Van courantier tot journalist

Woordhoek

Omdat „de journalist” vorige week door Time Magazine is uitgeroepen tot persoon van het jaar, hier een taalkundig nieuwtje: het woord journalist debuteerde veel eerder in het Nederlands dan tot nu werd gedacht.

Journalist is van oorsprong een Frans woord. De Fransen kennen het sinds de zeventiende eeuw. Aanvankelijk werd het gebruikt voor de klerk die in een dagregister of journaal de uitgaven en inkomsten bijhield. Vervolgens voor een redacteur van een wetenschappelijk tijdschrift en daarna – tegen het eind van de zeventiende eeuw – voor iemand die in een dagblad schreef.

Journalist was een succesvol Frans exportwoord want het werd overgenomen in onder meer het Duits, Engels en Nederlands. Tot nu dateerde de oudste Nederlandse vindplaats uit 1790. „Journalist of Journaal-Schryver”, vermeldde een uit het Frans vertaald naslagwerk toen, is „een Autheur die zich verleedigt om de vorderingen in het gemeenebest der letteren, in de wetenschappen en in de kunsten, door zyne schriften openbaar te maaken.”

Al veel eerder, namelijk in 1618, was de eerste Nederlandse krant verschenen, spoedig gevolgd door allerlei concurrenten. Hoe werden hun medewerkers en uitgevers genoemd? Bij mijn weten is dat nog niet goed in kaart gebracht. Hier een kleine voorzet.

Lang was journalist in het Nederlands een obscuur woord.

Aanvankelijk was courantier het gangbare woord. Dat werd gebruikt voor iemand die een krant uitgaf of erin schreef. We vinden het sinds 1620. De schrijver Willem Ogier noemde courantiers in 1645 „schreeuwers”.

Journalist voor ‘schrijver in een krant of tijdschrift’ is sinds 1707 in het Nederlands te vinden: de Opregte Leydse courant had het toen over „een der Journalisten” uit Frankrijk. Het is dus ruim tachtig jaar ouder dan tot nu werd aangenomen.

Lang was journalist in het Nederlands een obscuur woord. Zo ontbreekt het in de oudste handleiding voor kranten: Kort onderwys, hoedanig men de couranten best lezen en gebruiken kan, in 1758 gepubliceerd door Johann Hermann Knoop. Voor de medewerkers gebruikt Knoop het woord courant-schryvers.

Andere woorden die in de tweede helft van de achttiende eeuw voor deze beroepsgroep opgang maakten, zijn journaalschrijver, nieuwsverteller en uittrekselschrijver, gevolgd door onder meer dagbladschrijver en dagbladredacteur.

Wie zich in de geschiedenis van deze woorden verdiept, komt opvallend vaak klachten tegen over de betrouwbaarheid van de journalistiek. „Het is waar, zommige Menschen zeggen wel, de Courant liegt, of kan Liegen”, schreef Knoop in 1758. „Dit kan ook wel in zommige Gevallen gebeuren, jedog dit is als dan niet de schuld van den Schryver of Uitgever der Courant, maar komt van daan van onzekere of onware Berigten, die hy van zyn Correspondenten ontvangen heeft.”

Anders gezegd: onwaarheden in kranten zijn grotendeels het gevolg van de onbetrouwbaarheid van de bronnen waar zij zich noodgedwongen op moeten baseren.

Het boekje van Knoop, volgens het titelblad een „Liefhebber en Bevorderaar der Nuttige Wetenschappen”, staat op internet en ik kan het iedereen aanraden. In feite gaat het om een lange lijst waarin hij de vreemde woorden verklaart die het lezen van kranten konden bemoeilijken. Maar Knoop begint met een warm pleidooi voor een instituut dat hij onontbeerlijk achtte voor wie zich wilde verdiepen in de wereld: de courant. Voor de goede orde wees hij op een basisvoorwaarde: „Dat men voor eerst wel moet kunnen lezen.”

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders
    • Ewoud Sanders