Tijd voor een kerstverhaal: Kaasenbrood

Kerstverhaal Een modern kerstverhaal van Gijs Scholten van Aschat. Dat is verschenen in het boek Kom vanavond met verhalen.

Illustratie Roel Venderbosch

Het gebeurde in die donkere dagen van december, aan het eind van de vorige eeuw. Ik geef deze tijdsaanduiding niet alleen om de gebeurtenis in het juiste perspectief te plaatsen, maar ook omdat het klinkt als lang geleden. Een kerstverhaal moet immers enige tijd oud zijn. Het heeft dan als een goede wijn even gelegen, het verhaal is op dronk, klaar om verteld te worden.

Ik bevond me met mijn goede vrienden Wim, Peter, Piet en Hein – die we later nog tegen zullen komen – in een cruciale fase van onze opleiding op de toneelacademie in Maastricht. In dier voege dat met de Kerst een aantal van ons het risico liep van de opleiding verwijderd te worden. De school kende een strenge selectie en iedereen wist dat rond Kerst de eerste bijltjesdag zou plaatsvinden.

Wij werkten tot in de vroege avond op de academie aan onze scènes voor de presentatie en daarna doken we De Dikke Dragonder in om te drinken en over toneel te lullen.

Na sluitingstijd vertrokken we naar Club Royal, een kleine nachtclub.

Het was een uitgewoonde uitspanning, gedreven door een ouder echtpaar van wie de man achter de tap stond en zijn vrouw, madame Willy, bediende. Haar wil was wet. De tent was schaars verlicht met schemerlampjes aan de muur. Op de tafels lagen Perzische tapijtjes.

Wij kwamen er omdat het de enige plek was waar je nog naartoe kon op dat tijdstip. Ook de andere gasten straalden uit: wij komen hier niet voor onze lol, maar er was niets anders open.

Een man kwam aan onze tafel staan.

‘Jullie zijn de jeugd, niet? Mag ik?’ zei hij en pakte een stoel. Aan zijn accent te horen kwam hij uit Brabant.

‘Mijn naam is Kaasenbrood. Ik wil jullie iets vragen, maar eerst gaan we wat drinken.’

We wilden protesteren, want onze glazen waren net gevuld, maar dat wuifde hij achteloos weg. Hij was een jaar of vijftig, had weerbarstig kort haar dat alle kanten uit wilde, maar in toom werd gehouden door Brylcreem. Hij sprak honderduit, wilde alles van ons weten en hij bestelde maar door. Er viel niet tegenop te drinken en binnen een uur waren we allemaal zo zat als een aap.

Meneer Kaasenbrood vond het een voortreffelijk idee. Hij was ladderzat en hing in onze armen

Waar bleef de striptease? We wisten dat het niets voorstelde. Meestal bewoog een in onze ogen bejaarde dame ritmisch door de ruimte, op muziek die de baas had opgezet, en die afgespeeld werd via een cassettedeck. Af en toe wierp ze wat stoffige veren van zich af, waarna een aantal kledingstukken volgde. Dit alles gebeurde in een soort vooroorlogs discolicht. Het was alsof een oude tante optrad. Peter wist te vertellen dat ze rond Kerstmis af en toe stripte als Kerstman. Dat wilde niemand missen. Vooral meneer Kaasenbrood was na deze mededeling niet meer te houden.

We begonnen met de glazen op tafel te bonken en riepen: ‘De Kerstman moet uit de kleren! De Kerstman moet uit de kleren!’ Madame Willy kwam ons melden dat er die avond geen striptease zou zijn, omdat het nummer ziek was. Ze had het op haar bronchiën, voegde ze eraan toe.

Ik geloof dat Piet toen degene was die opperde dat wij graag wilden invallen. Er ontstond een baldadige sfeer en ook meneer Kaasenbrood vond het een voortreffelijk idee. Hij was ladderzat en hing in onze armen. De muziek ging aan, net als het discolicht en we begaven ons naar het podium.

Nu werd de rest van het publiek wakker en er werd gejoeld en geklapt. Het volume van de muziek ging omhoog, de temperatuur steeg en de eerste kledingstukken vlogen door de zaal. Vooral meneer Kaasenbrood deed erg zijn best, maar had wat moeite zich op een elegante manier van zijn schoenen te ontdoen. Hij lag meer op de grond dan dat hij stripte. De stemming zat er goed in, maar toen Piet zich met zijn rug naar het publiek draaide en tegelijkertijd zijn billen ontblootte, werd er door madame Willy ingegrepen. Dat was niet de bedoeling. Zij stormde het podium op en probeerde ons duidelijk te maken dat het leuk genoeg was geweest, maar meneer Kaasenbrood had de smaak nu pas te pakken, greep madame stevig vast en begon met haar op het podium te dansen tot hilariteit van de zaal.

