Faxen over patiënten moet straks écht voorbij zijn

Patiëntgegevens Het ministerie van VWS neemt het heft in handen zodat ICT in de gezondheidszorg op elkaar aan gaat sluiten. Vier vragen.

Foto Koen Suyk/ANP Xtra

    Artsen moeten verplicht digitaal en op dezelfde manier gaan communiceren over hun patiënten, maakte het kabinet deze week bekend. Waarom mislukten eerdere plannen? En wat gebeurt er nu met je medische gegevens? Vier vragen en antwoorden.

  1. Wat is het probleem?

    Artsen en therapeuten kunnen vaak niet goed met elkaar communiceren over patiënten en als ze dat wel doen gebruiken ze regelmatig een andere ‘taal’. De software van systemen waarin huisartsen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, ggz-instellingen en apothekers patiëntgegevens bijhouden, sluit vaak niet goed op elkaar aan. Daardoor wordt nog vaak via de fax gecommuniceerd, of moeten patiënten handgeschreven briefjes van de ene arts aan de andere geven. Onlangs beschreef het RIVM het probleem in een rapport. Het nam daarvoor het voorbeeld van een patiënt die van het ziekenhuis naar een verpleeghuis moet: „Als de transferverpleegkundige van het ziekenhuis al in staat is de overdracht van informatie elektronisch te verzenden, dan moet de ontvangende verpleegkundige die formulieren nog vaak met de hand intypen.” Bijkomend probleem is dat artsen vaak letterlijk verschillende talen spreken. ‘Bb’ is ‘bovenbuik’ voor een huisarts, maar ‘bovenbeen’ voor de fysiotherapeut. Door slechte communicatie worden soms fouten gemaakt. Patiënten krijgen bijvoorbeeld medicatie waarvoor ze allergisch blijken.

  2. Wat gaat het ministerie precies doen?

    Het kabinet wil deze problemen nu oplossen via wetgeving: alle zorgverleners moeten straks ICT-systemen hebben waarin ze digitaal en op dezelfde manier met elkaar kunnen communiceren. Patiënten moeten altijd zelf hun gegevens kunnen inzien en altijd toestemming geven voor het delen van hun gegevens. Als het goed is, weten artsen straks allemaal van elkaar wat ze hebben gedaan en wat de patiënt nodig heeft – daar moet de zorg beter van worden.

    Het ministerie richt zich eerst op de belangrijkste knelpunten: daar waar veel gegevens worden uitgewisseld tussen verschillende instellingen. Zoals het moment wanneer een patiënt naar een ander ziekenhuis gaat, of vanuit het ziekenhuis naar een revalidatiecentrum. Met beroepsverenigingen worden standaarden afgesproken: technische eisen aan systemen zodat ze goed op elkaar aansluiten. Als softwareleveranciers tegenstribbelen, dan kan het ministerie deze standaarden afdwingen door ze te verankeren in wetgeving. Er hangt geen termijn aan, maar deze omwenteling van de zorg zal jaren duren.

  3. Wat is het verschil met het Elektronisch Patiëntendossier?

    Het landelijke Elektronisch Patiëntendossier sneuvelde in 2011 in de Eerste Kamer, dat zich vooral grote zorgen maakte over de privacy van patiënten. De erfenis van het EPD werd omgevormd tot het Landelijk Schakelpunt; een soort technisch wegennetwerk tussen instellingen. De meeste huisartsen en apothekers gebruiken het om gegevens over medicijngebruik van patiënten naar elkaar te sturen. Het is, anders dan het EPD, een regionaal systeem. Maar het werkt stroperig: door verschillen in software lukt het artsen vaak niet om de medische dossiers te koppelen. In 2016 bleek uit onderzoek van Nictiz (expertisecentrum voor standaardisatie en e-health) bijvoorbeeld dat bijna alle apothekers in Nederland nog werken met recepten via de fax.

    Het voorstel van minister Bruno Bruins (Medische Zorg, VVD) behelst geen nieuw technisch systeem zoals het EPD of het LSP. Hij wil dat bestaande systemen en software met elkaar gaan ‘praten’, zodat belangrijke informatie niet meer verloren raakt. Bruins wil dat de politiek weer het heft in handen neemt op dit gevoelige dossier.

  4. Welke obstakels zijn er voor dit plan?

    Het ministerie zal technische eisen stellen, maar wil ze op een neutrale manier formuleren zodat geen softwareaanbieders worden buitengesloten. Toch vormen zij een horde, want zonder hun medewerking gaat het niet lukken. Ze verdienen veel geld aan ICT in de zorg, soms juist doordat er zulke grote verschillen zijn.

    Meer dan de helft van de ziekenhuizen gebruikt bijvoorbeeld software van het Nederlandse bedrijf Chipsoft om de patiëntgegevens in te beheren. Om aan te tonen hoeveel geld erin omgaat: het Universitair Medisch Centrum Utrecht betaalt bijvoorbeeld jaarlijks miljoenen voor de licenties. Maar zelfs twee ziekenhuizen die Chipsoft-systemen gebruiken zijn niet altijd op elkaar aangesloten – ook dat kon apart weer tonnen kosten. Chipsoft was vrijdagmiddag niet bereikbaar voor commentaar.

    Een ander gevoelig punt, zeker wanneer de overheid zich gaat bemoeien met ICT, is de privacy van de patiënt. Alleen al in de eerste helft van dit jaar werden er 2.500 datalekken gemeld uit de zorgsector aan de toezichthouder Autoriteit Persoonsgegevens. Meestal waren dat persoonsgegevens die naar verkeerde ontvangers werden verstuurd. Of dat aantal door de nieuwe afspraken zal dalen, zal moeten blijken.

    Lees ook: Kabinet verplicht zorgverleners patiëntendata digitaal te delen