Foto Andreas Terlaak

‘Dat die dividendkwestie voor Rutte niet écht tot iets heeft geleid, is ook eigenlijk raar’

Eindejaarsinterviews Het hele jaar door dubde Ester Naomi Perquin waar ze als Dichter des Vaderlands wel en niet over zou dichten. „Rutte gebruikte woorden waarop hij niet te pakken was.”

‘Weet je, mijn hele termijn van twee jaar had ik een opzetje voor een gedicht klaarliggen voor als er een aanslag zou komen. Dat is misschien valsspelen, maar ik dacht: als het gebeurt, zal ik niet tot schrijven in staat zijn. En dan heb ik het maar liggen…”

Ester Naomi Perquin begint te lachen. „Andere mensen halen dekens en flessen water in huis en ik heb, jawel, een gedicht klaarliggen.” Ze gniffelt. „Het is idioot, ik weet het! Een gedicht, dáár zitten de mensen op te wachten!”

Hoezo, probeer ik bloedserieus, dat is toch precies waar je Dichter des Vaderlands voor bent?

Nou, goed, oké. „Maar het is gezond om te weten dat jouw gedicht bijna niemand ene reet kan schelen. En tegelijk moet je ervoor zorgen dat het jou wel minstens één reet kan schelen.”

Vooruit, ik mag in haar computer kijken. ‘Kom nu niet aan met vrede, zeg nu niet dat het oorlog is’, luidt een regel halverwege. Die valt op – tegelijk wel en geen opdracht. „Ja, het houdt echt het midden tussen alle partijen, want daar zitten de meeste mensen. Maar hen hoor je meestal niet, ze zijn niet zo interessant voor de media, voor het debat. We doen vaak alsof er twee kampen zijn, maar de werkelijkheid is niet zo. In die zin neem ik in mijn poëzie wel een positie in, die van: vergeet niet dat er tussen de twee kampen nog een heel land past, namelijk het land waar ik woon.”

Circusaap

Van dat land is Ester Naomi Perquin de afgelopen twee jaar meer gaan houden. „Veel meer. Ik ben aangestoken met vaderlandsliefde. Ik sprak zó veel mensen die helemaal niet in grote weelde leven, maar wel ontzettend dankbaar en gelukkig zijn dat ze in Nederland wonen. Heel veel mensen zijn zich daarvan bewust, merkte ik. Veel meer dan ons vaak voorgespiegeld wordt.”

Haar termijn als Dichter des Vaderlands zit er bijna op – in januari wordt haar opvolger bekendgemaakt. In twee jaar schreef ze ruim twintig gedichten voor NRC, bij de Dodenherdenking, Prinsjesdag en bij de dood van Anne Faber, bij westerstorm en wintertijd. Maar een Dichter des Vaderlands dient het héle vaderland, dus ging ze er ook op uit, naar zaaltjes, schooltjes en buurthuizen, en schreef ze nog „twintig of dertig” gedichten in opdracht. Voor de politie, het Rode Kruis, de RIVM. Je moet ervoor waken dat je geen circusaap wordt die een kunstje doet, zegt ze. „Gesprekken met mensen in het land, voor een groep staan, dát ga ik misschien missen. Maar die gedichten, nee. Ik ben het nu spuugzat.” Pauzeert. „Wat ben ik eigenlijk fel. Vind je mij fel?”

Als Dichter des Vaderlands was ze niet van de felle, uitgesproken meningen. „Ik heb een boel gevoel, maar ik vind het nu niet mijn rol om daarover te schrijven. Ik ben natuurlijk ook niet gevraagd om twee jaar lang mijn mening te geven. Achter het gedicht kan ik een sterke opinie hebben, maar dat komt tot bedaren in de poëzie.”

Tijdens het jaar whatsappte ik geregeld met de Dichter des Vaderlands – ik was degene bij NRC die haar gedichten in de krant zette, met haar overlegde over plannen en ideeën. „Het is misschien toch een landelijk onderwerp aan het worden, de zon”, stuurde ze op maandag 16 juli. Twee dagen later ving ze de warme zomer in een gedicht waarin boeren opstaan om de zonsopkomst tegen te houden en een sloot gaargekookte eenden uitspuugt.

Toen ik haar op zaterdag 20 oktober vroeg of het overlijden van oud-premier Wim Kok iets voor een gedicht zou zijn, appte ze terug dat ze in de trein „een goede meedenker” had gevonden: „De conducteur [zei]: ‘Na een groots leven is het kwartje nu toch gevallen… Kun je daar niks mee?’” Uiteindelijk niet, want de dood van Kok, schreef ze, „resoneert eigenlijk te weinig om daar een soort ‘landelijke stemming’ bij te bedenken”.

