De vloek van het vlees: slecht voor klimaat, milieu en mensheid

Milieu/impact Al meer dan tien jaar is duidelijk: vlees eten is slecht voor het klimaat, het milieu en de mensheid. De ene wetenschapper zegt: helemaal stoppen. De ander zegt: 20 gram dierlijk eiwit per dag moet nog wel kunnen.

Illustratie MAT

Wat zal ik eten? Wat is goed voor m’n gezondheid, voor het klimaat, de natuur, de aarde? De milieubewuste consument wikt en weegt, en zoekt, en twijfelt.

Maar niet Joseph Poore, landeconoom en promovendus bij de afdeling zoölogie aan Oxford University. „Stop met het eten van dierlijke producten”, zegt hij. Vlees voorop, maar ook melk, kaas, eieren. Poore, zelf sinds vier jaar veganist, publiceerde een half jaar geleden een studie in Science over de mondiale milieu-impact van de landbouw, en hoe die te verminderen. „Er is wereldwijd weinig dat zo’n brede, schadelijke impact heeft als de veehouderij. Stoppen met vlees eten zet meer zoden aan de dijk dan minder vliegen of zuiniger rijden.”

Maar Hannah van Zanten, landbouwkundige aan de Wageningen Universiteit, is het er niet mee eens. Ja, we moeten een stuk minder vlees eten dan we nu doen. Maar helemaal stoppen? „Het is juist duurzamer als we nog een beetje vlees blijven eten”, zegt Van Zanten – zelf vegetariër. Ze heeft er met internationale collega’s aan gerekend, en erover gepubliceerd, afgelopen september in Global Change Biology. Ze stelden zich de vraag: hoeveel dierlijk product kunnen we eten als we het land zo effectief mogelijk gebruiken. Ze laten zien dat een volledig plantaardig dieet een kwart meer aan landoppervlak vraagt dan een dieet met een beetje dierlijk eiwit. „En beschikbaarheid van land wordt een steeds nijpender probleem, als we verdere ontbossing willen voorkomen”, legt Van Zanten uit.

Dat beetje dierlijk eiwit waar Van Zanten op uitkomt, ligt tussen 10 en 20 gram per dag. Nu eet de gemiddelde Nederlander – volwassenen en kinderen – er bijna 50. Dat is al gauw twee keer zo veel als de Schijf van Vijf impliceert.

De milieu-impact van vleesproductie is groot en gevarieerd. De Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) somde het in 2006 op in het rapport Livestock’s long shadow. Het was een sleutelpublicatie. Voor het eerst werd duidelijk hoe groot het aandeel van de veesector in de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen is. Het rapport kwam uit op een verrassende 18 procent van het totaal. In een herziene berekening zeven jaar later stelde de FAO dat bij naar 14,5 procent. Nog steeds aanzienlijk, en vergelijkbaar met de transportsector. De belangrijkste bronnen van die uitstoot waren de ontbossing voor de omzetting naar landbouwgrond (waar veel CO2 bij vrijkomt), de uitstoot van methaan uit de pens van herkauwers en de opslag van mest, en de uitstoot van lachgas ook bij de opslag van mest en bij de omzetting van meststoffen uit de bodem. Methaan en lachgas zijn, net als CO2, broeikasgassen.

Steeds in de top-drie

Het rapport uit 2006 kreeg veel aandacht vanwege dat broeikascijfer. Maar er stond meer in. De conclusie was: kijk je naar de belangrijkste oorzaken van ernstige milieuproblemen dan verschijnt de veehouderij steeds in de top-twee of top-drie. Of het nou gaat om de erosie van grote graslanden – door overbegrazing. Of om de toenemende schaarste en vervuiling van water – door overmatige irrigatie, bestrijdingsmiddelen en uitspoeling van meststoffen vanaf het land. Of om het verlies aan biodiversiteit – door de uitbreiding van landbouwgronden en ontbossing, door de uitspoeling van meststoffen (stikstof en fosfor) naar oppervlaktewateren, en door de verzurende neerslag van ammoniak (uit mest) in natuurgebieden.

