Opinie

Verrassing

Ellen Deckwitz

Eens in de zoveel tijd laat ik een bejaarde uit. R. kreeg ik toegewezen via zo’n organisatie waarbij eenzame mensen (doorgaans senioren) gezelschap krijgen van mensen (doorgaans aangeduid met ‘vrijwilliger’) die ook eenzaam zijn. Ik ken haar nu zo’n anderhalf jaar en het is altijd feest. Ze is 96, helder van geest, heeft een humor zwarter dan de inkomsten van Shell en een geheugen scherper dan dat van een hypotheekverstrekker. Ze overleefde vijf kinderen, drie echtgenoten, zo’n twintig chihuahua’s en oh ja, de Holocaust.

Gistermiddag duwde ik de rolstoel weer eens door een goedbedoeld park en opeens vroeg ze me of ik astma had (ze was longarts).

„Hoezo?” zei ik verschrikt.

„Omdat je de hele tijd zo diep zucht.”

„Het is zo vroeg donker”, zei ik.

„Het kan ook gewoon een emfyseempje zijn hoor”, antwoordde ze, en ik duwde haar maar iets harder voort zodat ik ons beiden ervan kon overtuigen dat mijn luchtwegen in de bloei van hun bestaan waren. Terwijl we met minstens acht kilometer per uur langs de vijver hobbelden klopte ze me op de hand.

„Ik had daar als jonge vrouw ook wel last van hoor.”

„Ja maar dat was omdat je toen in Bergen-Belsen zat”, mompelde ik.

„Dat hielp niet mee”, zei ze, „maar ik bedoel eigenlijk de periode na de oorlog. Ik had alleen mijn oom nog. Ook hij had in het kamp gezeten en bijna iedereen verloren, maar ging fluitend door de dagen. Ik dacht eerst dat het kwam door een vitamine B12-tekort maar daarvoor hallucineerde hij te weinig. Uiteindelijk vroeg ik hem maar wat hem in godsnaam bezielde.”

„En?”

‘Hij zei dat in elke dag een kleine verrassing zat waardoor hij de boel volhield. En hij had gelijk.” „Als je nu aankomt met ‘de glimlach van een kind’ duw ik je met rolstoel en al de vijver in.”

„Hij bedoelde absurde toevalligheden. God was samen met onze familie in rook opgegaan, maar toch zijn er dagelijks talloze kleine schitterende ongelukjes, of toevalligheden, waardoor je er weer tegenaan kan. Hij ontmoette bijvoorbeeld een keer een tandarts die Van der Gat heette. Maakte zijn dag. Of die keer dat zijn loodgieter flauwviel vanwege ijzertekort. Het besef dat een struik gewoon een boom met dwerggroei is. En zo begon ik ook dit soort banale lichtpuntjes te zien. Ik word nog steeds extreem opgewekt van het besef dat de mens gewoon biologisch afbreekbaar is of hoe fantastisch het eigenlijk is dat de meesten van ons zindelijk zijn. Stel je de consequenties eens voor!”

Ik moest zo lachen dat ik mijn sipte vergat. Even ging het prima, en was ik hard op weg dat nog te geloven ook. Jolig duwde ik haar rolstoel verder het duister in.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.