In Hotel Akersloot leef je maar één keer

Een week ingecheckt in een Van der Valk. Het was het fingerspitzengefühl van ome Gerrit dat afrit Akersloot aan de A9 aanwees als gedroomde locatie. Nu staat er midden in een weiland een hotel met 210 kamers. Trefpunt voor zakenlui en vreemdgangers, waar alles mag en alles kan.

‘Niet vandaag!” had haar man gezegd. Kerst, dat is krankzinnige topdrukte, nón-stop werken, meer eters dan bestek. Maar zoals je een volgeboekt hotel niet dichtgooit, zo stop je ook een bevalling niet. Nog één dag wist ze het te rekken. En toen kwam hij, Steve, vijfde generatie Van der Valk, de dag na zijn geboorte ingecheckt in het hotel waar hij nu de baas van is. Precies zoals in zijn familie is voorbestemd – en waarom zou je uitbreken? Niemand kent het ritme van deze plek zoals hij.

De eerste dag

2.00 uur. Een laat ingecheckte gast doolt door de gangen, zijn voetstappen gesmoord in het hoogpolig tapijt. Nachtwakers Nick en Marcel volgen hem op een scherm van achter de receptiebalie. „Ga nou links! Nee, niet deze kant, déze.” Achteroverleunend klikken ze door de camerabeelden. „Waar is-ie nou?” Klik, klik, klik. „Jongens, hij is spoorloos. Hij is weg.” Marcel zucht, hijst zich uit zijn bureaustoel.

2.30 uur. Een man belt op, of er nog een suite met jacuzzi vrij is.

In de verlaten vergaderzaaltjes boven klinkt Bløf door de speakers. Ik ben blij dat je hier bent, ik ben blij dat je hier bent, ik ben blij dat je hier bent, ik ben blij dat je hier bent.

3.00 uur. Hmmmmmmm doet de koeling van de vitrinekast in de lobby, waar de marsepeinen kasteeltjes liggen te lonken. Hmmmmmmm doet de automaat bij de achteringang, die bier, zeep, condooms, tandpasta en speelkaarten uitgeeft. Hmmmmmm doen de koelcellen bij de keuken. Hmmmmm doen de verwarmingsketels onder het zwembad. Hmmmmm doet de gokkast tegenover de toiletten.

4.00 uur. Nick wist met een schrobmachine de laatste sporen van de vorige dag van de witte plavuizen in de lobby. Bzzzzzz, bzzzzz.

6.00 uur. „Licht!” Lunchkok Jorge Da Costa Gomes ramt op de lichtknop achter de keuken, hijst zich in zijn pak, gooit drie suikerklontjes in een kop koffie, klapt in z’n handen en roept naar de patisserie die aan de slag gaat met z’n schuimgebakjes en kasteeltjes. „Aaaaah, signore! Eerst een bakkie met de bakkers.” Nog voor ze er zijn, slaat Jorge de koffie achterover, knalt een snijplank op het aanrecht en verdwijnt in de koelcel. „Gyros! Gyros! Tonijn! Kikkererwten! Zwarte olijven! Azijn! Ui! Dille! Munt! Komkómmer! Tomaat! Paprika! Spitskool! Biet! Appel! Mayonaise! Olijfolie! Courgette! Radijs!”

7.00 uur. Sssssssss, in de keuken gaat een jerrycan vloeibaar ei de pan in. De nachtwakers verdwijnen achter het okergele decor van de receptie. Ze gaan naar huis, naar het schoolplein, naar de baby die de fles wil, naar de jetlag. Twee meisjes in gilet nemen hun plek in. Woesj. Met een draai aan de dimmer vlamt in de ontbijtzaal twaalf meter gashaard op. Een geur van verse croissantjes, de laatste 20 procent afgebakken in het reukveld van de gasten, drijft de zaal binnen. Een groepje Zuid-Amerikaanse zaadhandelaren met lichte kater inspecteert het buffet. De eerste dag van de week, Hotel Akersloot.

Het was ’t fingerspitzengefühl van ome Gerrit dat afslag 11 van de A9 tussen Haarlem en Alkmaar aanwees als gedroomde locatie voor een hotel. In die tijd, begin jaren tachtig, reed-ie alle afritten in Nederland langs en overal stapte hij uit. Dan stak Gerrit z’n vinger omhoog en als hij dacht: ‘Ja, dit is ’m’, kocht hij het land en bouwde een hotel.

En zo staat er, in the middle of nowhere, pal onder een aanvliegroute van Schiphol, aan een rotonde te midden van akkers, een uitspanning met 210 kamers, elf congreszalen, 600 man personeel en met Kerst 7.000 eters. Uitzicht op verkeer dat met 130 voorbij raast, dé doorrijroute naar de kop van Noord-Holland. Akersloot is het 35ste hotel dat de familie Van der Valk plantte langs het hoofdwegennet van Nederland en werd zowat de grootste van allemaal. En nu is het aan Steve, 26 jaar, vijfde generatie, om samen met zijn hoogzwangere vrouw het hotel voort te zetten.

Woesj. Met een draai aan de dimmer vlamt in de ontbijtzaal twaalf meter gashaard op

Akersloot is een plek voor iedereen. Voor de vertegenwoordiger die zijn relaties warm houdt, de directeur die zijn secretaresse warm houdt, voor het Marokkaanse stelletje dat de vorsende blik van de ouders ontvlucht. Voor de leisure-gasten op e-bike, voor opa en oma met de kleinkinderen, voor jubilarissen en leiderschapstrainers, zij die wel van rollenspellen houden en zij die dat kinderachtige onzin vinden. Een hotel voor b-acteurs in de porno-industrie en de schimmige Britse zakenlui met een zonnebril op, voor de kinderen uit de buurt die les krijgen in het zwembad, en de Duitse saunamannen die ondanks die zwemles, én het waarschuwingsbordje, én een sloot ontstelde ouders langs de kant, weigeren een zwembroek aan te trekken.

Al deze mensen krijgen in Akersloot dezelfde dag geserveerd, elke dag opnieuw. Van maandag tot zondag, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. Beginnend met de receptioniste die de hotelgast met een glimlach het kamerpasje overhandigt. Daarop: ‘Hotel Akersloot wenst u een prettig verblijf’.

10.00 uur. Jonge jongens en meisjes ruimen de lege borden in de ontbijtzaal af. De gebakjes in de koelvitrine in de lobby zijn aangevuld. Sarita’s schoonmaakploeg begint op de deuren te kloppen. In de schalen bij het zalencentrum liggen de pepermuntkussentjes hoog opgetast. De kopjes in ‘Dubai’, ‘Madrid’ en ‘Londen’ staan klaar, op z’n kop. Buiten bij de rotonde laat Steve van der Valk, zijn overhemd nog hagelwit, klaar voor een nieuwe werkdag, de hond uit.

Als iemand dit hotel kent, elk kamertje, elke kier, is het Steve. Tot zijn achttiende woonde hij er, met vijf broertjes en één zusje, in de hoek boven het zwembad, met voor elk kind een eigen wastafel. Hij legode op een kleed in de tuin bij oma, vaste bewoner van de vakantiebungalows ernaast, roeide in het decoratievijvertje bij de parkeerplaats. In de lange hotelgangen speelde hij, vierde in het gezin, eindeloos verstoppertje. Al was verstoppen niet nodig. Blijven dwalen en je werd nooit gevonden. Hotel Akersloot is een doolhof voor de nieuwe gast. Geen torenflat zoals de meeste hotels van nu, maar een puntdakcomplex, typisch Van der Valk, twee bouwlagen, met zijn vleugels breed uitgestrekt over het land. Sinds de jaren tachtig telkens een stuk erbij, op de groei.

