor zijn salaris te schamen, toen 8 miljoen euro. Dat was in de daaropvolgende jaren, ondanks al die schaamte, opgelopen tot 13 miljoen, variabele beloningen inbegrepen. Polman: „Elke CEO van een vergelijkbaar bedrijf verdient twee keer zoveel als ik. Zeker in Amerika. Ik heb daar nooit problemen mee, anders ging ik wel naar Amerika. […] Ik heb nooit een Maserati gereden.”

Ongelijkheid tussen man en vrouw, zorg om toenemend wantrouwen in de samenleving, de strijd voor een beter milieu, kritiek op een onrechtvaardig economisch systeem; kijk hoe die mooie idealen hartstochtelijk door de elite worden beleden. Zolang ze niet botsen met gevestigde belangen.

In Winners Take All; The Elite Charade of Changing the World klaagt Anand Giridharadas, columnist bij The New York Times en voormalig consultant bij McKinsey, juist díe mentaliteit aan: verbeter de wereld, zolang je er zelf beter van wordt. Giridharadas, die als jonge journalist werd opgenomen in het modieuze mondiale circuit van ‘thought leaders’ dat zich tussen Aspen en Davos beweegt, keert zich met zijn boek af van de klasse die bereid was hem te omarmen. Onverdroten neemt hij stelling tegen de hoogmoed van de Polmans van deze wereld. Giridharadas bestrijdt niet dat er goed werk wordt verricht, of dat de elitaire weldoeners vaak een oprechte betrokkenheid koesteren. Zijn punt is dat ze niet van plan of bij machte zijn werkelijk fundamentele veranderingen te bewerkstelligen, wanneer hun eigen belang in het gedrang komt. De welzijnsprojecten van Heineken in Afrika, zorgvuldig gedocumenteerd door journalist Olivier van Beemen, onder meer in deze krant, vertellen eenzelfde verhaal: de idealen van dit soort bedrijven zijn altijd ondergeschikt aan winstbejag.

Kapitalisten willen geld verdienen, heb je verder nog nieuws? Maar er is iets ernstigers aan de hand. Ondanks hun opzichtig beleden idealen zijn het juist figuren als Kroes, Breukink en Polman die het wantrouwen in de samenleving aanjagen, door hun morele dubbelhartigheid. Kroes laat zich fêteren door een moorddadig regime, Breukink poetst de criminele nalatigheid van een van de grootste Nederlandse banken weg en in het hoofd van Polman zijn de eisen van de Britse aandeelhouders van Unilever veel belangrijker dan de duurzame doelen van de Verenigde Naties of de sociale cohesie in Nederland. En ondertussen acteren ze bezorgdheid en betrokkenheid. Ze plamuren kritiek weg achter een dikke laag idealisme. Wat voor elite is dat?

„Waarom moet ik dat uitleggen?”

De hautaine interviews met Kroes, Breukink en Polman kun je zien als oprispingen van een generatie bestuurders die de tijdgeest uit het oog heeft verloren en niet kan verkroppen dat het spel niet langer volgens de door hen bedachte regels wordt gespeeld.

Lees ook van Bas Heijne: Laten we de Stef Blok in onszelf confronteren

Het modieus koketteren met engagement om kritische geluiden voor te zijn, heeft zijn langste tijd gehad, lijkt het. In Winners take all maakt Giridharadas korte metten met het geloof dat hij en veel van zijn generatiegenoten lang hebben kunnen koesteren, dat je heel goed rijk kunt worden en tegelijk een weldoener voor de mensheid kunt zijn. „Many of my friends are drunk on dangerous bullshit”, zei hij in een gesprek met The Guardian.

Deze week verscheen er een vernietigend stuk in The New York Times over hoe de consultants van McKinsey, het bedrijf waarvoor Giradharadas werkte, overal ter wereld autoritaire regimes een duwtje in de rug geven, waaronder Saoedi-Arabië. Tegelijk put het bedrijf zich uit in opzichtige steun voor goede doelen en duurzame projecten. Alles om het progressieve geweten te sussen.

Giridharadas: „Ik geloof oprecht dat wanneer meer instituten in dit land – en vooral degenen die zich bezighouden met beschouwen en ideeën […] – zich sceptischer hadden opgesteld ten opzichte van de fantasietjes van de elite en zich meer hadden aangetrokken van wat er echt aan de hand was in de levens van de mensen in dit land, we waarschijnlijk geen oranje Mussolini in het Witte Huis zouden hebben gehad.”

Amen. Zie het als een waarschuwing, voor ons.

Correctie: in een eerdere versie stond dat Jamal Khashoggi is vermoord in de Saoedische ambassade in Istanbul. Het was het consulaat.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.

    • Bas Heijne