Recensie

Een aantrekkelijk én behapbaar boek over moeilijke wetenschap

Jan Paul Schutten De bijzondere gave van Jan Paul Schutten (1970) zit ‘m in het aantrekkelijk opdienen van gecompliceerde wetenschap. Hij maakt de materie behapbaar voor kinderen, én leuk.

Illustratie Floor Rieder uit besproken boek.

‘Verbeelding is belangrijker dan kennis’, staat er op een bordje boven het schoolbord dat Floor Rieder tekent in Het mysterie van niks en oneindig veel snot. Voor de argeloze lezer voelt dat als een leuke, lukrake tegeltjeswijsheid (ernaast een tegeltje met ‘Tijd is geld’). Maar het is een verademing wanneer je de waarde ervan kunt inschatten omdat je weet wie hem deed: Albert Einstein.

Sterker nog: dat voelde voor mij als een geruststelling, middenin een jeugdboek (!) waarin schrijver Jan Paul Schutten vertelt over het allergrootste en het allerkleinste – van oerknal tot quantumfysica. Dat is, zacht gezegd, niet de simpelste materie, ik beken: het was hard werken om alles te volgen. Laat staan dat ik het kan navertellen. Maar wat ik heb meegemaakt tijdens het lezen, is dat er af en toe een lichtstraal van begrip door de wolken van onbevattelijkheid brak – ik zag voor me wat er uitgelegd werd, terwijl dat eigenlijk nauwelijks ingebeeld kán worden. Ik snápte het! Even. Ik doorgrondde het misschien niet volledig, maar kon het me wel verbeelden – en verbeeldingskracht is belangrijker dan kennis, Einstein zegt het.

De bijzondere gave van Jan Paul Schutten (1970) zit ‘m in het aantrekkelijk en behapbaar opdienen van gecompliceerde wetenschap. Aan abstracties voegt hij concrete metaforen toe, wat vooral neerkomt op: hij schroomt niet om zichzelf als verteller in de materie te mengen. Zo nam hij ons, samen met illustrator Floor Rieder (1985), al mee door de evolutietheorie, in het onovertroffen, terecht alom bekroonde Het raadsel van alles wat leeft (2013), en later in Het wonder van jou (2015) door het menselijk lichaam.

Maar wat Schutten zich nu op de hals heeft gehaald! De vragen klinken nog leuk: waar komen we vandaan? Hoe kon er eerst niks zijn en toen iets (de oerknal)? De antwoorden voeren langs begrippen die je de moed gemakkelijk kunnen benemen: weinig is abstracter dan donkere materie en quantumfluctuaties. Misschien wel het meest bewonderenswaardig aan Het mysterie van niks is de durf om dit onderwerp bij de horens te vatten en vervolgens geen concessies aan de werkelijkheid te doen. Want Schutten vereenvoudigt en doseert zijn informatie, maar wekt niet de indruk halve waarheden te vertellen.

En hij past de methode-Schutten toe, met zijn fijne babbelen en sterke beeldspraak – met de aantrekkelijkheid zit het weer snor. Als hij de bekende rijdende-treinmetafoor gebruikt om de relativiteitstheorie uit te leggen, voegt hij humor, metaforen en de menselijke maat toe (‘Minke van Delft uit Groesbeek’ en haar tennisballenkanon). Precies dat maakt de materie behapbaar, én leuk. Vergelijkbaar is de grote rol voor ‘de babyfoto van het heelal’, een beeld dat twee keer in het boek voorkomt en, zeker dankzij die benaming, tot het lumineuze inzicht leidt dat het allergrootste en het allerkleinste zeer veel met elkaar te maken hebben.

Dát inzicht blijft hangen, maar veel van wat je leest verwatert weer – en dat mág. ‘De grootste genieën snappen ook niet alles’, schrijft Schutten aan het begin. Rieders illustraties spelen daarin ook een grote rol. Zij overtreft haar werk uit Het raadsel van alles wat leeft (waarvoor ze het Gouden Penseel kreeg) met illustraties die nog verhelderender zijn én grappiger, en zodoende onmisbaar raak. Een belangrijke kracht van haar tekeningen is bovendien dat ze haar schrijvende kompaan niet altijd serieus neemt (en stiekeme beledigingen aan zijn adres tekent).

En zij verstopte die Einstein-uitspraak in het boek. Die misschien wel het waardevolste besef uit het boek is, en eigenlijk ook een geweldige metafoor voor de taak waarvan Schutten en Rieder zich zo voorbeeldig gekweten hebben. Zij staan op de schouders van de delvers van kennis, maar zijn dankzij hun vertaalslag de aanwakkeraars van het denken, de verbeelding. En dat is belangrijker.

    • Thomas de Veen