De modernisering van de Amsterdamse brandweer moet doorgaan

Rapport-Van Uhm Een rapport over de Amsterdamse brandweer bevestigt de verstoorde verhoudingen. Maar concrete handreikingen aan ontevreden brandweerlieden geeft het niet.

Het belang van de organisatie lijkt niet meer voorop te staan, stelt een rapport over de brandweer in Amsterdam.
Het belang van de organisatie lijkt niet meer voorop te staan, stelt een rapport over de brandweer in Amsterdam. Lex van Lieshout/ANP

Bij de Amsterdamse brandweer is het „wederzijds vertrouwen tussen de korpsleiding en het gros van de mensen in de operationele dienst niet of nauwelijks aanwezig.” Er is sprake van „ongewenste groepsdruk” en een „wij-zij-cultuur”. De commandant en de ondernemingsraad (OR) hebben zich zó ingegraven dat ze zijn „beland in een situatie waar het lijkt alsof het belang van de organisatie niet meer voorop staat.”

Het is al langer hommeles bij de Amsterdamse brandweer, maar nu staan de verstoorde verhoudingen voor het eerst opgeschreven in een openbaar rapport: Bouwen aan vertrouwen. De afgelopen vier maanden deed Peter van Uhm, oud-commandant der strijdkrachten, op verzoek van burgemeester Femke Halsema (GroenLinks) onderzoek naar de arbeidsverhoudingen bij het korps. Aanleiding waren de aanhoudende spanningen tussen commandant Leen Schaap en de uitrukdienst. Dit voorjaar liepen die zó hoog op, dat Schaap aangifte deed wegens doodsbedreigingen.

Lees hier het onderzoeksverhaal over de problemen bij de Amsterdamse brandweer

Op basis van 104 gesprekken (83 individueel en 21 in groepsvorm) schetst Van Uhm een tamelijk onthutsend beeld van de organisatie. De leiding en de operationele dienst hebben geen enkel vertrouwen in elkaar. Pogingen om het korps te moderniseren worden structureel gedwarsboomd door de werkvloer. Op de kazernes is sprake van een gesloten cultuur. Discriminatie, pesten en intimidatie komen nog altijd veelvuldig voor.

Bijbaantjes

Van Uhm richt zijn pijlen niet alleen op de uitrukdienst. Hij maakt duidelijk dat commandant Schaap en de korpsleiding zelf ook schuldig zijn aan het gigantische wantrouwen. De interne communicatie vanuit de top wordt als gebrekkig gezien. Bij wangedrag volgen strenge sancties, maar waardering voor hun werk voelen ze op de werkvloer amper. „Het empathisch vermogen binnen de korpsleiding wordt door het personeel als onvoldoende ervaren”, zo omschrijft Van Uhm het onderkoeld.

Het opmerkelijkste aan het rapport zijn de kleinere zaken die van Uhm – als buitenstaander – opmerkt. Zo verbaast hij zich over het feit dat brandweerlieden niet verplicht zijn hun bijbanen te melden bij de korpsleiding. Van de ruim vijfhonderd werknemers in de operationele dienst „staan enkele tientallen medewerkers met nevenwerkzaamheden geregistreerd,” merkt hij op. Bekend is dat veel brandweerlieden een tweede of derde baan hebben als klusser of taxichauffeur.

Niveau ondermaats

Ook constateert Van Uhm dat het niveau van de bevelvoerders, die leiding geven aan een ploeg bij het blussen van branden, beneden peil is. Een flink deel van hen weigert op bijspijkercursus te gaan. Er is sowieso veel verzet onder de brandweerlieden tegen tests en trainingen. schrijft Van Uhm: „In het opleidings- en oefenbeleid lijkt het volgende te overheersen: we doen ‘het’ al vele jaren zo, dus is het goed.”

Het terugkerende pijnpunt in het rapport zijn de 24-uursdiensten waarin de uitrukdienst traditioneel werkt. Schaap wil ervan af: hij gelooft dat die diensten de oorzaak zijn van de gesloten cultuur op de kazernes. De brandweerlieden verzetten zich hier hevig tegen. Volgens Van Uhm is dit „een van de belangrijkste belemmerende factoren voor het realiseren van de benodigde veranderingen”.

Toch toont hij begrip voor de zorgen van de brandweerlieden: een van zijn belangrijkste aanbevelingen is om de 24-uursdiensten deels te behouden en te gaan werken met meerdere type roosters naast elkaar.

Vertrouwen herstellen

Van Uhms rapport moet vooral dienen als instrument om een einde te maken aan de verziekte verhoudingen bij de brandweer. Te beginnen met de relatie tussen de korpsleiding en de OR, die onder commandant Schaap volkomen is vastgelopen.

Van Uhm doet tal van praktische aanbevelingen om het vertrouwen te herstellen. Zo stelt hij voor dat korpsleiding en OR een ‘technisch voorzitter’ benoemen voor hun gezamenlijk overleg en dat een nieuw lid van de korpsleiding zich speciaal gaat bezighouden met communicatie met de werkvloer. Hij maant de korpsleiding tot een „duidelijk zichtbare verandering van de stijl van leidinggeven”, met meer warmte en betrokkenheid bij de werkvloer. De uitrukdienst moet op zijn beurt stoppen met hardnekkig vasthouden aan verworven rechten en „openstaan voor de benodigde nieuwe koers van de korpsleiding”.

Sinds het aantreden van Halsema deze zomer is er een bescheiden dooi in de verhoudingen binnen het brandweerkorps. Zo heeft de OR zijn verzet gestaakt tegen een ‘proeftuinkazerne’ in Amsterdam-Oost, waar gewerkt gaat worden met roosters van 8 uur. De korpsleiding heeft zich op zijn beurt constructief opgesteld in het conflict over de inzet van vrijwillige brandweerlieden op de beroepskazernes.

Weinig concrete handreikingen

Toch blijft de vraag of Van Uhm voldoende aanknopingspunten biedt voor een blijvende vrede. Ondanks alle begrip bevat zijn rapport weinig concrete handreikingen aan de ontevreden brandweerlieden. Van Uhm geeft de korpsleiding en het stadsbestuur vooral veel argumenten om voort te gaan op de ingeslagen weg van modernisering.

De bestuurlijke reactie op het rapport is wat dat betreft veelzeggend. Terwijl Van Uhm erop aandringt om de 24-uursdiensten vooral te behouden, schrijft Halsema in haar bestuurlijke reactie: „Op termijn zal de huidige 24-uursdienst eerder uitzondering dan regel zijn.”