Nu begon ook de eigenaar zich ermee te bemoeien. Per slot lag zijn vrouw in de armen van meneer Kaasenbrood. Toen deze de eigenaar zag naderen, maakte hij een pirouette die op dat uur en in die staat iets te veel van zijn evenwichtsorgaan vergde. Hij viel en verdween ruggelings met madame Willy achter het podium. Daarna ontstond er zo’n bende dat ik niet meer precies weet wat op wat volgde.

We werden uit de club gegooid, maar dat kon pas nadat we al onze kleren hadden aangetrokken. Nu bleek dat uittrekken nog wel meevalt als je wat gedronken hebt, maar je aankleden, en vooral als het niet jouw kleren zijn, heel wat lastiger is. Uiteindelijk stonden we halfnaakt op straat, terwijl de sneeuw naar beneden dwarrelde. Toen pas zag ik dat meneer Kaasenbrood mijn T-shirt droeg, terwijl hij de broek van Peter probeerde dicht te knopen. We kregen allemaal de slappe lach.

‘Jongens, stil effe.’ Meneer Kaasenbrood had wat te melden.

‘Jullie komen morgenavond allemaal mosselen bij mij eten.’

‘Tuurlijk’, riepen we in koor.

‘Nee, wacht nou even. Ik meen het. Als jullie mijn vrienden zijn, komen jullie morgenavond mosselen eten.’

‘We komen’, zei Piet.

‘Beloofd?’ vroeg meneer Kaasenbrood. Hij spreidde zijn armen en keek ons met zijn hondenogen aan.

Hij zag eruit als een vogelverschrikker. Uit zijn jas diepte hij een verfomfaaid papiertje op dat hij aan mij gaf. Morgenavond, zeven uur, op dit adres.

We zagen meneer Kaasenbrood als een schim verdwijnen in de vallende sneeuw. Een dronken man in een T-shirt en een schoen in zijn hand.

De volgende dag, om tien over zeven, belden we aan bij de Kleine Grindweg 17. Een benauwd rijtjeshuis met een postzegel als voortuin. De gordijnen waren dicht, de straat was stil en het was pikdonker alsof het oorlog was en er een uitgaansverbod gold.

Na een tijdje werd een gordijn opzij geschoven en keek het hoofd van een vrouw ons aan. Snel verdween het en hoorden we vaag een gesprek op ruzieachtige toon. Enige tijd later ging de deur open en verscheen de vrouw opnieuw. Ze had een peervormig lijf, gehuld in een grove roze wollen trui en een blauwe trainingsbroek. Hein gaf haar met een hartverwarmende glimlach de bloemen, die we onderweg gescoord hadden, en hij zei: ‘Deze zijn voor u.’

De vrouw antwoordde: ‘Kom verder’, en liep het huis in.

We kwamen de woonkamer binnen waar we meneer Kaasenbrood op de bank aantroffen. Ik zeg nu dat het meneer Kaasenbrood was, maar dat was op dat moment volstrekt onduidelijk. Op de bank hing iemand in een gestreepte kamerjas, het hoofd omwonden met verband, de arm in een mitella en zijn been uitgestrekt op een voetenbankje. Hij had korsten bloed op zijn wang.

‘Mevrouw, doet u geen moeite. Uw man vroeg ons met klem te komen eten, maar we willen u geen overlast bezorgen’

Mevrouw Kaasenbrood vertelde dat zij haar man vanochtend bij de eerste hulp had opgehaald, omdat hij vannacht van het talud gelazerd was. Welk talud was voor ons een raadsel. Waarschijnlijk was zijn gang naar huis via omwegen en niet zonder slag of stoot verlopen, want het leek alsof dit hangen op de bank het enige was waartoe hij nog in staat was. Zijn vrouw troonde ons met een bezorgde blik de keuken in.

‘Mevrouw, doet u alstublieft geen moeite voor ons. Wij zijn uw man gisteravond tegengekomen en hij verzocht ons met klem mosselen te komen eten, maar we willen u geen overlast bezorgen’, zei Peter toen we eenmaal in de keuken stonden.

‘En uw man moet rusten’, voegde Wim eraan toe. We wilden hier allemaal zo snel mogelijk weg.

‘Hij belooft altijd te veel, dat is zijn probleem.’

Ze wilde nog iets zeggen, maar de woorden bleven steken in haar keel, haar gezicht vervormde zich langzaam en mevrouw Kaasenbrood begon vervaarlijk te snikken.

‘Och jongens, ik ben bang dat we de Kerst niet halen.’