De Duitse saunamannen die ondanks de zwemles en de ouders langs de kant weigeren een zwembroek aan te trekken

Voor de jonge Steve was het hotel een speeltuin. Met zijn broers en een bal in de huiskamer – ten koste van heel wat lampen – en na de voetbal bij het Akerslootse Meervogels ’31 met vrienden in het zwembad. Maar „als de kindjes kunnen staan, kunnen ze ook glazen spoelen”, had overgrootvader Martinus gezegd. En dus begon ook Steve op zijn dertiende met glazen spoelen achter de bar en daarna werken achter de toastmachine en toen als ijsmaker, met angst en beven voor toenmalig chefkok Jorge – inmiddels lunchkok – die geregeld woedend met zijn pollepel op het aanrecht sloeg. Daarna borden uitserveren als luikloper, later als wijkloper. En toen werken bij de receptie. En op zijn zeventiende assistent restaurant-manager. Gastheer, dat beviel Steve meer. De wereld, dat was het hotel. Na het werk bier drinken met zijn vrienden in de personeelsruimte achter de keuken, allemáál werkten ze hier. Zoals nog steeds de halve jeugd van Akersloot. Vakkenvullen bij de AH of luiklopen bij Van der Valk, dat is hier de keuze.

Steve en Sanne van der Valk samen met zoon James.

In dit hotel leerde Steve zijn vrouw Sanne kennen. Goedlachse receptioniste, harde werker, paar jaar ouder dan hij, eerste kus na het werk in ’t Portiertje in Uitgeest. Waarna ze samen een poos hielpen bij zijn oudere broer in de nieuwe Valk in Almere, ze woonden er jaren in een hotelkamer. Ook de hotels in Spier, Tilburg en Oostzaan worden door zijn broers en zus gerund.

Twee jaar geleden keerden Steve en Sanne terug naar Akersloot. Ze lieten bij de rotonde tegenover de parkeerplaats een huis bouwen met genoeg kamers voor een toekomstig gezin en namen het motel over van zijn ouders. En nu is Steve baas van een miljoenenbedrijf, een hub in de Noord-Hollandse polder, middelpunt van bedrijvigheid. Met jaarlijks tienduizenden passanten en hele families die er werken – moeder bij het ontbijtbuffet, dochter in de bediening. Sommigen werken er al langer dan hij bestaat. Het maakt Steve de baas van een plek die groter is dan hijzelf. Akersloot is niet van hem, hij geeft het alleen maar door.

15.00 uur. Hinkend komt restaurant-manager Oscar Nieman de ontbijtzaal binnen. Drie van zijn collega-managers, keurig gekleed, zitten klaar met koffie en koekjes. Tijd voor het dagelijks overleg.

„Zijn die zaadhandelaren al binnen?”
„Gisteravond is iedereen gekomen.”
„Allemaal buffet? Alle avonden?”
„Ja.”
„Dus alle avonden ook die bar vol.”

Deze hele week overnachten in het motel tientallen zaadhandelaren van over de hele wereld, maar toch vooral Zuid-Amerikaanse mannen in geblokt overhemd. Ze zijn hier vanwege een meerdaagse conferentie op uitnodiging van een Nederlands bedrijf, grote speler op de wereldwijde zaadveredelingsmarkt.

„Wat drinken ze, die zaadmannen”, polst Oscar.
„Halve liters en Texels van de tap. En gister hebben ze een fles Belvedere opgeshot.”

De zaadhandelaren komen elk jaar opnieuw, vast ritueel. De koks van Hotel Akersloot maken dan voor hen paarse broccoli en paarse wortel, volgens de nieuwste ontwikkelingen op zaadveredelingsgebied. Jammer alleen dat paarse groente in die warmhoudbakken ondanks het afblancheren snel vergrijst. Bijvullen werkt niet, heb je twee kleuren in één bak. Nee dan liever varkenssaté of aardappelgratin, het ideale voer voor elk warm bakkenbuffet.

Lunchkok Jorge maakt elke week een gigantische omelette sibérienne.

„Hoe is het met je knie?”
„Pijnlijk”, zegt Oscar, die gisteren meedeed aan een hardloopwedstrijd. „Ik heb twee aspirines genomen.” Opkijkend naar een collega, die een koekje eet. Grijnzend: „Zit jij nu met volle mond te praten? En ook nog te laat vanochtend!” Een half uur. Zelf is Oscar op zijn werk vaak een uur te vróég. Indekken alvast, reserveringen bekijken. En óveral op letten. Toen hij op z’n achttiende trots een hele zaal had klaar gemaakt, voor het eerst, stapte de manager naar binnen en zei alleen, wijzend naar een lichtspotje aan het plafond: die daar is kapot.

In 1990 begon Oscar in Akersloot, als leerling van de hotelschool. Toen al zat ’t altijd vol, een vreetschuur was het. Hoe drukker, hoe beter, vindt hij nog steeds. Als echt horecamens gedijt hij bij drukte. Dan voelt Oscar z’n knie niet en gaat de tijd sneller.

Het hotel draait grotendeels op scholieren, mbo en hbo. Ze werken in shifts, zoals tussen twaalf uur ’s middags en tien uur ’s avonds, sommigen vijftien jaar jong. Gaan ze studeren, dan vliegen ze uit. Het verloop is groot. Dus je moet ze wel in de gaten houden. Hoe is het werktempo? Hoe zijn ze aan tafel?

Of mensen geschikt zijn voor het vak merk je snel genoeg, weet Oscar. Kijk, of iemand keurig met de rechterhand via rechts inserveert, zoals op de hotelschool erin gestampt, is voor de Van der Valk-gast niet zo van belang. Spontaniteit, dáár draait het om. Goed aan tafel, dan maken serveerregels niets uit. Bij het ontbijt heeft hij nu een jongen die er heel hard mee bezig is. Stotterde in het begin. Zo iemand geef je iets meer aandacht.

Spontaniteit, dáár draait het om. Goed aan tafel, dan maken serveerregels niets uit

Lastiger zijn de brutalen. De restaurantmanagers nemen nog een koekje. Over een nieuweling, die nu langs de tafeltjes wordt gestuurd: „Ik laat ’m liever wijklopen in plaats van bij het ontbijt kijken.”
„Ja, het kan een losgeslagen projectiel zijn.”
„De interesse van hem is goed.”
„Maar zijn timing hè…”
„Hij is niet op z’n mondje gevallen.”

18.30 uur Het spitsverkeer op de A9 klontert. Het is het begin van de week, maar het restaurant zit ramvol en de wijn vloeit rijkelijk. Ouders heffen het glas, kind achter de iPad; opa’s en oma’s, zakenlui, hele families aan een ronde tafel. Kggggrrrrrrr. Geknisper van roze Himalayazout over de ossenhaas. Psssssj. Citroentje uitknijpen boven de zalmmoot.

Surf en Turf, had Steve aangeraden, ossehaaspuntjes met gamba’s in zoetzure saus, met friet en mayo en boontjes en gekookte worteltjes. En een saladebuffet. Ja, óf de varkenshaas, óf de Fish ’n Chips, waarna Sanne ’m glimlachend een por had gegeven en zei: „Jij vindt álles lekker”. Hardlopers zijn de schnitzel, de zalm en cordon bleu, dat is altijd zo geweest. Geserveerd met twee kerstomaatjes uit de oven en een bakje friet. Dat is wat de massa eet. En massa, weet Van der Valk, dat is kassa.

In de keuken torent avondkok Haris Kadic uit Bosnië hoog boven het aanrecht uit.

„Satésaus?”
„Tafel 220 tonijn, mag hierheen.”
Alles om Haris heen sist, klopt, slaat, piept.
„Roan, waar ben je?”
Twee luiklopers, zachtjes: „Hoe laat moet jij morgen naar school?’’
„Kom maarrrrrr. Roán!”
„Aardappel alsjeblieft, ja, aardappel, one, two!”

Het luik, drie meter eiland tussen keuken en bediening. Op spitstijd schuiven onder de warmtelampen tientallen borden per minuut langs. Het luik bepaalt de drukte, de puls van het motel. Het is het hart van heel Akersloot.

