Opinie

Oma leerde mij af te wijken van dogma’s

Integratie ontvluchtte met zijn oma Congo en kwam naar Nederland. Waar Drentse jongeren hem thuis lieten voelen en Amsterdamse progressieven hem terug in een stam stopten.

Illustratie
Illustratie Cyprian Koscielniak

Zesentwintig jaar geleden ben ik in een klein dorp in oosten van de Democratische Republiek Congo geboren. Als een buitenechtelijk kind heb ik nooit een normaal, stabiel gezin gehad. Maar ik had het geluk dat ik door mijn oma, de moeder van mijn moeder, ben opgevoed. Ik zeg altijd dat mijn oma zowel mijn moeder als mijn vader is.

Ik weet niet hoe het voelt om in een traditioneel gezin op te groeien waar twee ouders jou behandelen alsof jij de belangrijkste persoon op aarde bent. Wel heb ik van kinds af aan de onvoorwaardelijke liefde van oma ontvangen. Ondanks het feit dat zij een drukke zakenvrouw was – die zowel naar het veld als naar de markt ging om haar eigen kinderen en familie te onderhouden – slaagde ze er ook in om haar kleinkind te verwennen.

Het huis van mijn oma was altijd vol met mensen, familieleden, ooms en tantes die allemaal aan het werk waren of even langs kwamen om een praatje te maken. Al die mensen hadden mij onvoorwaardelijk lief. Ik had ze nog niets te bieden, behalve mijn jeugdige charmes en het idee dat ik hun hoop voor de toekomst was. Mijn familie behandelde mij alsof ik het knapste kind van de wereld was. Als enige in huis had ik een eigen theemok, niemand mocht daar aankomen. Ik weigerde op blote voeten rond te lopen omdat ik de grond te vies vond. Ook weigerde ik de populaire gedroogde visjes uit het Tanganyika-meer te eten omdat er steentjes in zouden zitten.

Deze verhalen zijn mij jaren later verteld, want ik heb alleen vage herinneringen aan mijn tijd in Congo. Ik heb sowieso vage herinneringen aan de plek waar ik mijn eerste levensjaar heb doorgebracht. Want de oorlog kwam als een dief in de nacht. Ouders gingen de ene dag naar bed en kwamen er de volgende dag achter dat hun kinderen naar de bossen waren gegaan om zich aan te sluiten bij een van de vele militiegroepen. Om een paar dagen later geconfronteerd te worden met het slechtste nieuws van hun leven: hun kinderen waren omgekomen. Kogelgeluiden werden het nieuwe normaal.

Onze ontsnapping aan deze kogels maakte ‘vluchtelingen’ van mijn oma, zusje, ooms en tantes. In een vluchtelingenkamp in buurland Tanzania leefden wij in primitieve huizen, gemaakt van modder en plastic VN-tentjes. Wie zijn geboortehuis en geboorteland verlaat, vermoordt een deel van zichzelf. Wij deden dat moedwillig, zodat we een nieuwe toekomst konden opbouwen. Nooit meer een vertrouwde omgeving. Voor altijd jouw bestaan ten opzichte van de ander verantwoorden.

Maar wij hadden het goed, kregen voldoende te eten en te drinken. In mijn geval aten we zelfs regelmatig vlees. Dat was nogal wat. Dat kon omdat mijn oma in het vluchtelingenkamp eigen vee had gekocht, varkens en kippen. In mijn vrije tijd, als ik de Bijbel niet aan het lezen was, hielp ik mijn oma met het voeren van dit vee. Dan fietste ik kilometers uit het vluchtelingenkamp om voer te zoeken. Het hoogtepunt van mijn leven in het vluchtelingenkamp was mijn deelname aan het kinderparlement, waarvan ik voorzitter was. Op speciale dagen, zoals de Internationale Dag van het Kind of de Wereldvluchtelingendag, mocht ik het woord voeren over kinderrechten.

Weg uit het vluchtelingenkamp

Aan ons bestaan in het vluchtelingenkamp kwam plotseling een eind toen het leven van mijn oma in gevaar kwam. Dat is elf jaar geleden, toen ik vijftien jaar oud was. De herinneringen aan die levensbedreigende gebeurtenissen zijn nog te vers en te heftig om er gedetailleerd over te praten. De wonden moeten nog helen. Maar het komt erop neer dat de vijanden van mijn oma hadden samengezworen om haar van het leven te beroven. Zij was een zelfstandige vrouw en veel mensen waren haar geld verschuldigd. De mensen die haar vrienden waren en haar geld verschuldigd waren, waren dezelfde mensen die een complot smeedden om haar te vermoorden.

Dit is een klassiek vluchtelingenverhaal: vluchten niet omdat je het wilt, maar omdat de omstandigheden jou daartoe dwingen. Voor de tweede keer in ons leven moesten wij vluchten. Na een geïsoleerd bestaan van drie maanden, ondergedoken in verschillende vluchtelingenkampen, kregen wij uiteindelijk elf jaar geleden asiel in Nederland.

