Recensie

Recensie Boeken

Dit briljante boek werd per toeval herontdekt in een tweedehandsboekwinkeltje

William M. Kelley Deze herontdekte schrijver wordt ‘de verloren reus van de Amerikaanse literatuur’ genoemd. Zijn roman over een zwarte exodus in het Zuiden van de VS is zowel een briljant als een origineel boek.

Illustratie Paul van der Steen
    • Shira Keller

Alleen al de manier waarop de Afro-Amerikaanse schrijver William M. Kelley werd herontdekt zou als fictieplot niet misstaan. Zomer 2017. In een obscuur tweedehandsboekwinkeltje stuit journaliste Kathryn Schulz per toeval op Kelleys naam, die bij haar geen belletje doet rinkelen. Ze besluit eens iets van hem te lezen, wordt door zijn debuutroman omvergeblazen en verslindt zijn vier andere boeken. Het resulteert in een bevlogen beschouwing, die in januari in The New Yorker verscheen: ‘De verloren reus van de Amerikaanse literatuur’, heette Kelley. Het was het startschot voor een internationale run op de vertaalrechten van Kelleys werk. Zijn debuut Uit de maat (A different drummer, 1962) verscheen nu voor het eerst in Nederlandse vertaling. Is deze hernieuwde aandacht voor Kelley terecht? Als u het mij vraagt: absoluut.

De premisse van de roman is even eenvoudig als briljant. Het is juni 1957. Tucker Caliban, een zwarte inwoner van een fictieve zuidelijke staat in Amerika, jaagt zijn vee kogels door de kop, steekt zijn huis in brand en vertrekt met vrouw en kind naar het noorden. Het is een opvallende gebeurtenis in een stadje waar normaal gesproken niet zo bar veel te beleven valt. Des te wonderbaarlijker is het wanneer in de 48 uur na Calibans vertrek de complete zwarte bevolking van de staat zijn voorbeeld volgt. Zonder uitleg, schijnbaar zonder reden, verlaten de gezinnen de staat, tot er geen enkele zwarte inwoner meer over is. Uit de maat speelt zich af gedurende deze 48 uur, waarin Kelley getuigen aan het woord laat. Zijn vertellers zijn allemaal wit. Van arbeider tot grootgrondbezitter, elk van hen doet verwoede pogingen chocola te maken van de onaangekondigde exodus.

Honderdvijftig jaar geleden

Zo maken we kennis met de oude meneer Harper. Volgens hem komt het allemaal door ‘het bloed’. Hij vertelt het mythische verhaal over de aankomst van een slavenschip, zo’n 150 jaar eerder. Een van de tot slaaf gemaakte opvarenden (‘De Afrikaan’) is niet van plan zich zonder slag of stoot over te geven. Het is een reus van een vent: toen hij oprees bleef zijn lichaam ‘maar verdergaan toen het allang had moeten zijn opgehouden’. Hij onthoofdt de slavenhandelaar en breekt ruggen ‘als droge vorkbeentjes’. Na een tijdje ontdekten de mensen aan de kade dat deze Afrikaan ook nog iets ‘onder zijn arm had zitten’; ‘aanvankelijk dachten ze dat het een tumor of een gezwel was en besteedden ze er geen aandacht aan, en toen merkten ze dat het helemaal uit zichzelf bewoog en ogen had, en zagen ze dat het een baby was’. (Ja, Kelley heeft een geweldig gevoel voor komische timing. Anders dan deze citaten misschien doen vermoeden zet hij humor heel gedoseerd in; nooit wordt het melig.)

Lang verhaal kort: de Afrikaan redt het niet, maar de baby wel, en die baby is een voorouder van Tucker Caliban, door wiens aderen dus het bloed van de mythische Afrikaan stroomt. Harpers toehoorders plaatsen zo hun vraagtekens bij diens hypothese: ‘Hoe kan iets wat honderdvijftig jaar geleden is gebeurd [...] nou in vredesnaam iets te maken hebben met iets wat deze week is gebeurd?’

Halve leugens

‘Niemand beweert dat dit verhaal helemaal waar is’, zegt Harper, maar ‘het verhaal is verdomd goed geworden doordat het allemaal halve leugens zijn’. Natuurlijk is dit boek zelf ook als een mythe, een allegorie, te lezen. En toch is Uit de maat tegelijkertijd een volstrekt geloofwaardige wat als-vertelling. Sterker: veel van de gedachten die de personages ventileren zouden aan de hedendaagse Nederlander kunnen worden toegeschreven.