Nieuwe lading gegrilde kerstomaatjes, nieuwe lading gebakken aardappelpartjes, hop hop, waar zijn die luiklopers? „Kom maarrrr, ja, kom maarrrr! de jeugd van nu kan niet meer werken.”

In het restaurant klampt een oude dame, geknipt, geföhnd, geverfd, een jong meisje uit de bediening aan. „Ik heb hier nog mijn 25-jarige huwelijk gevierd!” „Oh, écht?”

22.30 uur. De keuken is schoon, de eetzaal donker, de lobby leeg. In het verder verlaten zwembad drijven twee corpulente mannen. Maar in de hotelbar, de „huiskamer van Noord-Holland” aan de A9, bruist het. De zaadhandelaren tikken in hoog tempo biertjes weg en de gasvlammen flakkeren hoog op. Een vrouw doet een dansje bij haar tafeltje. Achter de gashaard probeert een man, shirt drie knopen te ver open, een meisje met brilletje tot zoenen te verleiden.

Hier is het gezellig, zegt het interieur. Dik tapijt, houten lambrisering, lederen barstoelen. Aan de donkerbruine muren hangen geschilderde acteurs uit maffiafilms – ideetje van vader Ben, tot gruwel van zijn vrouw Marion die er een gigantische foto van een uitdagend kijkende vrouw bij hing. Al draait Steve het motel, zijn moeder Marion is hier nog vaak. Dat weet de ex-beveiliger van dj Dimitri wel. Hij knikt naar het hoekje van de bar, kijk daar zit ze.

1.00 uur. Met één draai floepen de vlammen in de haard uit. Drie zaadhandelaren, twee mannen en een vrouw, willen nog niet naar bed. Ze vestigen zich met grote pullen bier in de donkere lobby, vlak naast de receptiebalie. Op tafel verschijnt een iPhone waar Zuid-Amerikaanse muziek uit klinkt. De vrouw gilt en draait met haar heupen, de mannen lachen. Nachtwakers Nick en Marcel kijken elkaar vermoeid aan, maar ze hebben nog wel wat troefkaarten achter de hand. Straks gooien ze de lichten aan, of stofzuigen ze de vloer rondom het tafeltje.

2.00 uur. De drie verdwijnen door de schuifdeuren. Luidruchtig zwalken ze door het motel. Links, rechts, omhoog met de lift, omlaag met de lift, naar het trappenhuis waar een van hen op het drankautomaat begint te rammen. Nick en Marcel leunen achterover. „Met wie zou die vrouw nou meegaan?” Klik, klik. „Ze gaat naar zíjn kamer.” Klik. „Nu gaan ze met z’n drieën naar binnen!”

‘Met wie zou die vrouw nou meegaan?’

4.00 uur. Marcel maakt een rondje door het donkere hotel. In het zwembad zet hij alvast de waterval aan.

4.30 uur. Hmmmmm doen de machines, bzzzzzzz doet het boenapparaat. Knock knock knocking on heavens doo-oor.

De tweede dag

6.00 uur. „Ik ken alle recepten uit m’n hoofd. Een chefkok moet geen boekje hebben, alles op gevóél!” In een verlaten keuken grijpt Jorge om zich heen. „Gamba’s! Mosselen! Knoflook! Peterselie! Lenteui! Rijst! Verse producten! Alléén maar verse producten!”

Ontbijten doet Jorge niet. Pas om twee uur ’s middags neemt hij zijn eerste hap. Voor die tijd is het werken geblazen, hárd werken. Het geheim van een goed leven: „Wijn, goed eten, goede seks, twee kinderen, hard werken!”

Hij klapt in zijn handen. „Hombre!” Tijd voor koffie met de bakkers. “Aaaaah! Signores!

Voilà!” En hup, weer verder. „Ik moet snel zijn, anders red ik het niet. Twaalf salades voor twaalf uur vanmiddag. En paella. En kippenvleugels. En stoofpot. En Portugese kabeljauwkroketjes. En bananenbrood. En Portugese aardappelsoep. En nog vier soepen. Tom ka kai. Cacaosoep. Lekker hoor!” En daarna thuis verder koken voor zijn eigen cateringbedrijf.

Steve was nog niet geboren toen Jorge als kok in Hotel Akersloot begon achter de grill. Hij kwam van een booreiland voor de kust en leidde een ruig leven. „Zó veel vrouwen in die tijd. Whóé!” Het gestructureerde leven als hotelkok was eigenlijk niks voor hem. Op het booreiland verdiende hij meer. Maar eenmaal aan land geeft je ’t ook dubbel zo hard weer uit.

Jorge rolde erin. Hij werd aangenomen door Ben, de vader van Steve, en werd onderdeel van een snel uitdijende machine. „Ik was de kapitéín! Als ik op tafel sloeg was iedereen stil. Ik was nog erger dan Gordon Ramsey.”

Ben van der Valk, da’s een goeie man. „Ik heb altijd hard voor ’m gewerkt”, zegt Jorge. En voor-ie het wist was Jorge de chefkok en stond hij met veertig man achter de kachel. Professionals, één team. Vijf dagen per week tien uur per dag, 24 jaar lang buffelen. „Dat is véél hoor. Pffff! Míjn god.” Hij werd bijna blind door het gas en het vet en altijd pukkels. Maar het was een téám, „tering-gezellig”. Je deed álles voor elkaar. Je kende iedereen, de bediening, de koks. Allemaal vaste krachten. En complimenten van de gasten. „Keihard werken. En als niet, dan gréép ik hun bij keel. Iedereen respéct voor mij. En lekker bier drinken daarna.”

Maar goede mensen zijn nog moeilijk te krijgen. Nu stromen ze door vanaf havo niveau 3 direct naar de koksopleiding. Geen snijtechniek, geen kookervaring. En geen vaste contracten meer. Jorge heeft wat afstand genomen. Hij doet het ‘rustiger’ aan, ook om zijn twee meiden meer te zien. Hij is de lunchkok. Zijn eigen afdeling. Hoeft hij zich niet meer te storen aan de geur van aangebrand vlees in de keuken. „Ja ja, als één ding mis gaat, gaat altijd álles mis. We hebben hier vaak dingen staan gooien naar elkaar. En schelden. Mijn stem is zo sterk. ‘En nu allemaal stil! Allemaal kwaliteit! Allemaal zelfde kwaliteit!’ Steve was bang van me hoor, toen-ie nog in de keuken stond. Eens even kijken. Beetje eitjes, paprika, tomaatjes, lenteui, olijven, peper, zout, olijfolie, azijn. Azijn, dat is het geheim van deze salade. Kijk hoe mooi hij glimt! Alles vers!”

9.30 uur. In de uitpuilende kantine van de housekeeping achterin het motel drinkt de schoonmaakploeg van Sarita Somaroe een bekertje koffie. Emad uit Syrië staat te zwaaien met z’n mobieltje. Hij steekt een verhaal af, voor wie het horen wil. Assads vader was vrijmetselaar, maar dat is geen probleem en wist je dat als je biljetten van honderd dollar en twintig dollar op een speciale manier opvouwt, je dan de Twin Towers in de fik ziet en zelfs de oorlog in Syrië! Jaaaaaa, kijk maar op Youtube. Hij lacht er vrolijk bij.

Soms wordt het Emad te veel, weet Sarita. Dan wordt hij boos. „Dan zeg ik: vergeet niet waar je voor gevlucht bent, Emad, voor een goeie toekomst.”

Eerste generatie, dat was Nicolaas van der Valk, 24 kinderen. Als bijverdienste om die sloot aan kroost te onderhouden opende hij in de negentiende eeuw naast zijn boerderij een dranklokaal, aan de drukke weg tussen Leiden en Den Haag voor de boeren die hun koeien naar de markt brachten. De Gouden Leeuw in Voorschoten.