Lees ook: Nederland is overbemest, van de lucht tot het grondwater

„En het is niet alsof dit alleen ver weg speelt, in Brazilië, China of Indonesië”, zegt Henk Westhoek van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Het is net zo in Europa, en in Nederland. „Daarbij komt dat Nederland veel veevoer importeert, met name granen uit de EU en soja uit Zuid-Amerika”, zegt Westhoek. Zo zijn we deels verantwoordelijk voor problemen elders. In de dierlijke keten komen veel problemen samen, schreef het PBL afgelopen september in de Balans van de leefomgeving 2018.

Er is veel verbeterd sinds de jaren 90. Overheidsmaatregelen hebben de veeteelt minder vervuilend gemaakt. Maar nog niet genoeg. Bovendien stagneert de dalende trend, al een jaar of tien. De kwaliteit van water is vaak nog ver beneden de maat, de uitstoot van ammoniak is vaak nog te hoog. Bijkomend probleem is dat boeren weinig kunnen investeren door de moordende concurrentie op kostprijs. Er is een omslag nodig, zegt het planbureau al jaren. Niet alleen in Nederland, maar wereldwijd.

Want de vooruitzichten zijn slecht. De wereldbevolking groeit (van 7,7 miljard mensen nu naar circa 9,5 miljard halverwege deze eeuw), de welvaart ook, en zonder ingrepen zal de vraag naar dierlijke producten fors toenemen. Dat vraagt meer oppervlak, voor de uitbreidende veestapel en haar voer. Maar tegelijkertijd is er, in de strijd tegen klimaatverandering, veel meer land nodig voor herbebossing. Ook het verbouwen van gewassen voor biobrandstoffen vraagt extra ruimte. En de natuur zelf schreeuwt erom, om de uitstervingsgolf van soorten te dempen. Niet te vergeten: steden breiden ook uit.

Nauwelijks te managen

Deze „schrikwekkende combinatie” zal in veel gebieden in de wereld nauwelijks te managen zijn, zo stelde het PBL vorig jaar in een rapport dat ze schreef in opdracht van de VN-organisatie die verwoestijning bestrijdt, de UNCCD. De problemen zijn het grootst in Afrika, Zuid-Azië en het Midden-Oosten, door een combinatie van snelle bevolkingsgroei, veel droog land, lage oogstopbrengsten en waterschaarste. De verwachting is dat regenwouden, met name in de Democratische Republiek Congo, en savannes verder gekapt worden en omgezet in landbouwgrond. Ook in Brazilië, India, Australië.

Illustratie MAT

Dat de landbouw duurzamer moet, hoor je dus al jaren. Van wetenschappers, van de FAO. De vraag is hoe? Lang is er gekeken naar de boer. Wat kon die anders doen? Maar de laatste jaren richt de blik zich ook op de consument. En op de aanpassing van zijn dieet. Dat wil zeggen: meer plantaardig voedsel en minder dierlijke producten. „Dit idee is main stream aan het worden, ook bij supermarkten”, zegt Westhoek van het PBL. Behalve het PBL hebben onder meer de Gezondheidsraad, het RIVM en de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur tot die verschuiving opgeroepen.

Wereldwijd heeft zo’n verschuiving grote gevolgen, alleen al in het landgebruik. Landbouw neemt 35 procent van alle land op aarde in beslag, en driekwart daarvan is voor de veesector – voor het vee zelf en voor het voer. De FAO bracht vorig jaar in kaart dat wereldwijd 210 miljoen hectare, een gebied zo groot als Groenland, in gebruik is om graan voor vee (vooral voor eenmagige dieren als kippen en varkens) te produceren. Op nog eens 131 miljoen hectare (een land als Peru) wordt soja verbouwd, hoofdzakelijk voor veevoer.

