Opinie

Een bibliotheek bij de ladder van James Joyce

Kerstverhaal Boeken verdienen een thuis, ontdekt als hij de boeken erft van zijn oom, oud-diplomaat Coen Stork. Illustratie

Illustratie Olivia Ettema

Ik heb kort geleden honderden boeken gekregen uit de verzameling van Coen Stork, oud-diplomaat en mijn achteroom, die een jaar geleden overleed. Hij werd 89 jaar. Nu zit ik omringd door stapels boeken in ons huis op het Hongaarse platteland te werken aan een roman, met twee honden als gezelschap. ’s Nachts is er soms het gejank van jakhalzen, ’s morgens reeën in de tuin die mij wakker blaffen. De kasten van de bibliotheek heb ik de afgelopen jaren ingebouwd, samen met de timmerende wiskundeleraar uit het dorp.

Het is allemaal begonnen met een ladder die ik in Triëst heb gevonden en waarop een eeuw geleden James Joyce, Italo Svevo en Umberto Saba nog hebben gestaan. Het was ons eerste bezoek aan de havenstad. Ilonka en ik reden op goed geluk, we hadden geen reisplan. Triëst was toeval. We vonden een groot, verlaten hotel aan de haven. Een haven waar geen schip lag. In de vroege ochtend wandelde ik naar het antiquariaat van Umberto Saba, daar had ik ooit over gelezen. Saba was een Italiaans dichter en schrijver. Zijn winkel was vermaard. Italo Svevo kwam er bijna dagelijks in de tijd dat hij bevriend was met, en Engelse les kreeg van, de jonge James Joyce. Vanaf mei 1905 woonde Joyce tien maanden op de verdieping boven het antiquariaat, toen hij leraar was aan de Berlitz School in het huis ernaast, op Via San Nicolò nr. 32. In Triëst voltooide hij zijn Dubliners en begon aan Ulysses.

Ik liep door een nog lege stad, me verheugend op de plezierige intimiteit van een oud antiquariaat. Voor Via San Nicolò nr. 30 stond een vrachtauto schuin geparkeerd, kartonnen dozen lagen kriskras op de stoep. De deur van de winkel stond wagenwijd open. Een man verscheen en liet een zware doos op de stoeptegels vallen. Bij de laadklep wachtte een dikzak, hij slingerde de dozen traag in de laadbak, als kadavers in een kuil.

Uit de lucht geschoten fazanten

Zat ik wel goed? Ja, hier was Studio d’Artista, Libreria Antiquaria Umberto Saba. Ik liep naar binnen. Het antiquariaat lag erbij zoals je je de ochtend na Kristallnacht voorstelt. Boeken in bergen op de grond, de kaften uitgespreid, als uit de lucht geschoten fazanten. De metershoge boekenkasten waren half leeggehaald en van de muur getrokken. Twee mannen graaiden boeken van de planken en smeten die in dozen. Sprakeloos keek ik om me heen. De allereerste keer dat ik in Triëst het legendarische antiquariaat van Umberto Saba bezoek, wordt het gestript. Ik dwaalde rond door de puinhopen. Wat kon ik nog redden hier?

Toen zag ik de ladder. De ranke, lichtgebogen ladder om de bovenste planken te bereiken. Ooit, iets meer dan honderd jaar geleden, toen Triëst nog deel uitmaakte van het eeuwige Habsburgse Rijk en ‘Wenen aan de Zee’ werd genoemd, moest die ladder door een scheepstimmerman gemaakt zijn. Een man die wist hoe vederlicht hout te buigen en onder spanning te houden. De bomen waren lange dunne latten die uit elkaar bogen en aan de bovenzijde naar elkaar toe neigden. Rubber aan de toplat maakt dat de ladder zich vastzuigt en boeken noch boekenkasten kwetst. Ik pakte de ladder met twee handen vast, hij woog niets. Zonder me af te vragen of hij wel in de auto paste vroeg ik een van de slopers of ik de ladder kon kopen. We spraken niet dezelfde taal. Ik pakte vijftig euro, hield het biljet in de lucht en wees naar de ladder.