Als men vraagt wat mij als eerste opviel toen ik elf jaar geleden naar Nederland kwam, zeg ik altijd: „Ik was verbaasd over hoe normaal alles was. Nederlanders bleken mensen van vlees en bloed, met dezelfde dromen en angsten.” Ik had mijn eigen vooroordelen over Europeanen. Door de Transatlantische slavenhandel en het Europese kolonialisme groeide ik op met het idee dat Europeanen tot alles bereid waren. Maar eenmaal in Nederland bleek dit vooral een abstractie en kwam ik in contact met mensen die veel op mij leken. Die mij als een persoon zagen en mij graag wilden helpen om een nieuw bestaan op te bouwen.

Zoals meneer Jansen en mevrouw Gunter. Zij waren verbonden aan de lokale kerk in Amersfoort. Elke zondag kwamen zij ons in het asielzoekerscentrum ophalen om ons naar de kerk te rijden. Daar werden wij als speciale gasten ontvangen en mochten wij op stoelen zitten waar ‘gereserveerd’ op stond. Het contrast met het vluchtelingenkamp kon niet groter zijn. Alles was strak georganiseerd en verliep in hetzelfde ritme. Zelfs het moment waarop men de pepermuntjes uit de tas haalde en aan de hele rij doorgaf verliep volgens een vast ritueel. Kort voordat de dominee aan de preek begon, vulde het geluid van de pepermunten de ruimte voor een paar seconden; de dominee gaf de kerkleden zo de gelegenheid om hun keel af te koelen, en daarna begon hij met preken.

Vooroordelen

Natuurlijk hebben Nederlanders ook vooroordelen over asielzoekers en nieuwkomers in Nederland. Ik heb ook vervelende momenten meegemaakt. Mensen die veronderstellen dat je dom bent omdat je de taal niet beheerst. Maar ondanks die vooroordelen, de neiging van mensen om mij vooral als een ‘asielzoeker’ te bestempelen, is het mij gelukt om mijn weg in Nederland te vinden. Enerzijds door hard te werken. Ik weet nog dat ik in mijn eerste dagen in het AZC aan meneer Jansen vroeg om mij een Nederlandse bijbel te brengen. De volgende dag bracht hij mij de Statenvertaling, die ik gebruikte om met mijn Franse bijbel te vergelijken.

Zo leerde ik mijn eerste Nederlandse woorden: ‘barmhartigheid’, ‘liefde’ en ‘gerechtigheid’. Woorden die ik nog niet kon uitspreken, maar ik wist al wat ze betekenden. Daarna was ik elke dag in de bibliotheek te vinden, waar ik nieuwe woorden via internet leerde en mij de Nederlandse grammatica eigen maakte. Ik luisterde ook naar de Nederlandse radio en Nederlandstalige muziek om het accent te leren. Tijdens die twee zomermaanden, terwijl alle scholen dicht waren, leerde ik mijzelf al wat Nederlands. Mede dankzij deze basis zou ik een paar jaar later op het vwo zitten en daarna politieke wetenschappen in Amsterdam gaan studeren.

Maar het komt vooral door de inzet van barmhartige Nederlanders dat ik mijn weg in Nederland heb gevonden. Nederlanders zoals meneer Jansen, die voorbij het stempel ‘vluchteling’ en ‘asielzoeker’ keken en mijn ambitie ontdekten. Zo is er de docent Nederlands die mij een vwo-advies gaf, ondanks het feit dat ik de taal niet perfect beheerste. En tijdens mijn vwo-carrière heb ik heel kort bij een Nederlands gezin in huis mogen wonen, zodat ik mij in alle rust op mijn studie kon richten. Zij hadden dit niet hoeven doen, maar ze voelden zich geroepen solidair met mij te zijn.

Het is bij hen dat ik Nederland van dichtbij heb leren kennen. Op tijd ontbijten en dineren. Hard werken. Pakjesavond vieren en elkaar pijnlijke, anonieme gedichten schrijven, omdat je van elkaar houdt. Zonder de steun van dit gezin zou mijn reis naar Nederland anders zijn verlopen. Ik heb geluk gehad, want er zijn andere nieuwkomers die geen kans hebben gekregen om Nederlanders van dichtbij mee te maken. Zij vertellen een ander verhaal over Nederland.

Drentse boerderij

Vijf jaar geleden zat ik op een Drentse boerderij met vrienden die ik had leren kennen bij de jongerenafdeling van het CDA. De boerderij was van de vader van onze lokale voorzitter, die tijdens de barbecue ervoor zorgde dat wij genoeg vlees en bier hadden. Wij spraken over de actualiteit en politieke filosofie. Ik voelde me voor de eerste keer in mijn leven ergens volledig welkom, gewoon zoals ik was. Ik keek om mij heen, zag jonge leeftijdgenoten die in alle opzichten een andere jeugd hadden gehad dan ik – en toch was ik nu onderdeel van hun gezelschap.

Op een gegeven moment zei ik tegen die jongeren: „Ik ga na de zomer in Amsterdam studeren. Ik zal daarvoor Drenthe moeten verlaten. Maar ik wil graag dat jullie weten dat ik het hier naar mijn zin heb gehad. Bedankt dat ik onderdeel van dit gezelschap mocht zijn. Hier is mijn politieke hart geboren.”

