Het werd tijd voor Ouwer Power

In deze rubriek elk weekeinde een necrologie van iemand die recent is overleden. Juriste Jacqueline de Savornin Lohman (1933-2018) werd rond haar 70ste nog cabaretière.

Jezelf opnieuw uitvinden. Dat was het levensmotto van Jacqueline de Savornin Lohman. De voorbije jaren vooral bekend als oudste cabaretière van Nederland; een tengere vrouw die ondanks haar hoge leeftijd nog soepel over het toneel van de kleine theaters wist te bewegen en er niet voor terugdeinsde een been met zwierige zwaai op de vleugel van haar pianist te leggen. Een artistieke carrière die zij pas rond haar zeventigste begon. Tijd voor „Ouwer Power”, vond zij. Het werd een succes.

Daarvoor was ze bekend van heel veel andere dingen: op de voorste rij toen in 1966 in Amsterdam de politieke partij D’66 werd opgericht; bekend progressief jurist; hoogleraar; Eerste Kamerlid. Op 24 november overleed ze op 85-jarige leeftijd.

Ze wilde waardig sterven nadat een maand daarvoor darmkanker was vastgesteld. „Aan mijn lijf geen medische polonaise”, liet zij haar kinderen weten. Ze had een prachtig leven gehad, vond ze.

Was dit echt wat zij zelf wilde, vroeg de arts kort voor de definitieve handeling nogmaals voor alle zekerheid. „Absoluut”, antwoordde Jacqueline de Savornin Lohman voordat ze resoluut de slaapkamer met haar sterfbed in wandelde.

De begrafenis van enkele dagen later had ze zelf geregisseerd. Met bijvoorbeeld het ‘A toi la Gloire’ tijdens de de dienst en het verzoek aan de aanwezigen om een Hebreeuws mantra te neuriën terwijl zij achter de kist aanliepen. Tot verbazing van velen. Jacqueline was toch atheïst?

Ze kende zichzelf. „Als je wordt teruggeslagen op jouw basis word je gedwongen weer ervaring op te doen. Ik noem dat faalkracht. Mijn cv zit er vol van”, zei ze in een van haar conferences op het podium. Een verkeerde term, vindt vriendin Joyce Hes. Faalkracht heeft iets negatiefs, of je zelf iets verkeerd hebt gedaan. Maar dat gold volgens haar juist niet voor Jacqueline de Savornin Lohman. De weerstand die zij ondervond kwam van anderen.

Als je wordt teruggeslagen op jouw basis word je gedwongen weer ervaring op te doen. Ik noem dat faalkracht

En er was veel tegenkracht. „Geen lagere school, maar wel een jappenkamp doorstaan”, schreef zij in 2014 in haar boekje Doen moet je doen.

Tegenwerking ondervond ze ook toen ze serieus aan de slag wilde met haar aan de Universiteit van Leiden afgeronde studie Nederlands recht. Een hoogleraarschap in Twente ging op het laatste moment als gevolg van bureaupolitieke machinaties niet door, de Leidse universiteit vond haar te non-gouvernementeel en onvoorspelbaar, in Rotterdam vond zij een verdeelde vakgroep tegenover zich. Uiteindelijk werd De Savornin Lohman in Amsterdam hoogleraar sociale hulpverlening bij de faculteit andragologie. Totdat de vakgroep in 1992 werd opgeheven. Een besluit dat ze in de krant moest lezen.

Ze hield zich op in het progressieve strafrechtmilieu waarin mensen als Willem Nagel en Loek Hulsman, oprichter van de Coornhert Liga, figureerden. Het proefschrift waarop ze in 1975 promoveerde heette Kwaad dat mag? Daarin bepleitte ze actief overheidsoptreden om de maatschappelijke oorzaken van criminaliteit te bestrijden.

Later is zij daar wel enigszins van teruggekomen. In zijn boek Verslaggever van beroep herinnert oud-NRC-journalist Sytze van der Zee zich een toespraak van Jacqueline de Savornin Lohman voor een gezelschap buitenlandse correspondenten van de krant. Ze had het over de losse moraal van de jaren zestig en de onbeperkte toestroom van migranten die tot een verminderde sociale cohesie hadden geleid. Van der Zee: „Het zou nooit meer zo worden als in de jaren vijftig en zestig luidde haar conclusie.”

In 1991 was ze met een twaalfkoppige D66-fractie in de Eerste Kamer gekozen. Ze voelde zich er niet thuis. „Ik dacht één termijn en dan wegwezen”, zei ze later. „Het Kamerwerk lag me niet. De onderlinge competitie, het belang van de coalitie. Uiteindelijk werd ik er letterlijk ziek van. Ik kreeg gordelroos.”

Bob van den Bos, destijds fractiegenoot van De Savornin Lohman, had het idee dat zij „enigszins verdwaald” was in de Eerste Kamer. „Haar later gebleken theatrale vaardigheden heeft zij in de senaat zorgvuldig verborgen weten te houden”, zegt hij.

Begin jaren negentig werd zij verlaten door haar man, journalist Rob Soetenhorst, met wie zij drie volwassen kinderen had. „Dat was een enorme klap voor haar, waardoor ze een tijd van slag is geweest”, zegt jongste zoon Bas. „Maar zij heeft zich herpakt, kreeg vleugeltjes, verhuisde naar Amsterdam en pakte daar haar oude liefde voor het cabaret op”.

Niet langer het ‘tussen-de-schuifdeuren-werk’ maar meer. Haar ergernis over cabaretiers die oude mensen neerzetten als „raarlopende, lichtkwijlende en een rollator voortduwende semigekken” moest worden doorbroken. Kennis en stemtherapeut Jan Kortie stimuleerde haar er een onewomanvoorstelling van te maken.

Afgelopen augustus vierde zij in het kleine Parool-theater in Amsterdam met familie en vrienden haar 85ste verjaardag. Natuurlijk met haar eigen show. Haar laatste show.