Met elke boekhandel die uit het centrum verdwijnt verliest een stad een deel van zijn ziel

Even later liep ik als een glazenwasser met de ladder over mijn schouder door de drukker wordende straten van Triëst. Het winkelende publiek loerde begerig in de etalages met alleen nog spijkerbroeken- en sneakerswinkels. Met elke oude boekhandel die uit het centrum verdwijnt verliest een stad een deel van zijn ziel.

Ik werkte als een dief in de nacht

Vier jaar later voelde ik me een beetje als de slopers in de Via San Nicolò. Ik mocht boeken kiezen uit de bibliotheek van Coen Stork. Ik had haast, het was avond. Ik vulde in een noodtempo Albert Heijn-tassen, diepvrieszakken, sporttassen en kartonnen dozen. Ik moest snel kiezen. Anders zou deze klus dagen, nee weken kosten. Ik ging te werk als een dief in de nacht, maar noteerde wel bij elke partij uit welke kast die kwam. Coens huis aan de Amstel werd bepaald door boeken. Voor de rijen boeken had hij schilderijen hangen, vooral van Floris Arntzenius, zijn grootvader aan moederszijde.

En nu plaats ik zijn boeken in Hongarije in de kasten. Coens diplomatieke loopbaan openbaart zich. Een Baghdad Bus Map uit 1957 komt tevoorschijn, een plattegrond van Saigon uit 1966, twee vuistdikke delen Travels in Arabia Deserta met een voorwoord van T.E. Lawrence. In Denkwürtigkeiten eines Antisemiten zit een uitnodiging die doet vermoeden dat Coen de auteur, Gregor von Rezzori, in de jaren ’90 in Boekarest heeft ontmoet.

Vooral in zijn tijd in Londen heeft Coen de boekenmarkten en antiquariaten afgeschuimd. Cyril Connolly, Stephen Spender, George Orwell. De boekverkopers wisten hem te vinden. In More Trivia zit een briefje uit 1978 van boekhandel Words Etcetera: „Dear Sir, knowing of your great interest in Logan Pearshall Smith. We are able to offer you the following: More Trivia, 1922. Uncut. Unopened. Very good. £16,– Looking forward to hearing from you.

In Londen is de bibliotheek sterk uitgedijd. In Buenos Aires signeerde Borges voor hem, in Havana stuitte hij op een gesigneerde Hemingway. Tijdens zijn ambassadeursschap in Cuba was een kegelbaan nodig om de boeken op te slaan. In Boekarest duurde het even voordat de Securitate door had dat hij niet net zo’n onnozele hals was als zijn voorganger. Hij liep vooral in het oog doordat hij zoveel boeken bezat, wat a priori verdacht was.

De dienster pende vlijtig over

De Securitate gaf hem de codenaam ‘Stan’ en concludeerde – ik weet niet op welke grond – dat men het best getrouwde vrouwen op hem af kon sturen. Anna, de Hongaarse dienster in de residentie, pende vlijtig titels over uit de bibliotheek en gaf in de rapportages aan haar verantwoordelijke officier door welke boeken Coen aan het lezen was. Zijn vrijgegeven Securitate-dossier beslaat 1.600 pagina’s, met daarin veel boektitels. Hij was wel trots op de omvang van zijn dossier. Bevriende Roemeense auteurs pochten dat hun dossiers dikker waren, waarop Coen antwoordde: „Ja maar jouw dossier is opgebouwd in een heel leven, het mijne in twee jaar.”

In De rode ambassadeur, het boek van Peter Henk Steenhuis over Coen Stork, vertelt hij over het geheime genootschap DIS tijdens zijn middelbare schooljaren: Disputatio Incipium Sapientiae (‘discussie is het begin van de wijsheid’), opgericht door zijn leraar Nederlands, de heer Vis. Dat dispuut vormde hem. Vis zei tegen de jongens: „Cultuurbeschouwing, daar gaat het om. Als jullie in staat zijn onder woorden te brengen wat je ziet, leest, hoort, kun je er meer van genieten.”

De invloed van Vis is zichtbaar. In vrijwel elk boek dat ik in de kast zet zitten voorin meerdere verkleurde krantenartikelen over auteur of titel. Op voorbladen en binnenzijdes van omslagen zijn met potlood in een keurig ouderwets handschrift notities gemaakt. Voorin Lowry’s Under the Volcano staat; „strange comfort afforded by the profession”.