Tweede generatie, dat was nakomertje Martinus, een handelaar in álles. Hij ruilde eens een paard voor een auto, begon een autohandel, reisde veel en verlangde onderweg naar eten ‘zoals bij moeder thuis’. Hij liet zijn vrouw Rie, permanent zwanger, koken voor de gasten. Ze kwam uit een deftig gezin en kon het werktempo amper bijbenen. Zodra de kinderen konden lopen, hielpen ze mee.

Boekenwijsheid, dat vond de familie toen al niets. Raap liever „de slaplantjes op die een ander weggooit”, was volgens de familiekroniek het motto. Martinus kocht zaken op die er financieel slecht voor stonden en bouwde ze om tot restaurant. Voor elk van zijn twaalf kinderen wilde hij een eigen zaak en samen met zoon Gerrit ging hij op zoek naar geschikte locaties.

Derde generatie, dat zijn Gerrit en Arie. Toen pa Martinus afstand nam, trokken zij de kar. Tijdens een rondreis door de VS had Gerrit van het motel-concept geproefd. ‘Slapen direct langs de snelweg.’ En zo verschenen sinds de jaren 50 aan de Nederlandse afritten de motels van Van der Valk. Arie, tien kinderen, had als enige doorgeleerd en werd de financiële man, Gerrit, zeven kinderen, de creatieve. Ook zij wilden voor ieder een eigen zaak.

Eerst trouwen graag en dan keek ome Gerrit of ergens een nieuwe zaak voor je was. Kreeg je een week voor de opening te horen welke ’t werd. Daar ging je dan wonen, de stoeptegels nog amper gelegd

Vierde generatie, dat is Ben. Eerst trouwen graag en dan keek ome Gerrit of ergens een nieuwe zaak voor je beschikbaar was. Kreeg je een week voor de opening te horen welke ’t werd. Daar ging je dan wonen, de stoeptegels nog amper gelegd. De hele familie hielp mee met opstarten en daarna was het zoals ome Gerrit zei: „Oren open, ogen open, mondje dicht en je handjes laten wapperen”. En eens per jaar met knikkende knieën je cijfers verantwoorden bij opa Arie. De concurrentie tussen de kinderen was moordend; iedereen wilde de beste zijn.

Vijfde generatie, dat is Steve, een van de zeshonderd loten aan een stamboom die z’n takken nauwelijks nog dragen kan. De onderneming moest splitsen, tot verdriet van opa Arie, nadat de belastingdienst in 1994 het bedrijf wegens inventief boekhouden een miljoenenboete had opgelegd. Er kwam een nieuwe structuur met negen familiestaken die ieder hun eigen hotels runnen. En zoals Steve namen recent veel neven en nichten de hotels over van hun ouders. Het zijn er inmiddels honderd, ook over de grens. Op het jaarlijkse familiefeest heft iedereen nog altijd het glas, maar Nederland zit nu zó vol met Van der Valk dat elke nieuwe vestiging de klandizie van een bestaande dreigt af te snoepen, een strijd die een enkele keer uitmondt in een rechtszaak.

Nog dagelijks is Arie – Gerrit overleed in 2009 – te vinden in De Gouden Leeuw. Nu met een eigen distributiecentrum van waaruit acht enorme vrachtwagens vestigingen door het hele land bevoorraden – elke dinsdag en vrijdag in Akersloot. Zo af en toe komen Steve en Sanne in Voorschoten op bezoek. Zit opa Arie achter z’n bureautje de kas te tellen. Is ’ie gewend.

De baby van Sanne en Steve, zesde generatie, wordt een jongen. Zijn bedje staat al klaar.

11.00 uur. Rechtopzittende mannen bevolken de lobby. Ze drinken koffie en op tafels liggen business cards, leren dossiermappen, blanco blocnotes. Aan het raam met voorbijrazend verkeer eten twee bejaarden in stilte een plak cake.

Flarden gesprekken vullen de ruimte.

„Heb je de mail van Wilco al gelezen?” „Luister, ik was bij Deloitte eergister in Utrecht…” „Hoe gaan we dat dadelijk doen met die hele installatie van die cateraar?” „We zijn nog bezig met diverse kanalen.” „Wat denk je van een leuk visual?” „Ik denk dat het te vroeg is om al afspraken te maken.”

‘Warm houden van je netwerk’, daarvoor zitten ze hier. De middenklasser even parkeren tussen de andere afspraken door, tien minuten „bijlullen” over voetbal en de kinderen en dan over naar zaken. Zoals de twee vertegenwoordigers, de één in bakwanden, de ander in softijsmachines, die elkaar op de hoogte houden van nieuwe cafetaria’s die openen – hebben ze beiden wat aan. Kan ook op zondag in de businesslounge van voetbalclub AZ, maar dit vinden ze makkelijker.

Boven, in de zaaltjes, komt bv Nederland op stoom. In zaal Dubai projecteert een beamer een grafiek op een scherm, woorden flitsen voorbij. Staffel. AO percentage. Aanvangskorting. Risicotarief. Wachtdagen. Indexering. Een groep mannen in donkere colbertjes, lichtblauwe blouses, sportieve broeken en brillen met zwarte dikke randen, luistert geconcentreerd naar de uitleg van de cursusleider over een nieuw „confectieproduct” in het verzekeringswezen. In zaal Berlijn krijgen tien mannen van de nabijgelegen staalfabriek bokshandschoenen uitgereikt voor de „ervaringsgerichte leiderschapstraining”, terwijl in zaal Londen acht mannen, ook allemaal leiders, een „profielendag met inside discovery” doen. Met tests en routekaarten vinden ze hun barrières en komen ze tot coachend leiderschap. Soms gaan mensen huilen bij zoveel zelfinzicht, ja, ook de mannen.

Aan het opbloeiende vergader- en cursuscircuit weet Van der Valk goed te verdienen. De marge is prima op vijfhonderd euro voor een zaaltje met lunch, inclusief Afra van de desk die halverwege de sessie luidruchtig inbreekt omdat nog niet iedereen z’n keuze heeft doorgegeven. „Carpaccio? Ham? Varken of vis? Tweemaal?” De benodigdheden: een flipover, een pakket kabels op tafel voor in de laptop, posters van stedelijke vergezichten, varens met hydrokorrels, en voilà. Dan volgt de stoet stichtingsbesturen en aandeelhouders vanzelf, en raken de zaaltjes automatisch vol met bijeenkomsten over de fiscale aspecten van bedrijfsopvolging, cursussen veiligheidsnormen in de bouw, bijschoolmiddagen voor rijschoolhouders en dertig varianten managementtraining. En als de lokale tandartsvereniging komt, weet de zaalmanager, altijd vréétschalen vol drop.

12.30 uur. „Dit is geen rommel, dit is kwalitéít!” Lunchkok Jorge loopt tussen het opscheppend publiek tijdens het uitgebreide lunchbuffet. De meeste gasten zijn op leeftijd. Ze hebben alleen een sneetje brood op hun plateau. Een vrouw met rollator staat vragend voor de schaal met carpaccio. Ze zoekt de boterhamworst. „Kómt u maar”, zegt Jorge. Met een vorkje drapeert hij twee plakjes op haar bord.

15.00 uur. Sanne beent door de gangen. De Akersloot-pas, geleerd van haar schoonmoeder. Gaat nog best hoor, met die dikke buik.

18.00 uur. In de serre zit een ouder stel met de serveerster te kletsen. Hij 73, zij 71. Ze kwamen in Akersloot al vanaf de allereerste dag. Een zondag. Het was zó druk. Stond Ben in de keuken patat te bakken, Marion bezig met de gasten. Sindsdien hebben ze hun vaste plek, vooraan. Als ze niet komen, sturen ze de serveerster een sms. „Het wordt je eigen.”

