Opinie

    • Floor Rusman

Waar laat je al die spullen? In de opslag

Floor Rusman

Het warenhuis naast mijn kantoor heeft een speciale kerstafdeling waar ik tussen het werken door even naar binnen loop. Ze hebben er van alles voor in en rond de boom: kerstballen en -sterren natuurlijk, maar ook kaarsjes die eruitzien als dennenappels en een nep-gietijzeren kaarsenstandaard in de vorm van een vogelpoot, inclusief scherpe nagels. De laatste kost 26,95 euro. Ik blijf er een tijdje naar staren.

Het is niet zo dat ik tegen consumeren ben, integendeel. Het uitgeven van geld op zich is al in staat me een dopamineshot te geven waarmee ik een paar uur vooruit kan, zelfs als het een saaie aankoop betreft zoals een nieuwe binnenband of neusdruppels.

Zo ben ik, opgegroeid in de jaren negentig, nu eenmaal geprogrammeerd. Op de middelbare school dacht ik een groot deel van de dag aan geld en wat ik ermee kon doen. Nog even sparen en dan kan ik dat roze vest kopen, schreef ik in m’n dagboek. Tijdens mijn studietijd leende ik extra bij omdat ik anders niet vaak genoeg nieuwe cd’s, boeken en kleren kon kopen. Vanwege geldgebrek de Bijenkorf-sale moeten overslaan? Dát nooit!

Dit weekend las ik in de Volkskrant een interview met de Amerikaanse ‘geluksprofessor’ Laurie Santos, die en passant opmerkte dat opslag een van de snelst groeiende markten is in de VS. Mensen hebben zo veel spullen dat ze opslagruimte moeten huren om alles kwijt te kunnen, aldus Santos.

Waarschijnlijk was het mijn latente schuldgevoel over al dat consumeren waardoor ik zo alert reageerde op deze observatie. Eens even kijken hoe dat in Nederland zit, dacht ik.

Wat blijkt: als aanbieder van opslag heb je goud in handen. In Europa zijn 3.800 opslagfaciliteiten, samen goed voor 9,7 miljoen vierkante meter opslagruimte. Nederland is qua aantal opslaglocaties de nummer vier in Europa en qua vierkante meters opslag per inwoner zelfs nummer drie, na het Verenigd Koninkrijk en IJsland. De markt groeit explosief, volgens deskundigen vanwege de trek naar de steden (waar de huizen kleiner zijn) en levensgebeurtenissen zoals scheidingen en overlijdens.

Over dat laatste had ik me al eens zorgen gemaakt. Mijn ouders, afkomstig uit grote gezinnen met weinig spullen, erfden van hun ouders enkele dingen: een wandkleed, wat kopjes, brieven. Wat een verschil met wat voor mij in het verschiet ligt, denk ik weleens.

De generatie die opgroeide na de Tweede Wereldoorlog is de eerste die het geld had om veel spullen te verzamelen – en die daar door alle winkels en reclames ook toe werd uitgenodigd. In de komende decennia, wanneer deze generatie uitsterft, krijgen we dus een spullenoverdracht die zijn weerga niet kent. Die spullen moeten verdeeld worden over minder kinderen en weggestopt op een bescheiden aantal vierkante meters, want de kinderen van die naoorlogse generatie hebben vaak kleinere huizen.

Ondertussen worden er steeds nieuwe spullen toegevoegd aan de spullencirculatie – de belangrijkste reden voor de opslagexplosie. Voor het gemak negeren we dit gegeven, want kopen is zo heerlijk. Hoe anders moeten we onszelf belonen voor goed gedrag en troosten bij tegenslag, en hoe anders moeten we met kerst onze familie verwennen?

Dit alles gaat door me heen wanneer ik in het warenhuis naar die vogelpoot sta te kijken. Komt er eigenlijk ooit een punt waarop we zeggen: ik heb genoeg? En, een verontrustende vraag: waar moet ik mijn dopamineshot dan halen?

Floor Rusman is redacteur van NRC