Met horten en stoten kwam het hele verhaal eruit. Meneer Kaasenbrood, handelaar in relatiegeschenken, had met geleend geld producten gekocht voor drieduizend kerstpakketten. Hij had afspraken gemaakt met twee grote bedrijven in de buurt die tweeduizend pakketten zouden afnemen en de rest zou hij wel kwijtraken. De twee bedrijven gingen uiteindelijk met iemand anders in zee en de afspraken die volgens Kaasenbrood kei- en keihard waren en ook nog eens op papier stonden, bleken in werkelijkheid vage toezeggingen zonder enige garantie.

Het hele huis en de garage stonden vol met flessen wijn, blikjes paté, mandarijnen op sap en zo nog meer. Meneer en mevrouw Kaasenbrood waren ten einde raad. Tot overmaat van ramp had de deurwaarder aangekondigd langs te komen en de zaak leeg te trekken als er niet vóór aanstaande woensdag 7.500 gulden, zijnde de helft van de totale schuld van ƒ15.000, op tafel kwam.

Niet alleen hadden ze voor de kerstpakketten geen afnemer, de pakketten moesten nog samengesteld worden, iets waartoe meneer Kaasenbrood op dit moment in elk geval niet in staat was.

We keken elkaar aan. We dachten hetzelfde, maar niemand van ons zei iets. Tot ik de stilte verbrak: ‘Mevrouw, misschien kunnen wij iets voor u betekenen. Maar voordat we iets beloven, moeten we even overleggen en kijken of het haalbaar is.’

‘Maar wat zouden jullie kunnen doen?’ vroeg mevrouw Kaasenbrood vertwijfeld.

‘Dat weet ik niet,’ zei ik, ‘daarover moeten we even rustig overleggen.’

‘Dan ga ik iets te drinken halen’, zei ze en verdween.

‘Wat kunnen we doen?’ vroeg ik de anderen, ‘en willen we dat?’

‘We gaan gewoon drieduizend kerstpakketten verkopen’, zei Wim. ‘Een soort gesamtkunstwerk met de hele school.’

‘Heel brechtiaans. Kaasenbrood en spelen!’ riep Peter. ‘We dienen dit in als project op school.’

‘Oké’, zei ik, ‘laten we naar huis gaan, gaan bellen, anderen mobiliseren en kijken hoever we komen.’

Mevrouw kwam binnen met vier biertjes. ‘Mevrouw,’ zei ik, ‘wij zullen ons best doen u te helpen. Een vraag: hoeveel moeten die pakketten kosten?’

‘Alle drieduizend?’ vroeg ze met grote ogen.

‘Per stuk,’ zei Piet, ‘kostprijs.’

‘Zo’n vijfenhalve gulden, geloof ik.’

We wisten genoeg. Terwijl het weer was gaan sneeuwen, namen we voorlopig afscheid van meneer en mevrouw Kaasenbrood. Op onze etage ontstond in no time het epicentrum van de actie ‘Kaasenbrood en spelen’. Iedereen die we vroegen om mee te doen – dat was eigenlijk de hele school – reageerde enthousiast. Ik denk omdat het een heerlijke onderbreking was van de stress op school. Iedereen was heel erg bezig zichzelf als kunstenaar te bewijzen en we bevonden ons allemaal in een fase waarin we af en toe behoorlijk de weg kwijt waren. De vragen ‘Wie ben ik?’ en ‘Wat wil ik?’ hadden we onszelf de laatste tijd iets te vaak gesteld. Nu konden we iets gezamenlijks doen en elk resultaat was meegenomen. We zorgden voor een wisseldienst om de pakketten samen te stellen. De verkoopprijs werd op 7 gulden gesteld.

Ik kende een journalist van de plaatselijke krant die we zover kregen een stukje over het project te schrijven met daarbij een uit te knippen bon waarmee de lezers voor een gereduceerd tarief een kerstpakket konden kopen. Een bedrijf kregen we zover dat het 350 pakketten afnam die wij vervolgens bij bejaardenhuizen en hulpbehoevenden gratis mochten uitdelen met bijbehorende kerstkaart van het bedrijf. Op de markt kregen we gratis een stand waar we pakketten mochten verkopen. Alles leek goed te gaan. Op dinsdag hadden we er al achthonderd verkocht.

Die avond ging de telefoon. Mevrouw Kaasenbrood, wederom in tranen. De deurwaarder had gebeld. Morgenvroeg stond hij op de stoep. Ik zei: ‘Mevrouw, we verzinnen wel wat.’ En ik hing op. Ik had geen flauw idee.