Alle verjaardagen hebben ze in Akersloot gevierd en toen zij vijftig werd kregen ze van Ben een echte suite. Alleen na de dood van hun zoon, een auto-ongeluk op z’n twintigste, zijn ze een half jaar niet geweest. Een verjaardag hebben ze daarna nooit meer gevierd.

23.00 uur. In de rookruimte van de bar zitten twee mannen aan het bier. Ze hebben een klus bij de staalfabriek in de buurt en overnachten al twee weken in Akersloot. „Nog één bier en dan slapen.” ’s Ochtends op het werk moeten ze standaard blazen, vandaar. Tel maar uit: het afbreken van 0,3 promille alcohol duurt een uur en een kwartier, dus als ze zes uur slapen moeten ze na hun vierde bier naar bed. De twee slapen de helft van hun leven in hotels, ze hebben hun verblijf geperfectioneerd.

De derde dag

11.00 uur. „Met Sarita. Ja, 155 is een blijver.”

„Met Sarita. Nee, 167 is een checkout geworden.”
Sarita maakt een inventarisatierondje voor haar ploeg – een vaste vriendinnenclub van zeven plus een stuk of acht uitzendkrachten. Vandaag moeten 160 kamers schoon, 20 minuten per kamer, haar telefoon gaat elke minuut.

„Met Sarita, kun je 114 checken voor me?”

Ze klautert op een stoel om een badmuts van een rookmelder te trekken. Het muntje van twintig cent vanonder het bed komt op tafel voor de schoonmaker, goed voor je karma. Schoonmaken is zwaar en ondankbaar werk. Haar ploeg komt niet voor niets uit Turkije, Bulgarije, Filipijnen, Thailand, Suriname. „Dit is een vluchtelingenkamp. Wij zijn vluchtelingen voor de liefde.” Heel wat van haar collega’s kwamen naar Nederland voor hun man. Zij deed het zelf ook, nadat ze die van haar had ontmoet op een Surinaams feest. Hij had de hele avond naar haar zitten kijken, terwijl haar broer er bij was nota bene, en de volgende dag stond-ie zelfs op de stoep. Zo werden ze de eerste donkeren van Uitgeest, maar dat maakte niks uit, want het welkom van de buren was warm.

„Housekeeping!” Een eindje verderop klopt Emad op de deur van de twaalfde kamer die hij vandaag doet.

„Housekeeping, joehoe!” Voordat je de douche ingaat moet je altijd nog een keertje extra kloppen. En dan in hoog tempo lakens afhalen, vloer dweilen, spiegel boenen, kranen oppoetsen, deurknoppen afnemen. Het bed opmaken kan hij inmiddels in één minuut. Hij zet z’n voet ertegenaan, gooit het laken op: „Kijk, al bijna klaar.” Twee keer wrijven, laken eronder proppen, rechts aan hoes trekken, links, nog één keer, en dan pssjt, pssjt, twee spuitjes luchtverfrisser op de gordijnen, pssjt, pssjt, pssjt, drie op de bedden, en pssjt, ééntje extra als er een hond is geweest. „Citroen. Echt lekker.” Het snelst is de kamer van de zakenman die niks heeft aangeraakt en niet heeft gedoucht. Kost zeven minuten. Maar als gasten echt hebben huisgehouden, is hij twee uur bezig. Soms zijn er klachten. Steevast van Duitsers, want die gillen al bij één haar op de grond.

Voordat je de douche ingaat moet je altijd nog een keertje extra kloppen. En dan in hoog tempo lakens afhalen, vloer dweilen, spiegel boenen, kranen oppoetsen, deurknoppen afnemen.

Andermans troep opruimen, daar heeft Emad geen problemen mee. Het zijn zijn gedachten die hem dwarszitten. Zoals de gedachte dat hij nog leeft, terwijl anderen dood gingen. Dus probeert hij vooruit te denken. Aan een eigen shoarmazaak, of een Grieks restaurant bijvoorbeeld, want van architectuur zal wel niks meer komen. In Akersloot probeert hij te sparen, maar vlotten doet dat niet met 10,61 euro per uur.

„Met Sarita. Ja, doe maar.”

Sarita pendelt heen en weer tussen haar schoonmakers. Ze legt een avondvierdaagse per dag af, maar echt slank wil ze maar niet worden. „Ik ben Surinamer! Ik wil niet doodgaan en dan naar beneden kijken en denken: dat had ik ook nog wel willen proeven.” Het lot wil wel dat ze deze week naar de begrafenis van een zwager moet die op een feest in z’n eten is gestikt. Waarin heeft ze niet durven vragen.

Door, naar de zwembadsuite, een kamer met achter de glaswand een eigen zwembadje – zeer populair onder de jeugd die ’t dan flikt om via de achterdeur ongenode gasten binnen te laten. De kamer ligt bezaaid met natte handdoeken en afval. Skittles, M&M’s, pindarotsjes, lege blikjes Red Bull. Sarita schudt haar hoofd. Pas als-ie er niet is, leert een motel z’n gast kennen. De vaste gast die z’n eigen slofjes onder het bed zet en z’n eigen koffieapparaat installeert, en liefst nog de klapstoeltjes en de parasol van thuis. De gast die ineens om vier uur ‘s nachts uitcheckt omdat „m’n dochter ziek is geworden”; ja tuurlijk man, is het niet genoeg dat je tegen je eigen vrouw liegt? De gast die zich zo stoort aan het gesnurk van zijn collega, dat hij met matras en al verhuist naar een andere kamer, en die collega de volgende ochtend in paniek de receptie laat opbellen over een vermissing. De gast die te laat uitcheckt, de gast die nooit uitcheckt omdat hij het hotel als zijn laatste bestemming heeft uitgekozen en door schoonmaak wordt aangetroffen. De gast die om volstrekt onbegrijpelijke redenen bloed of poep aan de muur smeert, gelukkig hebben ze daar vlekkentovenaar Antonio voor. De vrouw uit 216 die schuldbewust door de gangen sloop, terwijl het water zó het tapijt op liep. „Sorry, het is een beetje nat geworden”. Of dat stel uit de Ibiza-suite die bezaaid bleek te liggen met glas, maar dát ging echt te ver. „Toen heb ik de receptie gebeld. En Sanne gaf me gelijk.” Moest de gast zelf met een bezempje de boel gaan opruimen, net goed. „Vies, bloed, dat maakt me niks uit, maar dit was respectloos. We hebben wel een grens.”

Als je er niet bovenop zit, hebben ze seks in de gangen, seks in het trappenhuis, seks in het bubbelbad, te zien aan de veranderende golfslag

De dingen die ze aantreffen. De sokken, de vieze onderbroeken, de lege glazen, de lachgaspatronen, de drugs, de vlekken, de volle condooms, mensen kennen geen schaamte. Als je er niet bovenop zit, hebben ze seks in de gangen, vol in het zicht van de nachtwakers, seks in het bubbelbad naast het zwembad, te zien aan de veranderende golfslag, seks in het kleine saunahok, seks in het trappenhuis, seks achter het motel, overal behalve in hun kamer. Gelukkig moet iemand zelf de deur opendoen als roomservice aanklopt, want anders staat die nog met een dienblad aan het bed van een seksend stel. Sommigen nemen niet eens de moeite een lakentje over zichzelf te trekken. Ze hebben seks met hun minnaars en minnaressen, seks met collega’s, seks met een vreemde, opgepikt in de hotelbar. Ze hebben seks voor filmpjes die stiekem worden opgenomen in Akersloot – dan zie je vanaf de galerij bij het legen van de asbakken ineens fel licht door de vitrage schijnen. Filmpjes die later door de bediening op internet worden herkend en doorgestuurd aan elkaar. Ze hebben seks met prostituees, wat toch wel lastig is tegen te gaan, want je kunt een gast ook diep beledigen met die suggestie, en soms seks met dwang, met willoze vrouwen of jonge meisjes. Nachtwaker Marcel had een paar blikken op de camera en een diep ongemakkelijk gevoel van binnen nodig om de politie te bellen. Hij zag ze alleen maar op de rug, maar het was hoe ze liepen, twee mannen en een meisje, iets was mis. Hij had gelijk, godzijdank had hij gebeld.

