Illustratie Tjarko van der Pol

Het was een donkere, ijzige avond…

Kerstverhaal In 2018 bleek eens te meer dat de democratie en de daarmee samenhangende waarden op de schop zijn gegaan. Daarover schreef Aukelien Weverling voor NRC een kerstverhaal.

Het was een donkere, ijzige avond waarin de koning en zijn premier naar de landsgrens trokken, er stond een gure wind die hun de adem benam en o ja, het was kerstavond.

De premier was zo sluw als duizend vossen, maar hij had geen vrouw, wat hem onbedoeld of bedoeld iets sulligs had gegeven waarmee hij speelde als het volk hem in het nauw joeg.

De koning was opgevoed met het idee dat alles om hem heen van hem was, de straten, de huizen, de bomen, de mensen. Daarom was hij zich van geen kwaad bewust toen hij zijn toelage ophoogde terwijl elders in het rijk zijn onderdanen rijen vormden voor voedselbanken en er gesproken werd over een schoolontbijt, aan sommige tafels werd in de vroege ochtend nog geen kruimel brood geserveerd aan dezelfde kinderen die later de iele schouders tegen de vergrijzingsgolf moesten gooien.

De koning was jong en onervaren, maar vriendelijk en ernstig, waardoor men hem toch serieus nam, omdat het twee eigenschappen waren die men maar zelden tegelijk in een mens aantrof. Bovendien had hij de kwaliteit om met een uitgestreken gezicht waarschuwingen te geven waaraan hij geen consequentie kon verbinden.

Op deze avond, kerstavond, liepen hij en de premier zoals ze elk jaar deden naar de landsgrens. Het was een lange traditie om aan hen die zich aan de oversteek wilden wagen uit te leggen welk land zij betraden met welke wijzen en gebruiken. De arme drommels verdrongen zich op een avond als deze aan de grens op zoek naar een beter bestaan. De premier had de koning op het hart gedrukt om niet het woord ‘welkom’ in de mond te nemen, wat verkeerde verwachtingen zou scheppen.

‘Een hand en een glimlach, meer niet’, zei de premier vlak voor ze de bosrand bereikten en de lange laan van populieren betraden die hun rijk van het andere scheidde.

De koning streek zijn uniform glad. Het miste onderscheidingstekenen, maar had een mooi koninklijk distinctief: een rijksappel, rijkszwaard en scepter. Hij droeg spierwitte handschoenen zodat zijn handen niet zouden verruwen en maakte zich zorgen dat ze niet helemaal wit zouden blijven.

Toch, wat schetste hun verbazing? Er was niemand bij de grens. Geen gezinnen, geen kinderen, zelfs geen professoren of creatieven, geen enkele geloofsheer of -belijder, nee, er was zelfs helemaal niemand uit de LHBTI-gemeenschap.

De koning en de premier schuifelden ongemakkelijk over het pad, want welke bestuurder kijkt trots naar een lege grensstreek? In het gunstigste geval heeft iedereen een thuis, is niemand onderweg van hier naar daar, maar in het ongunstigste geval besturen ze een land waar niemand een beter leven van verwacht, waar niemand met jaloerse ogen naar kijkt.

De premier keek op zijn horloge en mompelde: ‘We zullen wel te vroeg zijn’, toen ze plots een oude kromgebogen vrouw zagen naderen. Ze had verweerde handen en een huid vol knoesten. Haar kleren waren besmeurd met modder en haar grijze haren vielen in pieken uiteen.

De koning trok zijn sabel, want hij was niet gewend aan zo weinig protocol. Hij eiste dat ze bekend zou maken wie zij was, maar de oude vrouw had hem herkend en wist dat hij een koning was en niet werkelijk getraind op heldhaftig strijden. Ze duwde zijn sabel zachtjes naar beneden. ‘Ik ben Democratie’, zuchtte ze vermoeid.

‘U?’ vroeg de premier met een opgetrokken wenkbrauw. In al zijn fantasieën was Democratie blond en veerkrachtig geweest.

Ze glimlachte flauwtjes: ‘Ik ben niet wat u verwacht. Vroeger was ik mooi. Ik sprak met iedereen op feestjes en iedereen sprak met mij, maar wie slecht voor zijn lichaam zorgt raakt uit conditie en zo treft u me hier aan.’