De deurwaarder parkeerde zijn auto om negen uur tegenover de Kleine Grindweg nummer 17. Voor het huis was een rood-wit lint gespannen wat hem verbaasde

De volgende dag parkeerde de deurwaarder zijn witte Opel om negen uur tegenover de Kleine Grindweg nummer 17. Voor het huis was een rood-wit lint gespannen wat hem verbaasde. Hij kon nauwelijks bij de bel. Nadat hij aangebeld had, zwaaide de deur open en verscheen een politieagent. De deurwaarder leek even uit het veld geslagen. ‘Ik kom voor de heer J.W. Kaasenbrood.’

De politieman keek hem aan. ‘En u bent?’

‘Verdonk, deurwaarder.’

‘Papieren.’

‘Papieren?’

‘Ja, kunt u bewijzen dat u bent wie u bent?’

‘Eh, ja.’

De deurwaarder gaf de agent zijn akte en keek de gang in. Daar zag hij een tweede agent met een lamp op iets schijnen, terwijl een andere man gebogen op zijn hurken met een kwastje in de weer was.

‘Is er iets ernstigs gebeurd?’

‘U bent een bekende van de familie?’

De agent keek de deurwaarder niet aan, maar stond met zijn opschrijfboekje in de aanslag om het antwoord op te schrijven.

‘Eh… niet echt, ik ben deurwaarder zoals u ziet. De heer Kaasenbrood heeft een aanzienlijke schuld van…’

De agent onderbrak hem.

‘Meneer Verdonk, Verdonk was het toch? Waar kunnen mijn collega’s van de recherche u bereiken voor een verklaring?’

‘Een verklaring? Waarover?’

De stem van de deurwaarder klonk al iets onzekerder.

‘Wij kunnen u hangende het onderzoek helaas geen mededelingen doen, en wij vragen u enige discretie aan de dag te leggen totdat mijn collega’s contact met u hebben opgenomen. Laat ik het zo zeggen: u heeft hier niets gezien.’

‘Ik heb ook niets gezien’, stamelde Verdonk.

‘Precies. Mag ik een telefoonnummer waarop u te bereiken bent?’

Hij gaf zijn nummer.

‘Bent u van plan binnenkort naar het buitenland te gaan?’

‘Eh, nee.’

‘Heel goed. Wij zouden het op prijs stellen als u voor ons beschikbaar bleef.’

‘Beschikbaar? Maar voor hoelang?’

‘Tot wij uw verklaring hebben opgenomen. U kent het slachtoffer en u heeft een motief.’

‘Een motief?’ stamelde Verdonk. Hij trok wit weg.

‘Wij nemen contact met u op. Prettige feestdagen. Dank u voor uw medewerking.’

‘Natuurlijk.’

De deurwaarder liep als verdwaasd naar zijn Opel en maakte dat hij wegkwam.

Ik had het hele gesprek vanuit de gang kunnen volgen als agent nummer twee. Peter had met een schminkkwastje en een zaklantaarn op zijn hurken gezeten in een donkere gang en Hein, mijn klasgenoot en de grootste van ons drieën, 1 meter 95, zwarte band judo uit Breda, was een vanzelfsprekende agent nummer een. De politiepakken voor de kerstpresentatie op de toneelschool hadden hun waarde bewezen. Actie ‘Kaasenbrood en spelen’ kon door.

Uiteindelijk hebben we 2.650 pakketten aan de man gebracht. De totale opbrengst was meer dan de benodigde 15.000 gulden. De overgebleven 350 kerstpakketten hebben nog lang in de kelder van de toneelschool gestaan en jaren later doken er nog blikjes mandarijnen op sap in afstudeervoorstellingen op. De wijn verdween een stuk sneller.

Die Kerst was de meest memorabele uit mijn leven. Niet alleen omdat het aantoonde dat het leven van bizarre spelingen van het lot aan elkaar hangt, maar ook omdat ik er toen achterkwam dat als je iets doet waarbij je een groep weet te mobiliseren de voldoening vele malen groter is dan als je in je eentje iets bereikt.

De heer Kaasenbrood verdween naar België waar hij naar verluidt beheerder van een midgetgolfpark is geworden. Zijn vrouw, die Tinnie bleek te heten, bleef wonen op de Kleine Grindweg en was zelfs op onze afstudeervoorstelling.

Ondanks zijn schitterende rol als politieagent nummer een, heeft Hein het eerste jaar niet gehaald. Hij moest de school verlaten. Een paar jaar geleden kwam ik hem tegen op de snelweg tussen Den Bosch en Tilburg. Hij reed in een Porsche van de Rijkspolitie. Ik reed 110 waar ik 80 mocht. Hij was de eerste acteur die ik tegenkwam die in een rol was blijven steken. Ik kwam er met een waarschuwing en een knipoog vanaf.

    • Gijs Scholten van Aschat