De vierde dag

Hmmmm, doet de frisdrankautomaat. Bzzzzz, doet de schrobmachine van de nachtwakers. Woesj doet de gashaard. Sssssss, doet het vloeibaar ei. Housekeeping!, roept de schoonmaker.

Aan het ritme van het hotel is niet te ontkomen. Een dag de marsepeinen kasteeltjes níet aanvullen, de waterval in het zwembad níet aanzetten, dat kan niet. Natuurlijk, er zijn uitzonderingen op die routine. Als het linnengoed wordt gejat van het parkeerterrein, bijvoorbeeld. Als een dronken gast, achtervolgd door de politie, z’n auto in het weiland parkeert of als een goudhandelaar wordt neergeschoten op klaarlichte dag op de parkeerplaats, wat een toestand was dat. Maar het meeste van wat hier gebeurt, gebeurt al decennia zo.

Steve was 24 toen hij het hotel overnam van zijn vader Ben, die ziek werd en na een knal geplaagd wordt door een piep in z’n oor. Steve vond het te vroeg, maar het moest. En het zou er toch wel van komen. Niet onder dwang, maar zo gaat het gewoon in zijn familie. Tientallen kleinkinderen van opa Arie runnen een hotel, iets wat de nodige competitie binnen de familie oplevert, want iedereen is altijd jaloers op degene met de hoogste omzet bij Kerst en op het nieuwste hotel. Akersloot draait goed, maar als het regent is er sowieso lekkage, de vraag is alleen wáár.

Ergens in zijn tienertijd losten Steve’s kinderdromen over profvoetbal en autoracen als vanzelf op, een studie aan de hotelschool strandde. „Als je hersens hebt, hoef je niet meer te studeren”, zei ome Gerrit altijd. En werken in het hotel was zo gezellig, met al zijn vrienden uit de buurt. De jongens die een beetje tegen je opkijken omdat het allemaal jou gaat toebehoren, de meisjes uit de bediening die belangstelling voor je hebben. Het hotel was voor hem. Sla die gift maar eens af, stap daar maar eens uit.

15.30 uur. Marion van der Valk – rode velours broek, roze schoenen – ploft neer op een stoeltje in de lobby, „mijn huiskamer”. In haar kielzog hond Kay en Lot van het interieur. Ze bestelt een virgin gin tonic en een portie bitterballen.

Marion, moeder van Steve, woont een paar kilometer verderop met Ben. Leiding geeft ze niet meer, ze woont de helft van de tijd op Ibiza. Ze heeft zich vroeger altijd met de interieurs van de hotels bemoeid. Ze wijst om zich heen. De zitjes bij de ingang, de blauwe bekleding van de stoelen, het okergele behang van Arte, de grote designlampen, de rode kleuren in de bar, allemaal háár idee. Een lobby moet huiselijk zijn, dat willen de gasten. Ze haalde haar inspiratie overal vandaan. Het groene jasje van Jandino op oudejaarsavond op tv, in die kleur zijn nu de gordijnen in Oostzaan. Dat tapijt, dat is de stof van een tweedjasje dat ze zag. Liefst met motief, want dan zie je de vlekken minder. Japanse wanden, open haarden van blauw staal, de juiste badkamertegels uit Zuid-Spanje, zij verzon het. Ze heeft ook de suites ingericht: de Afrikasuite met wandposters van luipaarden en inheemse houtsculpturen en de Hollywoodsuite met spiegelplafond en paaldanspaal. „Marion is gek geworden, zei het personeel. Maar de suites zitten altijd vol.”

Ze kwam hier werken als receptionist toen ze twintig was en nog iets had met Leo van Claus Partyhouse, het hotel was net open. Ze wist niet wat ze wilde worden, zoende een keer met Ben in de koeling en bleef. Ze kwam te wonen in de suite boven het zwembad. Trouwen deed ze in een zaaltje in het hotel, maar pas nadat schoonvader Arie na een inspectie had geoordeeld dat ze goeie loopbenen en stevige werkhanden had.

Hoe was dat, een leven in een hotel? Ineens strak: „Schrijf dit maar op: de verslavingskliniek was het béste cadeau aan mezelf.”

De jaren die volgden, hadden zich gevuld met lange diensten bij het luik en achter de receptie, en het moederschap. Zij wilde er drie, haar man tien, het werden er zeven. Zes jongens en een meisje, de bevalling liet ze op afgesproken tijd inleiden. Bij de vierde kreeg ze bekkeninstabiliteit, en kon ze alleen nog maar achteruit lopen. Verlof? Echt niet. Een miskraam was ook geen reden om in bed te blijven liggen, een Valkvrouw piept niet. Had schoonmoeder Truus van Arie in Voorschoten niet ook tien kinderen gebaard? En die stond tot haar 65ste ook aan het luik. Als de familie in het weekeinde naar Arie en Truus reed, ploften de mannen neer om te kaarten, terwijl de vrouwen in de keuken verdwenen.

Marion van der Valk in de door haar bedachte Hollywood Suite

Vanaf de allereerste dag zat Akersloot vol, zegt Marion, het was altijd vechten tegen de drukte, tegen het personeelstekort. Soms stond ze met Ben op het balkon te kijken hoe de ene na de andere auto de afslag nam. Ze draaide volle dagen, om ’s avonds de kinderen in bed te leggen en dan weer naar beneden rennen om het ontbijt voor de volgende dag in te dekken en de administratie te doen. Het wás ook allemaal meer werk, toen. Omzetten moesten met de hand geteld, elke kamer met de hand geboekt, rekeningen met de hand geschreven, personeel met de hand uitbetaald. Tussendoor: naar school, de boodschappen, zeulend langs het zwembad naar boven, de sportclubjes. Als ze laat thuis kwam, liet ze Dries van de technische dienst de slapende kinderen van de achterbank tillen en naar boven sjouwen, soms vergat ze er één bij de receptie. Dóórgaan, nooit laten zien dat je moe bent, aan de gasten niet, aan het personeel niet, aan je eigen man niet. Behalve aan je moeder, ingetrokken in een van de bungalows naast het hotel om samen met haar man te helpen met de kinderen. „En nou moet je een week stoppen”, zei ze toen Marion eens huilend in de deur stond.

Het luik bepaalde haar leven, Van der Valk was haar hele wereld. „Ik was met de zaak getrouwd, je wordt er zó in meegezogen.” Het hotel gaf haar veel, dat weet ze. Werk, aanzien, rijkdom, avontuur. Het was dubbel, ze vond het ook heerlijk. Tussen de middag met al haar kinderen én hun vriendjes aanschuiven bij het lunchbuffet en weer door naar school. Het hotel was een vrijplaats. Alles kon, alles mocht. Een hotel is nooit, nooit saai. De overspeligen, waarvan je, als ze een beetje opschoten, de kamer nog een tweede keer kon verhuren, de zigeuners die het dak zouden repareren maar alle pannen meenamen, diverse reanimaties van jubilarissen die de opwinding te groot werd, stiekem met Ben inchecken in de Ibizasuite met een fles champagne, omdat vrijen in een hotelkamer nou eenmaal leuker is, en dan wegwezen voor de nachtportier kwam.

Altijd die hotelglimlach, het gíng niet meer.

Ze had het niet willen missen. Maar het was veel te veel, en Ben was ook grenzeloos. Altijd die hotelglimlach, het gíng niet meer. Ze raakte uitgeput. Ze werd hard tegen anderen, ging drinken tegen de stress. Toen ze zeven kinderen opvoedde, een nieuw woonhuis én een nieuw hotel in Almere bouwde en schildklierklachten kreeg, kreeg ze een burnout. Ze liet zich opnemen in een verslavingskliniek in Thailand, waar ze alsnog de stoelen ging opstapelen en de salades maken. „Hoeft niet Marion, zeiden ze daar. Doe je make-up af.”

