Hoe de droom van Aboutaleb er uit moet zien

Opinie Het nieuwe nationaal cultureel instituut op Zuid moet bij de inhoud ook context bieden, vindt Rutger Wolfson

Een droom van burgemeester Aboutaleb is een stap dichterbij gekomen. Het Nationaal Programma Rotterdam Zuid krijgt 260 miljoen euro om het leven van de inwoners te verbeteren en een deel van dit geld is bestemd voor het ontwikkelen van een nieuw nationaal cultureel instituut.

De droom van Aboutaleb is onder meer geïnspireerd door het Centre Pompidou in Parijs, indertijd eveneens een grote culturele investering in een achterstandswijk. Een ‘Grand Projet’, gefinancierd door de Rijksoverheid. Het programma moet dan ook nationaal, of nog liever internationaal, onderscheidend zijn. Maar hoe? Ook na twee adviezen in opdracht van de gemeente, onder meer door een groep uit de Rotterdamse cultuursector zelf, ontbreekt het nog aan een overtuigende visie voor het instituut op Zuid.

Grand Projets worden voor de eeuwigheid gebouwd, vanuit een inhoudelijke visie die ook in de architectuur tot uitdrukking komt. Zodra tijden veranderen, raken ze gedateerd. In het beste geval zijn het dan monumenten voor een achterhaald wereldbeeld.

Het instituut op Zuid zou daarom een adaptief instituut moeten worden. Een overtuigende, breed gedragen totaalvisie die de tand des tijds kan doorstaan kan nu niemand geven. Laten we dit omarmen en daar juist een kracht van maken. Laten we, in plaats van alles van tevoren te willen bedenken, het gebouw en het programma voortdurend blijven aanpassen aan opgedane ervaring en veranderende behoeftes.

Geen canon maar context

Daarnaast gaat het in dit nieuwe instituut niet om canon, maar om context. Dit wordt geen traditionele culturele instelling. Een museum of podium met internationale ambities, daarvan zijn er al genoeg aan de Noordoever. En al gaven die de afgelopen jaren aan dat zij een breder en meer cultureel divers publiek willen bereiken, hun programma hebben zij niet of nauwelijks aangepast. In wezen gaat hier een soort assimilatiedenken achter schuil. Iedereen is welkom, als je je maar aanpast aan onze goede smaak. Deze instelling is niet langer houdbaar in Rotterdam en al helemaal niet op Zuid.

‘We willen wel meer cultureel divers programmeren, maar kwaliteit staat bij ons voorop’ is een veelgehoord excuus. Met kwaliteit wordt dan bedoeld: de canon van de westerse kunst en cultuur. Die bestaat uit een aantal werken die door kenners belangrijk gevonden worden. Pas wanneer je de criteria van die canon loslaat en focust op de context, kun je programmeren voor een breed en divers publiek. Dan gelden er wezenlijk andere criteria. Niet: hoe verhoudt dit programma zich tot de canon van de discipline waartoe het behoort (dans, film, kunst, literatuur, etc). Maar: is dit programma nu interessant voor deze plek, met deze doelstelling en dit publiek?

Door de canon los te laten, laat je ook het onderscheid tussen hoge en lage cultuur los. En dat is goed. Vasthouden aan hoge cultuur leidt tot assimilatiedenken en pijnlijke vertoningen. Schoolklassen en moeilijke klassieke muziek zijn zelden een succes. Het andere uiterste is Rotterdam Zuid ook wel voorbij: elkaars (lage) cultuur leren kennen door samen te koken en eten.

De bewoners van Zuid zijn de belangrijkste stakeholders van het nieuwe instituut. Zij moeten een plek krijgen in het programma, in de organisatie, als uitbaters van de horeca en in het bestuur. Dat betekent ruimte voor kunstenaars, verhalenvertellers, dansers, muzikanten, dichters en denkers van Zuid.

Maar dit wordt geen lokaal instituut. Wisselende coalities met partners uit het culturele veld biedt grote voordelen. In ruil voor hun programma en hun expertise krijgen zij de kans om te leren hoe ze een divers publiek opbouwen. Het ligt voor de hand om dichtbij te beginnen, met bijvoorbeeld IFFR, Boijmans en Theater Rotterdam. De druk om in hun eigen locaties in Noord een divers publiek binnen te halen neemt dan af, in ieder geval tijdelijk. Dit geeft hen de ruimte daar vast te houden aan hun huidige programmering.

Aandacht maakt alles mooier. Aandacht voor context maakt bijna alles toegankelijk en de moeite waard. Dat begint bij de vraag: Wat moet je van de context weten om dit programma (of dit werk) te kunnen waarderen? Door het antwoord op deze vraag te delen met het publiek, bijvoorbeeld in de vorm van een Q&A met makers of liefhebbers, kan iedereen het begrijpen. Zo leren we elkaar echt kennen en waarderen via elkaars cultuur.

Vanuit dit vertrekpunt zijn gemakkelijk concrete programma’s te bedenken. Dat moeten we samen doen. Ik ben gefascineerd door videoclips die ik op OPEN Rotterdam voorbij zie komen. Verschillende muziek van verschillende artiesten met verschillende achtergronden. Antillianen, Marokkanen, witte Rotterdammers: allemaal Feyenoordhooligans, allemaal gangsters. Internationale fenomenen als muziek, gangstercultuur, het leven in de grote stad, op verschillende manieren Rotterdams gemaakt.

Dit is mijn droom: een avond in het nieuwe culturele instituut op Zuid. Met de makers van die muziek en clips. Met liefhebbers en interessante deskundigen die duiding en context geven. Daarna feest en live optredens. Ik dacht dat ik niet van die muziek hield, maar vind het te gek en laat me helemaal meevoeren. In het moment voel ik me verbonden. We zijn allemaal Rotterdammers. En voor Feyenoord. Ja toch? OK, jij Sparta, ook goed.

Directeur Arminius

Correctie (22 december 2018): In een eerdere versie van dit stuk werd de naam van de auteur abusievelijk geschreven als Rutger Wolfsen.