Met een kleinere veestapel kan er in potentie veel land vrij komen. Onderzoekers beginnen hier aan te rekenen. Zoals Hannah van Zanten aan de Wageningen Universiteit – ze promoveerde twee jaar geleden cum laude op dit onderzoek bij Imke de Boer, hoogleraar dierlijke productiesystemen. In haar systeem krijgt vee alleen nog reststromen van akkers, van de voedingsmiddelen-industrie, de supermarkten en de consument. „Varkens zijn omnivoren en kunnen afval, dat anders verloren gaat, omzetten in vlees en mest”, zegt Van Zanten. En op graslanden kunnen koeien, of andere herkauwers, grazen en melk, vlees en mest leveren. In dit systeem wordt de veestapel begrensd door de hoeveelheid voer uit gras en reststromen.

„In zo’n circulair systeem”, zegt Van Zanten, „wordt biomassa dat de mens niet wil of kan eten, via de dieren meer waard.” En zo’n systeem kan, volgens haar berekening, 10 tot 20 gram dierlijk eiwit per hoofd van de bevolking leveren. Het is een soort kringloopsysteem zoals minister Carola Schouten (Landbouw, ChristenUnie) dat voor ogen heeft voor het Nederland van 2030. Hoeveel de veestapel zou inkrimpen is niet duidelijk. Het zou fors zijn.

Lage kwaliteit grassen

Het zou niet alleen land sparen, maar ook milieu-voordelen hebben. Grove schattingen laten zien dat wereldwijd de verzuring en andere vervuiling door stikstof en fosfor halveert, zo concludeert Van Zanten. De uitstoot van broeikasgassen daalt ook, maar minder. Dat komt omdat er nog relatief veel herkauwers in dit systeem zijn, en die stoten veel methaan uit. De vraag is dus, zegt Van Zanten, of we die herkauwers moeten houden. Zeker in afgelegen gebieden, met lage kwaliteit grassen, waar het vee veel loopt en minder productief is. „Misschien is het voor het milieu beter om hier weer bos te laten groeien.” Van Zanten rekent er nu aan hoeveel vee de wereld kan houden als de opwarming van de aarde tot 2 graden beperkt moet blijven.

Voor Joseph Poore van Oxford University is de uitstoot van broeikasgassen juist een van de redenen om voor een dieet zónder dierlijke producten te pleiten. Want dan zou die uitstoot halveren, zo berekende hij met zijn Zwitserse collega Thomas Nemecek eerder dit jaar in Science. Ook de waterschaarste zou veel minder zijn. Van Zanten brengt daar dus tegenin dat een plantaardig dieet meer ruimte vraagt. Bovendien, wat doe je met alle reststromen als er geen vee is. „Je kunt er bio-energie of compost van maken”, zegt Van Zanten.

Maar tot in welk detail wil je dat allemaal weten? Vast staat dat een dieet met minder dierlijke producten grote milieu-voordelen levert. Het PBL noemt die verschuiving „verreweg het meest effectief – en nuchter bezien eigenlijk onontkoombaar” om klimaat- en milieudoelen te halen.

In Nederland hebben overheid, bedrijfsleven en milieu-organisaties begin dit jaar bekendgemaakt om de verhouding van dierlijke en plantaardige eiwitten in het Nederlandse dieet te willen verschuiven van 60/40 nu, naar 40/60 in 2050 – zoals het ook voor de Tweede Wereldoorlog was. „Maar daarmee zijn we er nog niet”, zegt Van Zanten. Want we moeten ook de overconsumptie, en de voedselverspilling tegengaan. Dat zegt ook Westhoek. Hij vindt het belangrijk dat in ieder geval het pad richting minder vlees wordt ingezet. „Of we naar 40/60 gaan, of nog verder minderen naar de hoeveelheden die Hannah van Zanten voorstelt, laten we eerst maar eens in die richting proberen te bewegen.”

Illustratie MAT

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.

    • Marcel aan de Brugh