Nu maakt ze een gratitude list, die ze elke ochtend appt naar haar vriendinnen op Ibiza. Ze is dankbaar voor wat ze allemaal heeft. Voor haar leven, voor de kinderen, Justin in het hotel in Spier, Mitchell in Oostzaan, Robert en Maxime in Almere, Michael in Oostzaan, Nick in Tilburg, Steve in Akersloot. Maar ze moeten nog wel veel leren. Laatst hadden ze met alle neven en nichten een managementtraining in de Ardennen. Kozen ze allemaal de allerzwaarste optie: aan elkaar vast geknoopt, geblinddoekt en zónder hulp de klimmuur op. Zo typisch. „Trots zit de familie in de weg.” Deze generatie moet het anders gaan doen. Tegen Sanne, ook zo’n workaholic, zegt ze: je moet die baby heel veel tegen je aan houden.

Zelf heeft ze haar besluit genomen. Ze gaat eruit, een zeldzame stap voor een Valkvrouw. Een nieuw leven, voor zichzelf, op Ibiza.

De vijfde dag

7.00 uur. Woesj, met een draai aan de dimmer vlamt de gashaard aan.

9.00 uur. Táktákták doet het hakmes van Jorge, hij fluit erbij.

10.30 uur. „Met Sharita!”

12.00 uur. Psssjt, Emad spuit een vleugje citroen op het bed.

Jorge, Sarita, Emad, dat zijn de decorbouwers. Trek in Akersloot niet aan de velours gordijnen in de lobby, na een meter houden de gordijnrails op. Rammel niet aan de gouden doosjes bonbon bij de receptie; leeg. En de shetlandpony’s op de weilanden rondom, neergezet door ome Gerrit, dienen het uitzicht van de hotelgast. Akersloot is theater met een vast decor. Een droomwereld beschenen door kunstlicht, kaarslicht, flakkerende open haard, een plek waar iedereen naar je glimlacht en waar je dingen kunt doen die daarbuiten, onder het juk van baas en gezin, onmogelijk zijn. In Akersloot ligt de Bijbel niet op het nachtkastje, maar op het kluisje in de garderobekast. Alle zonden bedekt onder een dikke laag stroganoffsaus.

De shetlandpony’s op de weilanden rondom dienen vooral het uitzicht

Er zijn mensen die dit theater amper verlaten. De buitenlandse profvoetballer van AZ, wachtend op een huis, die na máánden van kamer wisselt, gewoon, om een ander uitzicht. De dagslapers van de staalfabriek die niet gestoord mogen worden en op een eigen gang, achterin, een omgekeerd leven leiden. De ex-beveiliger van dj Dimitri die na zijn mislukte huwelijk een jaar in het motel heeft gewoond. Lekker dicht bij de snelweg, snel weg kunnen, daar houdt hij van. De wankele mevrouw van een van de bungalows naast de parkeerplaats, die jaren geleden zomaar eens incheckte met haar man vanwege de shetlandpony’s en de weidsheid van het uitzicht en nooit meer uitcheckte. In maart overleed haar man en sindsdien kijkt ze elke ochtend vanuit de deuropening naar de hemel: „Dag Leo.” En Steve zelf natuurlijk. Een Van der Valk blijft in zijn eigen nest.

Maar Sarita trekt om vier uur de zijdeur achter zich dicht. Dan staat ze met haar vriendinnen van de vaste schoonmaakploeg bij de fietsen nog wat te kletsen, over alles behálve werk. Ze zwaait met haar handen: links haar sierhand met lange, met kleurtjes en steentjes versierde nagels en rechts haar kortgeknipte werkhand. Zo moet je leven, vindt ze, werken én genieten. Ze was gisteren op de begrafenis van haar zwager, zoiets zet je toch aan het denken. „Het leven is zó kort, en mensen maken zich zó druk.”

En Emad, die is laatst verhuisd naar Alkmaar, waar hij graag kookt voor z’n buren en soms zelfs voor de daklozen in zijn buurt. Hij pakt zijn mobiel. „Kijk!” Aardappel met komijn, gegrild in de oven, kipfilet met zwarte en witte peper en een beetje kaneel en kardemom, of met knoflook, een medicijn voor vrijwel alles. Geef hem een paar kaarsen, een fles wijn, Julio Iglesias en hij is blij.

Jorge hakt in de keuken met zijn mes de bieten fijn. „Rúst, zei ik tegen Ben.” Ben was streng, ook voor zichzelf. Stond-ie zelf nog patatjes te bakken als er personeelstekort was of bij het luik borden te stapelen. „Ik zei: Je hebt geld genoeg! Neem vakantie, geniet van het leven!“ Och, zwijmelt hij, „dit is zó’n mooie salade, bieten zijn lekker hoor. In Portugal zijn bieten voor de varkens.”

Door een gang beent Marion, Akersloot-pas, opgeheven hoofd.

De zesde dag

12.00 uur. De buffetkok zet in de grote zaal boven de chocoladefontein aan, drabbige chocolade begint over de randen te stromen. Vijf uur te vroeg, maar dat ding is zo leuk om naar te kijken.

Straks kijkt hij even een half uurtje Amerikaans worstelen op zijn tablet, met een glaasje sinas erbij, en dan gaat het los. Live cooking in Akersloot, elke zaterdagavond vanaf vijf uur all-you-can-eat voor zevenhonderd man, dé publiekstrekker in de wijde omgeving. Om half vijf verzamelen de eerste groepen al in de lobby.

17.00 uur. Bakplaten dampen, hittelampen gloeien, op de tafels branden 130 kaarsen. In de bovenzaal zitten tientallen gezelschappen klaar voor het buffet, zeven koks live aan het werk, drie man vullen aan.

Biefstuk, spareribs, entrecôte, varkenshaas, zalmfilet, tongfilet, kipfilet, runderfilet, wildstoof, stoofperen, wokgarnalen, gewokte rijst, groente, groentespies, roomsaus, pepersaus, satésaus, soepen, kazen, worsten, carpaccio, tapenade, gerookte zalm, oesters, haring, sushi, huzarensalade, pastasalade, garnalensalade, tonijnsalade, fruitsalade, chocolademousse, slagroomsoes, donuts, wafels, roomijs, frambozenbavarois.

Akersloot heeft de borden iets kleiner moeten maken. Als je ziet wat mensen ópscheppen, en wát ze laten liggen. Tot negen uur duurt het all-you-can-eat-concept, om zeven uur zijn alle buiken rond. Of er iets mis was met het eten, hoort het hotel naderhand soms van een gast met buikpijn. Wat denkt-ie zelf? Haring met nasi en de satésaus druipend eroverheen, dat blíjft voor de koks moeilijk om aan te zien.

Akersloot heeft de borden iets kleiner moeten maken. Als je ziet wat mensen ópscheppen, en wát ze laten liggen

Kijk, er zijn er die lopen eerst rustig een rondje voordat ze opscheppen. Anderen pakken een bord en beginnen meteen, én maar doorstapelen. Zet een hek om je bord, anders valt ’t eraf! Vooral Russen hebben er een handje van. Coquilles? Sommige gasten weten niet wat dat zijn. Je kunt wel enorm culinair gaan lopen doen, maar dat is niet nodig. Marion heeft weleens sashimi op de kaart willen zetten, keken haar kinderen haar bevreemdend aan. Ma-am, daar vráágt de gast niet om. Liever staat hij in de rij voor de nieuwe gratis trekmuur die Akersloot bij Live cooking heeft geïntroduceerd. Twéé kroketjes per vakje.