‘Wat doet u hier en waarom bent u de enige die hier vanavond is?’ wilde de koning weten, die niet goed begreep wie Democratie was en waar hij haar van zou moeten kennen.

‘Niemand wil meer komen’, zei ze rustig, terwijl ze haar ene been voor haar andere zette en zo over een denkbeeldige lijn balanceerde, alsof ze nog jong was en een evenwichtsbalk nam. Alsof ze niet sprak met de koning en de premier, maar met een boerenpummel en zijn hond. ‘Ze zijn niet gekomen, maar dat betekent niet dat hier vanavond geen reizigers zijn die bescherming nodig hebben en op zoek zijn naar een hand.’ Ze draaide zich abrupt om en waggelde op haar knoestige beentjes terug naar de bosrand en even was het alsof ze er nooit geweest was.

‘Waar gaat u heen?’ riep de premier haar na.

‘Ik ga even liggen, want ik ben nog nooit zo moe geweest.’

Ze was amper opgeslokt door het duister of de aandacht van de koning en de premier werd getrokken door twee gedaanten die zich losmaakten uit het struikgewas. Een jonge vrouw met bruine haren en een leergierige blik was diep in gesprek met een jongen die ze ondersteunde. Hij had een ingevallen gezicht en holle ogen.

‘Halt’, riep de premier. ‘Maak uzelf bekend.’

‘Mijn naam is Vrijepers en dit is Kunst en u hoeft ons niet te bevelen halt te houden, onze bewegingsvrijheid is zo beknot dat wij haast nooit meer van de gebaande paden stappen.’ Kunst bibberde. Hij droeg geen schoenen en had enkel een lap om het lijf. ‘Kunst is uitgekleed’, legde Vrijepers aan de premier uit, waarbij ze naar de koning keek en zei: ‘Kunst was een vriend van iedereen, maar niemand wil meer met hem omgaan. Ze zeggen dat hij elitair is en dat elitair verkeerd is, toch, Kunst kan veel meer zijn dan elitair. Kunst kan van alles zijn, u kunt alleen maar koning zijn.’

De koning haalde zijn schouders op. Hij begreep niet goed wat het verwijt nou precies was, want dat er een verwijt was dat voelde hij wel, maar hij kocht toch altijd wat van Kunst en dat hing hij dan op in een van zijn paleizen en soms gaf hij ook wat weg aan andere vorsten die het dan weer in hun paleizen hingen. Hij begreep werkelijk het probleem niet.

De premier zuchtte, want hij hield niet van Kunst. Hij vond dat hij nauwelijks iets bijdroeg aan de samenleving en daar kon de premier slecht tegen. Hij had begrepen dat Kunst een spiegel kon zijn, maar de premier had geen spiegel nodig, hij wist hoe hij eruitzag. ‘Wat doen jullie hier?’ vroeg hij met samengeknepen ogen.

‘O, Kunst gaat vanavond de grens over. Als hij hier blijft zal hij sterven van de kou, dus hij gaat’, verklaarde Vrijepers. ‘En ik ga met hem mee.’

De koning bestudeerde haar mantel. Hij had er nog nooit zo een gezien. Er zaten plukken veren op onbestemde plaatsen en ze leken eerder vastgeplakt dan gestikt. De koning schudde zijn hoofd, dit was een modegril die hij aan zich voorbij zou laten gaan.

‘Ik ga, want in dit klimaat raak ik mijn stem kwijt’, legde Vrijepers uit. ‘Bovendien, wie niet horen wil moet maar voelen.’

‘Dat is niet aardig om te zeggen’, zei de premier met een minachtende blik.

‘Dat is Vrijepers voor je’, knikte Kunst rillend van de kou.

Op verzoek van de koning beschreef Vrijepers een wereld waarin zij en Kunst niet bestonden. ‘Het klinkt heel droef’, zei Vrijepers ernstig, ‘maar op een bepaald moment zal er een generatie zijn die ons nooit heeft meegemaakt en die niet beter weet.’ Ze knikte: ‘En dan wordt het pas écht heel droef.’

‘Wat kunnen we doen om u te laten blijven?’ vroeg de koning.