Dat die dividendkwestie voor Rutte niet écht tot iets heeft geleid, is ook eigenlijk raar

Wat Nederland deelde, daar ging het haar om als Dichter des Vaderlands. „Dat leek me de bedoeling. Dat je de nationale stemming in de gaten houdt en iets schrijft dat daarbij past. En ook omdat ik het fijn en bemoedigend vind, dat we dingen delen. Dat is een beetje humanistisch van mij.” Onderwerpen die ons verdelen bleven liggen. Haar gedicht voor Sinterklaasavond, een jaar geleden, bevatte géén statement over Zwarte Piet. „Wat had het toegevoegd? Een gedicht waar iedereen zich in kon vinden? Een statement, waardoor ik in een kamp terecht zou komen? De stemming bij de meeste mensen in het land was: kunnen we het over iets anders hebben? Ik heb als kind mijn moeder huilend in de keuken aangetroffen omdat ze geen geld had voor Sinterklaascadeautjes. Die kinderen zijn er nu ook nog, dus dáár richtte ik de blik op.”

Huiszoekingen

Ester Naomi Perquin komt uit een arm nest. Haar vader stierf op haar achtste nadat hij twee jaar eerder een hersenbloeding had gehad, moeder en vier kinderen bleven over. „Ik weet wat het doet als een gezin van samenstelling verandert door ziekte en dood. Dat je niet vooraf kunt tekenen voor de juiste route, dat het leven niet maakbaar is. Dan ontwikkel je een blik die veel mensen niet verwachten van een dichter.” Als Dichter des Vaderlands was die achtergrond handig. „Als je zo opgroeit, benut je de rijkdom die je wél hebt ten volle, denk ik: we hadden boeken en we konden altijd óveral over praten. Alle vier de kinderen zijn iets anders gaan doen, maar we hebben allemaal de neiging om taal in te zetten voor ons gewin. Ik kan vrij goed de sfeer aanvoelen als ik een ruimte binnenkom, vrij goed luisteren. En dat bewustzijn van de invloed van taal, dat helpt.”

Foto Andreas Terlaak

Het hielp toen ze vorig jaar een paar maanden met de politie meeliep, bijvoorbeeld. „Dan moet je wel meedoen. Zij vonden het fijn dat ik niet begon te piepen terwijl we allemaal stonden te kokhalzen van de geur in een bepaald pand.” Perquin, die eerder jarenlang werkte als gevangenbewaarder, maakte huiszoekingen, achtervolgingen en arrestaties mee. En sprak met korpsleden, zoals de rechercheur die de zaken van de vermoorde meisjes Romy en Savannah had afgerond. „Een opgewekte vrouw, die dus afschuwelijk werk deed. Toen ik haar vroeg hoe het was om dan thuis te komen bij haar eigen kinderen, werd het een emotioneel gesprek. Ik stond na afloop buiten en dacht: je moet een standbeeld oprichten voor deze mensen.”

Het leidde tot een bundeltje van tien gedichten, dat verspreid werd onder het politiekorps. Het gedicht ‘Voor’, dat ook in de krant kwam en op tv bij De Wereld Draait Door, ging over het ongeziene werk dat het land veiliger maakt: „Hier klinkt de niet geslaakte kreet van twee / uit bed gebelde ouders. De stad zwermt / van ongehoord geluid. Je luistert ’s nachts / naar de zachte voetstap van de dochter die / onaangetast de trap op sluipt.”

Voor

Hoe meet je de zwaarte van een klap die nooit kwam,
zoek je de fiets waar niets mee is, die er nog staat?
De brand in een leegstaand schoolgebouw,
nooit uitgebroken, laat geen sporen na.

Hier is de eindeloze lijst van dingen die niet zijn gebeurd,
hier is de nooit betaalde prijs voor toeval, dronkenschap,
loslippigheid. Hier is het dodelijke ongeluk, de schade
die je nooit veroorzaakt hebt.

Hier klinkt de niet geslaakte kreet van twee
uit bed gebelde ouders. De stad zwermt
van ongehoord geluid. Je luistert ’s nachts
naar de zachte voetstap van de dochter die
onaangetast de trap op sluipt.

Gedicht in opdracht van de politie

Maar we moeten nu niet „te humanistisch gaan doen”, zegt ze, want de mensheid is haar ook tegengevallen, hoor. De kleinzieligheid, de kinderachtigheid. „Ook bij mijzelf, hoor. Ik dacht: die kinderachtigheid slijt er wel uit als je volwassen wordt, maar dat is dus niet zo.” Het is de keerzijde van dit „land bevolkt door halfzachte idioten”, zoals ze het in een vertederd appje noemde, nadat er op een gedicht veel ontroerde reacties waren gekomen. Toen ze begin maart op een literatuurfestival in Schotland moest vertellen over Nederland, werd dat een soort cabaret-act. „Ik vertelde dat Nederland natuurlijk een vrij plat land is, dus dat wij zelf heuvels creëren om ons uitzicht te verruimen. Onder andere door te discussiëren over zaken waar de rest van de wereld niet over discussieert – we creëren onze eigen hoogtes en dieptes.”

Al die zaken zette ze op een rij, wat uitmondde in ‘Staat’, een elegie van de ergernis, gepubliceerd op 21 maart, de dag van de gemeenteraadsverkiezingen. Verlos ons, smeekte het gedicht, ‘Van alle holle vragen op de labels aan de thee. Van twitterpolitiek / en ijsbeertjes op zee. Van vragenuur. Van kast, van muur, / van doeners die niets blijvends meer bedenken.’ Gretig: „Het werd mijn lekkerste gedicht! Iedereen ging eraan, links en rechts, en het ruimde zó op! Het leuke is dat de hele zaal lacht als ik het voorlees, en niet alleen om de ander, maar ook om zichzelf.”

