Opinie

    • Lotfi El Hamidi

Tafels dekken voor vluchtelingen

None

‘Tafels van Hoop’, zo luidt de landelijke kerstcampagne van Kerk in Actie op de Internationale Dag van de Migrant. Overal in het land worden tafels gedekt om aandacht te vragen voor de situatie van vluchtelingen wereldwijd, Syrische vluchtelingen in het bijzonder. Ik ben beland in Zoetermeer, waar in een ontmoetingscentrum ongeveer tachtig mensen worden verwacht om aan te schuiven aan een Tafel van Hoop. Twee Eritrese vrouwen verzorgen het hoofdgerecht, de gasten bestaan uit ‘oude’ en nieuwe Nederlanders.

„Zo komen ze met elkaar in aanraking”, zegt Flip Bakker van het Inter-Levensbeschouwelijk Overleg Zoetermeer (ILOZ), medeorganisator van deze avond. Bakker heeft ook zakken vol schoenen meegenomen. „Het idee is: ga maar eens in elkaars schoenen staan. Hoe denk je dat de ander naar je kijkt? Hebben we genoeg begrip voor elkaar?”

De schoenen als symbolische oefening voor het vasthouden van het tere vaasje dat Nederland heet.

Een groep Syrische mannen komt zojuist binnen en helpt meteen met tafels en stoelen schuiven. Bakker vraagt een van de mannen om straks, voor het eten, het geboorteverhaal van Jezus in het Arabisch voor te lezen, nadat hij dat in het Nederlands heeft gedaan. Bakker: „De kern is dat God naar ons omziet, Hij trekt zich het lot van anderen aan. En zo moeten wij ook naar elkaar omkijken.”

Het bijbelverhaal is ook een vluchtverhaal, een verhaal dat de Syriërs herkennen. Mahmoud Othman bijvoorbeeld, die uit Raqqa komt. „Ik heb niets meer om naar terug te keren. Het is een spookstad geworden.”

Zijn landgenoot Hassan El Haddi is vijf jaar in Nederland. In Syrië was hij advocaat, hier is hij bezig met een mbo-opleiding juridische dienstverlening. „Voor hoogopgeleide Syriërs is het lastig om de aansluiting te vinden. De Syriërs die kunnen klussen, komen makkelijker aan een baan. Ik zal hier nooit hetzelfde werk kunnen doen als in Syrië.”

Hoe erg ze hun geboorteland ook missen, teruggaan zullen ze niet, in ieder geval niet zolang Assad er zit. Maar zelfs als ze terug kunnen, is het maar de vraag of ze gaan; hun kinderen zijn hier geworteld. Volgens El Haddi is de kloof met het moederland nu al te groot. „Laatst zei mijn zoon in een discussie met mij dat het ‘zijn mening’ is. Mening? Die kende ik nog niet in Syrië.”

Maar het grootste verdriet dat de mannen delen is dat ze nog altijd niet vrij kunnen reizen. De meeste familieleden verblijven nog altijd in de regio, die zij als statushouders niet kunnen bezoeken. El Haddi: „Als Syriër kun je nergens een visum voor krijgen. Het enige vrije visum die wij nog hebben is naar God.”

Lotfi El Hamidi (L.elHamidi@nrc.nl@Lotfi_Hamid) schrijft op deze plek een wisselcolumn met Tom-Jan Meeus.

    • Lotfi El Hamidi