‘O, dat heb ik Kunst gevraagd, daar is veel respect voor nodig’, antwoordde Vrijepers. ‘En dat is lastig, want Gelijkheid is hier al een halfuur geleden over de grens gegaan. Hij mocht bijna nooit meer aan de grotemensentafel, maar moest altijd met de kinderen eten. Hij werd sowieso nog maar mondjesmaat uitgenodigd. Hij was zo somber geworden, het was werkelijk niks gedaan’, zei ze terwijl ze opgewekt de hand van Kunst pakte en met een neutrale blik de grens overstak.

Het viel nu pas op dat ze een flakkerend licht met zich mee hadden gedragen en hoe verder ze zich van de koning en zijn premier verwijderden hoe donkerder het om de twee figuren achter de grens werd. Het was kerstavond dus het was gaan sneeuwen. Dikke vlokken dwarrelden tussen de takken door. De vorst zat diep in de grond. De premier klapte in zijn handen. Hij vond het saai om te praten met Kunst en Vrijepers, maar nu leek er helemaal niks meer te doen en hij verlangde naar huis. Het was steenkoud en hij had bijna geen gevoel meer in zijn voeten. Hij kon het knisperend haardvuur bijna voelen, het was behaaglijk en de gedachte alleen al leek zijn lichaam te verwarmen.

Hij verlangde naar een gedekte tafel met fijn porselein, met een wildgebraad dat rijkelijk gevuld was met appelen en pruimen. Hij dacht aan de gouden kandelaren die een warm licht over de tafel wierpen en verlangde naar een kerstboom met maagdelijk witte kaarsjes. Hij probeerde zich te concentreren op de geur van weihnachtswein, haast rook hij de steranijs, de kruidnagel, een hint van vanille, die het parfum van Kerstmis vormden en de donkerste dagen bewierookten. Precies toen de premier dacht aan de kerststal onder zijn boom en de engel daarboven kwamen over het pad onder de populieren drie figuren aangelopen.

De koning had zijn sabel weer tevoorschijn getrokken, maar de drie heren leken niet onder de indruk. Wel werd er druk gemompeld van ‘Genadig is de heer’ en ‘Insjallah’ en ‘B’ezrat Hashem’. Het was dit keer de premier die de koning dwong een andere houding aan te nemen. ‘Het zijn maar geloofsheren’, mompelde hij, om zich daarna direct tot de groep te richten: ‘Heren, wat kan ik voor u doen?’

‘Wij zijn Christendom, Islam en Jodendom, en samen zijn wij de Vrijheid van Religie’, zeiden de drie in koor. ‘Vandaag wordt u door ons verlaten.’

De koning trok wit weg. Hij geloofde nog als een klein kind in Christendom. Of in elk geval vormde het een groot deel van zijn identiteit. De premier kneep zijn ogen samen. ‘Ik vind het goed’, zei hij, ‘maar ik wil dat één van u blijft.’ Hij wilde Christendom vastpakken, maar als bij een geest verdween zijn hand door de arm.

‘Excuseer, ik ben in de afgelopen decennia vervaagd’, mompelde Christendom met donkere ogen. ‘Eigenlijk had ik ook niet aan deze malle trektocht naar de grens hoeven beginnen, ik was vanzelf opgegaan in rook, maar, nou ja, ik ben nu eenmaal graag onder gelijkgestemden, dat begrijpt u toch wel?’ Hij keek de premier aan, die geringschattend terugkeek. ‘Bovendien’, zei Christendom, die nu hij een luisterend oor gevonden had moeilijk losliet. ‘Islam en Jodendom lijken zo op mij in wat zij zijn dat er geen garantie is dat mij niet zal overkomen wat hun overkomt.’

‘En dat is?’ vroeg de koning, met een bibberende stem, want de kou drong door zijn uniform.

‘Ze zijn de schuld van alles en daardoor nooit meer zichzelf. Ze moeten zich voortdurend verdedigen. Het is verschrikkelijk triest, want als ze mensen geen hoop gaven, of kracht, dan vormden ze met mij nog altijd de Vrijheid van Religie, maar het is afgelopen, ze willen niet meer en ik kan moeilijk in mijn eentje Vrijheid van Religie zijn, nou ja, zodoende sta ik hier’, legde Christendom uit, om er monter aan toe te voegen: ‘God heeft het laatste woord. Vanavond wordt u door God verlaten.’