Zo kon iedereen het gedicht ook inzetten voor zijn eigen parochie. Smalend: „Mijn gedichten zijn de Billy-boekenkasten van de poëzie!” Hoe kan dat leuk zijn? Beslist: „Het gaat niet over mij. Ik schrijf deze gedichten niet voor mijzelf. Het is mijn werk.”

Hoe komt het eigenlijk dat er zo vaak een goddelijk personage in haar gedichten opduikt? In het gedicht over de zomerhitte (‘Grote weerman, aarde die ons kostbaar is, geef ons heden regen’), in dat over de westerstorm (‘Er is een eendagsgod ontwaakt’). „Nou, als het gaat over wat we delen: in zo’n storm zijn we even verbonden in het gevoel dat we nietig zijn, dat we niets in de hand hebben.”

Ik heb vertrouwen gekregen in mijn land

Maar, zegt ze, een beetje confronterend vindt ze die terugkerende godheid ook wel. „Mijn geliefde noemt dat mijn ‘aangeboren godsbesef’. Ik ben religieus opgevoed – wel anti-kerkelijk trouwens, want mijn vader moest niets van dat soort groepsgedrag hebben. Toen mijn vader overleed, heb ik gebroken met God – als-ie dát soort dingen ging doen, was het over. Maar hij bleef opduiken. Ik hield toch altijd die neiging om het hogere niet uit te sluiten, wat me ook ergert, want erg rationeel is het niet. Ik moet blijkbaar nog steeds leren omgaan met de behoefte om gadegeslagen te worden, God verbeeldt dat bij mij. Dat is wel een beetje een gênante, pathetische behoefte.”

Rationaliserend: „Maar het is ook heel gezond dat je dit kunt met je brein: wanneer je depressief ligt te huilen op de keukenvloer, kan je brein ergens een raam openzetten waardoor God jou ziet en jij weer kracht krijgt om op te staan. Dat is toch mooi.”

Dividendmemo’s

Dus misschien zijn ze toch wel persoonlijk, die gedichten. Op zaterdagochtend 8 september appte ze me over een gedicht dat eerder in de la was blijven liggen – ‘Moe’, geschreven tijdens het Kamerdebat van 25 april over de dividendmemo’s, voor het geval premier Rutte die avond zou opstappen. Nu dreigde de uitzetting van de Armeense kinderen Lili en Howick. „Ik twijfel nu al twee dagen. Het is me te makkelijk en een beetje viezig zelfs om in de emotie mee te varen”, schreef ze eerst. Een uur later was ze het Rutte-gedicht gaan bewerken: „Omdat ik bedacht: onder de emotie ligt iets groters. Een moedeloosheid. Een uitputting bij de kiezer ook. Restjes geloof die weglekken. Misschien moet het daarover gaan.”

Niet veel later stuurt ze een opzet door: „Ik twijfel nog, maar dit raakt wel aan de kern, denk ik. Tegen het sentiment in, maar met de blik op de vermoeidheid die optreedt.”

Waarom zouden we poëzie lezen? Ingmar Heytze legt het in dit stuk uit

Dezelfde middag werd bekend dat de uitzetting van Lili en Howick niet doorging. Het gedicht kwam er dus ook niet. Dat is toch jammer, zegt Perquin nu. „Want de schade die zo’n affaire oplevert voor het vertrouwen in de politiek, die blijft. Dat die dividendkwestie voor Rutte niet écht tot iets heeft geleid, is ook eigenlijk raar. Dat liegen over wel of geen memo’s, dat verdraaien, dat glibberige eromheen praten… Rutte gebruikte woorden waarop hij niet te pakken was, maar onttrok zich daardoor ook aan verantwoordelijkheid. Dat maakt de mensen die zich rechttoe-rechtaan uitdrukken moedeloos.”

Dat woord kwam ook voor in het gedicht. Is ze moedeloos? „Die moedeloosheid wás er die dag, maar goed, dit gedicht is niet verschenen, dat is ook niet zomaar. Wie argwaan heeft, is altijd sterker dan de zittende partij, dat weet ik zeker. Ik ben misschien cynischer geworden over wat er gebeurt met iemand die de politiek ingaat: hij is gekozen als vertegenwoordiger en wordt beroepspoliticus. Maar ik heb veel mensen in de onzichtbare laag daaronder ontmoet, de semi-overheid, de ambtenaren, en bij hen zie je veel gedrevenheid, open debat, de bereidheid om te luisteren, te kanaliseren en bij te sturen. Dat is misschien de hoopvolle noot die ik als Dichter des Vaderlands heb willen horen. Ik heb vertrouwen gekregen in mijn land, niet door de mensen die de dienst uitmaken, maar door de mensen die het dagelijks leven bepalen.”

Ze lacht er nog even ironisch bij: „Kerstig hoor!”

    • Thomas de Veen