Ik zag dat ze niet waren voorbereid op die woorden. In Drenthe, en in Nederland in het algemeen, houdt men niet van zulke grote woorden. Wel van kleine gebaren trouwens.

Lees ook: Nu Kiza Magendane elf jaar in Nederland woont, voelt hij zich voldoende betrokken om tegen Zwarte Piet te zijn

Ik méénde die grote woorden op die Drentse boerderij. Ik had een andere huidskleur. Ik had een verleden als vluchteling. Ik sprak met een accent. In vele opzichten had ik een ander referentiekader dan die Drentse jongeren. Toch heb ik ondanks mijn relatieve achterstand nooit het gevoel van achterstelling ervaren. Het was de politiek die ons verbond, onze gedeelde liefde om problemen op te lossen. Mijn verleden deed er niet toe, ze behandelden mij als een individu. Ik mocht een burger zijn, die zijn steentje aan Nederland mocht bijdragen. En dit besef maakte mij niet alleen ongelooflijk dankbaar, maar ook trots.

Reis naar identiteit en solidariteit

Van Congo tot Nederland heb ik een driedelige reis naar identiteit en solidariteit gemaakt. De eerste fase was in Congo, waar mijn identiteit vooral door een stam en een clan werd vormgegeven. Toen ik mijn geboortestreek en alles wat mij daar lief was achterliet, begon de tweede fase: de fase van een vluchteling. Daar waar solidariteit binnen mijn geboortestreek vooral binnen de stam, clan en familie plaatsvond, werd ik in het vluchtelingenkamp afhankelijk van de welwillendheid van internationale organisaties.

De derde fase van mijn reis naar identiteit en solidariteit vond de afgelopen elf jaar in Nederland plaats. Ik noem het een reis van vluchteling naar burger. Ik kwam als vluchteling naar Nederland en ik mocht bij de Nederlandse samenleving horen. Ik kon een paar jaar later al politiek actief zijn en met geestverwanten nadenken over de toekomst van dit land, omdat Nederland een rechtsgemeenschap is. Het maakte niet uit wat mijn achtergrond is en tot welke stam ik behoor – zolang ik de Nederlandse wetten respecteer en bereid ben om met de lokale bevolking een gemeenschappelijke toekomst te bouwen, kon ik onderdeel van Nederland worden.

Toen ik Drenthe verliet en politieke wetenschappen in Amsterdam ging studeren, kwam ik in een linkse, progressieve kring terecht. Tot mijn verbazing was deze progressieve kring enorm geïnteresseerd in politieke hokjes. Dat manifesteerde zich bijvoorbeeld bij borrels, na een lezing of een debat, waar de gesprekspartners uit het niets geïnteresseerd waren in mijn ‘vluchtelingenverhaal’ en mijn mening over racisme. Later begreep ik dat dat uit pure interesse was. Maar zonder dat zij het doorhadden reduceerden enkele leden van deze kring mij tot een zwarte man, die alleen aan het debat aan tafel mocht deelnemen als hij over zijn ervaring als ‘vluchteling’ of over racisme kon vertellen.

Het was allemaal goed bedoeld, zou ik later ontdekken. De progressieve kring wilde slechts verschillende groepen en ervaringen erkennen en een podium geven. Maar een reis naar de hel is geplaveid met goede bedoelingen. Want het is binnen deze progressieve kring, bestaand uit ideologische en politieke bondgenoten, waar ik mij voor het eerst weer onderdeel voelde van een stam. Ik behoorde tot de vluchtelingenstam. Tot de zwarte stam. En dat deed mij denken aan mijn Congo, de plek waar mijn identiteit en solidariteit vooral binnen een stam werden vormgegeven.

Vastgestelde dogma’s

Hoewel individuen niet worden geacht om van hun stam af te wijken, is het mijn oma meerdere malen gelukt om zich niet te conformeren aan de vastgestelde dogma’s van die stam. Zij heeft als vrouw altijd onafhankelijk geopereerd en haar rechten opgeëist in de overwegend patriarchale stam. Zij deed er alles aan om ervoor te zorgen dat ik met haar naar het vluchtelingenkamp zou gaan, waar zij voor mij en mijn zusje kon zorgen. Inmiddels draag ik de achternaam van mijn oma, en niet die van mijn vader, zoals de stam voorschrijft. Afwijken van vastomlijnde hokjes en dogma’s is noodzakelijk als wij kleine kinderen willen laten groeien. Ik heb van mijn oma geleerd om bestaande hokjes radicaal te bevragen en een meester van mijn eigen leven te zijn. De moed hebben om af te wijken. Niet accepteren dat je te jong of te oud bent om iets te doen. Niet accepteren dat de groep of de stam waartoe je behoort jouw keuzes mag beperken. Want we zijn zo veel meer dan onze stammen. Zo veel meer dan onze hokjes.

Dit is een beknopte versie van de Deventer Jan Terlouw-lezing, van 12 december jl. De complete tekst van de lezing is verschenen in het boek Broederschap. Op zoek naar een verloren ideaal van Bas Heijne en Kiza Magendane. (Uitg. De Kring, € 7,50)

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.