De koning keek geschrokken, maar de premier rechtte zijn rug en zei met schrille stem: ‘Gaat u maar, daar is de grens, stapt u er maar over, ik zal het volk zelf wel voorgaan. Het zal mijn bijdrage zijn aan de participatiemaatschappij.’

Terwijl de premier zijn hand naar links strekte, als sein dat ze wat hem betreft konden vertrekken, doken de drie elk in hun eigen gebed. En daar gingen ook zij prevelend de grens over. Met het wegsterven van hun gebeden voelde de koning een diepe eenzaamheid over zich neerdalen. Nergens scharrelde een dier, nergens kraste een vogel. Met de wolken vol van sneeuw stond er geen ster aan de lucht. En zeker geen heldere om te volgen. Er klonk een lege stilte, tot deze uiteindelijk gevuld werd door een prachtige zuivere stem: ‘Een heel fijne kerst, alwaar je ook bent, voor jou en de jouwen, een gelukkig nieuwjaar…’ Uit het duister stapte een moeder met haar kind. Het kind hield een notenkrakerpop dicht tegen zich aan waardoor deze waardevol leek, maar in werkelijkheid was het ding kapot. De vrouw droeg een flinterdun geel kleed dat duidelijk geen weerstand bood aan de kou.

‘Wat doet u hier zo laat?’ vroeg de premier, die haar de weg versperde.

‘Wij volgen haar’, zei de moeder simpel terwijl ze wees naar Democratie, die met een koffer achter zich aan naar de grens schuifelde. Haar gerafelde jas hing los om haar tengere schouders, het leek alsof ze kleiner was en zwakker dan in de aanhef van dit verhaal.

‘Maar wie bent u?’

‘Wij zijn het Volk en wij gaan, want er is hier geen Kunst en geen Vrijepers en niks om in te geloven en weldra zal er geen Democratie meer zijn.’

‘Ik verbied u te gaan’, riep de premier in paniek.

Moederlijk keek ze naar de premier: ‘U zou beter moeten weten.’ Haar kind streek met een vinger over de wang van de premier.

‘Doe iets’, fluisterde de koning tegen de premier, want hij begreep dat een koning niks is zonder onderdanen, maar de vrouw tikte hem speels op de neus, want ze was wars van etiquette en eigenlijk ook republikein.

‘Vanavond wordt duidelijk wie van ons soeverein is’, zei ze lachend en ze stapte hoofdschuddend langs de koning.

‘Kan ik niks doen om u over te halen te blijven?’ vroeg de premier met een zoetgevooisd stemmetje, want hij wist heel goed dat als er niemand was om op hem te stemmen hij geen premier meer kon zijn en daar hield hij nou juist zo van.

De vrouw glimlachte vaag. ‘Ik kan in een land als dit niet blijven, maar haalt u Gelijkheid over om terug te komen en lokt u Kunst weer over de grens, krijgt u Vrijepers zo gek om waakhond te komen spelen en bouwt u huizen als kastelen voor Christendom, Islam en Jodendom, dan zal ik erover nadenken.’ Ze lachte even naar de premier en zei: ‘Maar ik beloof niet dat ik kom, hoor.’ En daar stapte ook het Volk met een dromerige blik over de grens.

Het nieuwe land had zich als een wit tapijt voor haar uitgerold en de koning en zijn premier hoorden de klokken beieren over het land waarin Gelijkheid, Kunst en Vrijepers nu gevestigd waren samen met Christendom, Islam en Jodendom. En met het luiden van deze kerstklokken zagen de koning en zijn premier Volk en Democratie steeds kleiner worden om uiteindelijk opgeslokt te worden door het donker.

Ze keken naar de zwarte lucht die zich boven hen had samengepakt. Het sneeuwde nog steeds. De aanloop naar het nieuwe jaar was begonnen. En ergens in de duisternis zagen ze zwak fonkelend licht, als een verre zwakke ster die op het punt van doven staat, en zij begrepen: Hoop heeft ons nog niet verlaten, vanavond kan een nieuw begin zijn.

    • Aukelien Weverling