Opinie

Voorzitter Senaat laat precies zien wat de burger tekortkomt

Eerste Kamer   

Commentaar

Het eindrapport van de staatscommissie parlementair stelsel is nauwelijks verschenen of een vraaggesprek met de voorzitter van de Eerste Kamer bewijst er de actualiteit én de noodzaak van. Maandag trok Ankie Broekers-Knol, VVD-senator en voorzitter, het gordijn weg voor de Eerste Kamer. Traditioneel de ‘Kamer van reflectie’ let de senaat op uitvoerbaarheid, noodzaak en juridische kwaliteit van wetsvoorstellen. In een land dat niet alleen een Constitutioneel Hof ontbeert, maar zelfs de rechter formeel verbiedt aan de grondwet te toetsen, is het juist aan de Staten-Generaal om de verenigbaarheid van wetsvoorstellen met de grondwet serieus te nemen. De Eerste Kamer is er ook op ingericht. Getrapt verkozen, op afstand van de politieke conjunctuur, met leden in deeltijd, geselecteerd op deskundigheid, dient het de grote lijnen te waarborgen.

Wat zegt nu de voorzitter van de Eerste Kamer, over de omstreden wet uit 2005 die het Openbaar Ministerie de macht gaf om zelfstandig straffen op te leggen? „Als ik het in m’n eentje kon zeggen, had ik nee gezegd.” Maar dat ging niet, zo legt zij uit, omdat de minister ‘toezeggingen’ deed, waar weliswaar niets van terecht is gekomen. Verder leek het wetsvoorstel dan wel in strijd met de grondwet. Maar toenmalig minister Donner (Justitie, CDA) dacht van niet. En dus kreeg het kabinet het ‘voordeel van de twijfel’. Nu vindt zij dat deze wet er nooit had mogen komen. Alle bezwaren die zij destijds koesterde zijn uitgekomen. Spijt heeft zij niet „want er gebeuren voortdurend zulke dingen”. Het coalitiebelang spreekt een woordje mee. Als er al eens een wet sneuvelt in de senaat is het zelden een belangrijke. Hoe groter en complexer het voorstel, hoe geringer de speelruimte voor de senaat.

Nu valt de voorzitter te prijzen om haar openhartigheid en het realisme in haar benadering. Andere senatoren onderschreven haar schets van de marges in de Eerste Kamer. Ja, senatoren analyseren een wetsvoorstel op de gebreken die eraan kleven. Maar dan volgt toch de politieke taxatie hoe zwaar die nou écht mogen wegen.

Kortom, opzitten, pootjes geven en vooral niet blaffen, dat is de Eerste Kamer. In die zin vertelde voorzitter Broekers-Knol niks nieuws. Maar toch was het een ontluisterend gesprek. Vooral omdat het opportunisme van de politiek, de brute doorzettingsmacht van coalities, het zwakke corrigerend vermogen van de senaat uit iedere observatie sprak. Misschien is de politiek ermee gediend, maar niet de rechtsstaat. Had zij spijt van haar stem vóór de dubieuze OM-straffen? Nee, want „dan moet je de politiek niet ingaan”. Daar gebeurt dit namelijk voortdurend. De politiek – voor wie een ruggengraat een optie is? En vuile handen geen bezwaar? Hoe eerlijk (en wellicht naïef) zo’n interview ook is, dit is dus precies wat burgers cynisch maakt over politiek, bestuur en wetgeving.

Op deze manier doormodderen is intussen niet meer goed denkbaar in een samenleving waarin polarisatie en vervreemding hand in hand gaan. De staatscommissie bepleit nog maar eens invoering van constitutionele toetsing door de rechter, nadat een wet is ingevoerd. Dat is een vanzelfsprekende, staatkundig volstrekt passende correctiemogelijkheid, waarin Nederland achterloopt. Even broodnodig is een recht voor de Eerste Kamer om een wet te wijzigen en daarna terug te sturen naar de Tweede Kamer voor het laatste woord. Het zou de onbeduidendheid van de senaat kunnen verminderen.

Kortom, stel de senaat in staat om te blaffen. En af en toe eens te mogen bijten.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.