Neem Harpers publiek. Dat bestaat uit een groepje bonkige arbeiders dat op de veranda voor een winkeltje rondhangt. De mannen proberen zich een beeld te vormen van de consequenties van het massale vertrek. ‘Het was net zoiets als proberen je het Niets voor te stellen, iets wat ze allemaal nog nooit hadden overwogen.’ Een van hen vermoedt dat het eigenlijk wel gunstig is (‘Kijk, dan is er genoeg werk en genoeg land – al ’t werk en al ’t land dat de nikkers hadden ingepikt’). Een ander ziet ook wel wat nadelen (‘Ga jij nou de vloer vegen, Stewart?’). Maar het groeiende ongemak dat de mannen teistert heeft, zo blijkt, met de praktische gevolgen van de volksverhuizing maar weinig van doen; het is de verandering zelf die ze niet begrijpen, die de mannen de stuipen op het lijf jaagt. In een ijzingwekkende slotscène toont Kelley de fatale vorm die deze angst voor controleverlies aan kan nemen. De mannen, van als een aandoenlijk type ‘ruwe bolster, blanke pit’, blijken tot veel bereid om dit verontrustende gevoel te bezweren.

Een van de vertellers is ‘meneer Leland’, een achtjarig jongetje. Hij mag het woord ‘nikker’ niet meer gebruiken van zijn vader, hoewel iedereen om hem heen met het woord grossiert. De uitleg van vader Harry Leland: ‘Volgens mij is geen enkel woord op zichzelf slecht. Het is gewoon een woord, en daarna geven mensen er een betekenis aan. [...] Maar als je een donker iemand een nikker noemt denkt ie dat je zegt dat ie slecht is, en misschien bedoel je ’t niet eens zo, snap je?’ De lezer hoeft hier, dunkt mij, niet over al te veel fantasie te beschikken om een parallel met de actualiteit te ontwaren.

Een mogelijke reden dat Kelley na zijn debuut niet werkelijk wist door te breken als schrijver, aldus Schulz, is dat hij in zijn boeken meestal koos voor een wit perspectief. Hierdoor viel zijn werk zowel bij veel zwarte als bij veel witte lezers buiten de boot: zwarte lezers hadden behoefte aan representatie, terwijl witte lezers zich onprettig voelden bij deze vorm van toe-eigening. Het zou zeker in het geval van Uit de maat een betreurenswaardige reden zijn voor Kelleys gebrek aan populariteit, want zijn perspectiefkeuze – wie spreekt, wie zwijgt – vormt nu juist de thematische spil van de roman. Kelley geeft zijn witte vertellers met een buitengewone tederheid vorm, maar hoe ze ook filosoferen, peinzen en redeneren – ze komen met al die woorden geen stap verder. De werkelijke held van het verhaal is de ongeletterde Caliban, een notoire zwijger, wiens handelen de motor vormt van alle verwikkelingen in het boek.

Primitieve mens

Kelley ontleent zijn motto aan Henry David Thoreau, wiens gedachtegoed in de roman alomtegenwoordig is. De meest in het oog springende parallel is de volksverhuizing zelf, die geduid zou kunnen worden als een manifestatie van Thoreaus ‘burgerlijke ongehoorzaamheid’; een geweldloze vorm van verzet die de potentie heeft een compleet systeem te ontwrichten. (Zijn werk was een belangrijke inspiratiebron voor onder anderen Martin Luther King Jr., Mahatma Gandhi en Nelson Mandela.)

Meer boekentips? Dit zijn de 109 beste boeken van 2018

Een andere overeenkomst is de wijsheid die Thoreau de natuur en de ‘primitieve mens’ toedichtte. ‘I have always been regretting that I was not as wise as the day I was born’, schreef hij. Mensen die studeren zijn ‘iets kwijtgeraakt wat Tucker nog heeft’, beweert ook Tuckers hoogopgeleide echtgenote. Een ander legt uit hoe het niet de complexe ideeën van genieën zijn die het dichtst bij de waarheid komen, maar juist de ‘oude, simpele ideeën, de fundamentele ideeën die we misschien over het hoofd hebben gezien’. Vaak, lijkt Kelley met zijn roman te willen zeggen, schuilt de grootste wijsheid in de eenvoudigste inzichten.

In dat licht is het niet verwonderlijk dat de achtjarige meneer Leland van alle vertellers misschien nog wel het meest van de hele situatie begrijpt. ‘Waarschijnlijk’, bedenkt het joch, ‘doet er er niet toe hoe mensen eruitzien of wat ze zeggen, maar telt alleen wat ze doen.’ Tja. Eigenlijk is rechtvaardigheid verdomde simpel.