Opinie

    • Frits Abrahams

Vroeg op reis met de metro

Frits Abrahams

Vroeg in de morgen, het was buiten nog donker, stapte ik ons appartement uit. Boven mij verscheen in het trappenhuis een gestalte die vriendelijk groette. Het was een van de studentes die op de bovenste etage woonden.

„Vroeg op”, zei ik.

„Ik heb snijzaal”, zei ze terwijl ze de trap verder afdaalde.

Een mededeling die ik even moest verwerken. Had ik het goed verstaan? Snij…wát? Ze moest mijn verwarring gemerkt hebben. „Ik studeer medicijnen”, voegde ze eraan toe.

„Jij liever dan ik”, had ik bijna gezegd, maar dat zou alleen maar een misverstand hebben veroorzaakt. Ik heb niets tegen de medische wetenschap, integendeel, maar ik zou me niet graag vroeg in de morgen – trouwens ook niet laat op de avond – over een gebalsemd menselijk kadaver op een snijtafel buigen om even in de ingewanden te prikken. „Til de darmen maar een beetje op en roer wat in de nieren”, zegt de hoogleraar achter me, „kom, niet zo voorzichtig, we zijn hier niet van suiker.”

Zou het erg stinken in zo’n snijzaal? En had je na afloop van de sessie nog veel zin in een kop koffie met een gevulde koek, of juist niet? Ik had het de studente graag gevraagd, maar ze was al buiten in de duisternis verdwenen om haar fiets te zoeken. Misschien kreeg ik later nog eens de gelegenheid, al moest het wel een gepast moment zijn – ik kon haar moeilijk als ze naar een feestavond vertrok vragen: „Voel je je niet erg vies na zo’n snijdag?”

Toevallig stond mijn morgen die dag ook in het teken van de medische wetenschap, zij het op een andere manier. Ik had een afspraak voor een routine-onderzoekje in een kliniek in de Bullewijk, die níét door Bordewijk bedachte benaming voor een wijk in de Bijlmer.

Ik reisde er vanaf het centraal station met de metro heen: lijn 54, de zogeheten Geinlijn, een naam die zeker op zo’n kille, donkere ochtend niet te letterlijk moest worden genomen. De passagiers zaten en stonden zwijgend naast elkaar, velen verdiept in hun mobieltje – papieren kranten leken hier voorgoed afgeschaft. De meesten waren nog jong, tussen de twintig en de veertig.

De trein raakte geleidelijk steeds voller. We naderden de wijken waar niet de woonflats, maar de kantoren domineerden. De lichten in de vertrekken waren al ontstoken, kleurige vakjes in het donker, in afwachting van de kantoormensen. Tot mijn verbazing stroomde de trein vooral op station Bijlmer Arena zo goed als leeg: honderden mensen repten zich hier naar hun kantoren.

Ieder op weg naar zijn eigen snijzaal.

Ik moest denken aan De pont van kwart over zeven, een van de befaamde sociale reportages uit de jaren zeventig en tachtig in Vrij Nederland door het duo Gerard van Westerloo en Elma Verhey. Zij gingen de wijken in om te luisteren naar ‘ons soort mensen’, de gewone man en vrouw uit de gewone straat, aan wie zelden iets gevraagd werd. Voor De pont van kwart over zeven spraken ze vooral de ‘werkers’ die elke dag om kwart over zeven de pont over het IJ naar hun werk namen. Het ging over hun dagelijkse ervaringen en de bijbehorende gevoelens.

Lees ook de column van Auke Kok: De pont van kwart over elf

Ik keek naar die indrukwekkende mensenstroom op station Bijlmer Arena en dacht: nu zou je ‘De metro van kwart over zeven’ kunnen schrijven. Andere tijden, andere zeden, weliswaar, maar juist daarom.