Terwijl de gasten langs de bakken trekken, patrouilleert Ton Tendijck, baas over het hele buffetgebeuren, door de zaal. Nauwlettend houdt hij de dranktoevoer in de gaten. En zijn dochter, want die werkt hij vanavond in. Ondanks zijn astma legt hij, blik op de stappenteller, 21 kilometer per dag af, het dubbele van wat een gemiddelde luikloper doet. Zijn ploeg bestaat vanavond uit een pluk „kleintjes” en een paar ingewerkten, ze staan 1 op 30. Hoe minder ervaring, hoe dichter bij de bar hij ze zet, en dan schuiven ze elke week een rijtje op. De kleintjes leert hij dat ze minder vaak moeten lopen naar de gasten die dronken worden en dat ze handtastelijkheden meteen bij hem moeten melden. Tegen z’n dochter: „Lachen, hè?”

De tafels zitten vol, glazen zijn gevuld, rode konen, harde stemmen. Een tafel begint te klappen, hiep hiep hoera, vier tafels doen mee. Aan een tafel achterin viert een man zijn 76ste verjaardag, voor de derde keer in Akersloot, ditmaal met zijn buren en de schoonouders van zijn dochter. „76, dat is zijn kamernummer!” „Hij héb de bruidssuite, hahaha.” Bulderend gelach. „Maar de bruid komt niet!” Een oudere Amerikaanse vrouw uit het gezelschap van zaadhandelaren wankelt langs de tafeltjes, de lange avonden hakken erin. Met schorre stem: „It’s áll going downhill from now on.”

19.00 uur. Beneden dendert het à la carte-restaurant gewoon door.

„Kom maarrrrrr. 36! Kom maarrrrrr. 36!”
„Kom maarrrrr 644! Mag ik een kipspies?”

Zeven jongens en meisjes staan in de rij voor het luik. Dienbladen vol borden met schnitzel en cordon bleu schuiven langs, 250 reserveringen, duizend gerechten op een avond. Steve staat erbij en controleert de bonnetjes bij de borden. Hij is rood aangelopen, op zijn witte overhemd zit een spinazievlek, theedoek in zijn rechterhand.

„Chelsea staat 1-0 voor”, toont een jonge luikloper met zijn telefoon aan een vriend.
Een restaurantmanager, fel : „Hee kan niet hè! En ook nog eens geen zwarte broek aan!”
„Kom maarrrrrr. 150! 150!”
„Sjors, zit het vol binnen?”
„Bíjna.”
„Is 101 weg?”

Steve werkt geen tachtig uur zoals zijn ouders, eerder zestig. Ook woont hij niet meer ín het hotel. Maar meedraaien, dat is onveranderd. Nóóit met lege handen naar de keuken lopen, hij zegt het als een mantra. Steve wil het goede voorbeeld geven. Kan-ie gelijk zien of alles goed gaat, en wie de uitblinkers zijn. Verder blijft hij op de achtergrond, op harde toon de directeur uithangen zit niet echt in ’m. Bazig is Steve niet. Bedrijfsleider Bob is meer van de orders.

„Twee sliptong, twee zalmfilet, twee mixed grill.”

„Kom maarrrrrr. 169! “Kom maarrrrrr. 169!”

21.30 uur. Het buffet is afgeruimd maar de avond is pas halverwege. In zaal Londen houdt een vrouw twee stickers met ‘65’ erop voor haar borsten, twee veertigers dansen op het dansvloertje. “I will survive!” zingt de zangeres van de band keihard, het geluid galmt de hele lobby door. De kleinkinderen van de jarige zijn er niet, die kijken in een zaaltje Madagascar op de beamer. Vanachter de tafel in de hoek aanschouwt een rijtje zeventigers het tafereel. Tot eentje zich van hen losmaakt en stram onder de vlaggetjes door de dansvloer oversteekt, handen in de lucht. „Laaa la la, la laaa la la la la la.”

1.00 uur. De man van de jarige, zoete witte wijn in de hand, komt de bar binnen voor een afzakkertje. „Oh ja, ze is jarig! Ik was het alweer vergeten!” Bier vloeit onophoudelijk uit de tap, op het scherm slaat kickbokser Rico Verhoeven iemand tegen de vlakte. In een hoek van de bar laat een zaadhandelaar schaterend foto’s rondgaan van zijn collega in een piemelpak, hoogtepunt van het uitje naar Amsterdam. In de nevelige rookruimte ernaast hebben twee jongens van oma’s feestje hun onderbroek tot op de enkels laten zakken. De barman, poetsend aan de glazen, kijkt niet op. „Oh, die trekken ze zo wel weer omhoog.”

2.30 uur. De bar is leeggelopen. Bij de nachtwakers melden zich nog twee Britse mannen, type louche. Ze willen elk een eigen kamer, maar dat kan niet meer. Met drie flesjes wijn druipen ze af naar de tweepersoonskamer. Door de speakers klinkt de playlist van Sharon. Een uit de hand gelopen feestje op een kamer of een uitzetting breekt de nacht nog een beetje. Maar als er niks gebeurt, kan die zo lang duren.

Aan een tafeltje in het lege restaurant zit Steve te pokeren met z’n personeel.

De zevende dag

9.30 uur. „Champagne?” Een jong meisje met dienblad schuifelt tussen tafels vol roerei en gebakken spek. Een champagneontbijt voor iédereen, dat is Van der Valk.

10.30 uur. Een hoog taxibusje voor de ingang. Vaste prik in het weekend, als „de luiken van het bejaardentehuis” weer open zijn gegaan, zoals Ton van het buffet het altijd half liefdevol, half snerend zegt. Uit de achterklep rollen twee rolstoelen en een rollator. De bezoekers nestelen zich snel vooraan.

De beste plekken, dat zijn de vier tafeltjes naast de receptiebalie. Die bieden ongehinderd zicht op de stoet vertrekkende gasten. Op de eerste rij zit elke week hetzelfde publiek: de mensen van de camping, het stel van 91 en 66 dat samen op de motor komt. Ze kennen elkaars namen niet, maar weten wel van elkaar hoe ze hun koffie drinken en of ze slagroom bij de appeltaart nemen. Klaar voor de show.

Kijk daar, die louche Britten die niet op één kamer wilden. Ze komen met hun rolkoffers weer naar buiten, nu met jaren-80-zonnebril op, sigaartje in de mond. Ze zijn „op vakantie” bij vrienden, zeggen ze afwerend en nu pakken ze een „taxi”. Fiet fiew, fluit de chauffeur van de rammelende Seat die aan komt rijden, de mannen geven hem een stevige hand en duiken rokend op de achterbank.

En daar, de oma van het feestje met haar man, kleine oogjes, stroeve pas. De kinderen hebben nog tot half vijf doorgefeest op de kamer. En dáár, een Marokkaanse jongen en z’n verveelde meisje, die in een glanzende witte tweedeurs Mercedes C180 stappen. Drie meisjes met roze poezenoortjes in het haar, een vrouw met gi-gan-tische borsten in een blauw buiktruitje, de toeschouwers rekken hun nekken. Toen de deelnemers van het jaarlijkse dominatrix-feest in Uitgeest hier met korting sliepen, rolden ze bijna van hun stoel. Alleen het geluid al, kwiek kwiek kwiek, van benen in latex die tegen elkaar schuurden. De zaadhandelaren hangen met hun koffers uitgeteld in de lobby.

Steve en Sanne nemen een kop koffie in het restaurant. Steve heeft gewonnen met pokeren vannacht, terwijl Sanne door het huis doolde, ze kan nooit slapen als Steve er niet is.

Het gesprek komt op zijn ouders, hoe het hotel hen opslokte. Hij kan het begrijpen. Andere tijd, andere generatie. Maar hij wil het anders doen.

Is Sanne niet boos dat hij zo laat thuis kwam? „Nu mag hij nog. Tot de baby er is.” Glimlachend kijkt ze hem aan. „Hij heeft beloofd dat hij de nachten gaat doen.”

Op 16 november beviel Sanne van een gezonde zoon, James, 3.515 gram. Steve geeft ’s avonds de laatste fles.