Hij las niet graag vrienden

Coen wenste boeken alleen in de originele taal te lezen, geen vertalingen. En hij las niet graag boeken van vrienden en bekenden, Adriaan van Dis, Harry Mulisch, Fleur Bourgonje en Judith Herzberg werden nauwelijks gelezen. Misschien zag hij ertegen op om erover te moeten praten. Hij en ik deelden een voorliefde voor Leautaud, H.L. Mencken, Cyril Connolly, Elsschot, Nescio, Logan Pearsall Smith en Joseph Roth. In boeken van de laatste drie stuitte ik op handtekeningen van de auteurs, (De Uitvreter gesigneerd door Grönloh) – die kon ik onmogelijk meenemen, té bijzonder en waardevol, en liet ik achter in het huis aan de Amstel.

Hij had vele edities uit de jaren dertig van Querido, De Gemeenschap en Allert de Lange van de romans van Roth. In de eerste druk van de exil-uitgave Die Kapuzinerkruft zitten strookjes uitgeknipt uit een veilingcatalogus, met het jaartal erbij en waar, met zichtbare tevredenheid, de gestage waardestijging werd bijgehouden.

Hij was een liefhebber – invloed van DIS – van de cultuurhistoricus Huizinga. Ik sla In de schaduwen van morgen van Johan Huizinga uit 1935 open en lees de eerste zinnen: „Wij leven in een bezeten wereld. En wij weten het. Het zou voor niemand onverwacht komen, als de waanzin eensklaps uitbrak in een razernij, waaruit deze arme Europese mensheid achterbleef in verstomping en verdwazing, de motoren nog draaiende en de vlaggen nog wapperende, maar de geest geweken.”

Als een Oost-Europees politicus die zijn driemaandelijkse bundels bankbiljetten in sporttassen naar Liechtenstein brengt, ben ik over de Duitse Autobahn gereisd, in een auto doorzakkend onder het gewicht van de tassen met Coens boeken. De ladder uit Umberto Saba’s antiquariaat had ik vier jaar eerder met ijzerdraad tussen de twee voorstoelen van onze open Peugeot vastgezet en er het halve voormalige Habsburgse Rijk mee doorkruist, via Slovenië, Noord-Italië en Oostenrijk naar Hongarije. De kap van de cabriolet had niet meer dichtgekund, Ilonka en ik schuilden voor buien onder viaducten en uitwaaierende bomen.

Voor tientallen jaren te lezen

Nu bracht ik de ladder van Joyce en de boeken van Coen bij elkaar. De boeken van mijn achteroom in drie kasten, ongescheiden, met een messing plaquette er boven: ‘Uit de bibliotheek van Coen Stork’. Ik kan mij met een gerust hart terugtrekken op het Hongaarse platteland. Voor tientallen jaren heb ik te lezen. De door Coen bijgesloten artikelen bieden de context.

Bij het uitpakken van de sporttassen stuit ik op een Ulysse, de Franse vertaling, „entièrement revue par Valery Larbaud et l’auteur”. De vergeelde uitgave met zacht omslag, omvouwen met mat celofaan, stamt uit 1930, de tijd dat Joyce in Parijs leefde. Ulysses werd door Shakespeare and Company in 1922 in Parijs uitgegeven; in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië was het boek verboden. Larbaud begon in Parijs vrijwel onmiddellijk met vertalen naar het Frans, maar Joyce vond zijn vertaling niks en vreesde dat Larbaud van Ulysses een „mutilé de guerre” (een oorlogsinvalide) zou maken. De vertaling nam uiteindelijk zes jaar, de eerste druk in het Frans verscheen pas in 1929, één jaar na Coens geboorte.

Voor de zekerheid kijk ik even of het exemplaar niet gesigneerd is. Er staan veelbelovende potloodkrabbels op de binnenzijde van het omslag (de gesigneerde eerste drukken van Shakespeare and Company zijn enkele tonnen waard). Het handschrift is niet van James Joyce, maar van Coen Stork. Dat is mij natuurlijk veel meer waard.

Umberto Saba’s boekhandel is sindsdien heropend op het oude adres in Triëst.